BLIJDE MIJMERING.

De lucht wordt ijler, de eindeloosheid schijnt

Door 't eindig huis, waarin wij, aardschen, wonen

Uit een ver dorp rijzen de stille tonen

Van de avondklok, hoog in de lucht verreind.

Zie: voor mijn blijde blikken baadt nu heind'

En ver de wereld in den glans van 't schoone,

Hier: boomen met de zilv'ren bloesemkronen,

Aan d'einder: 't scheem'rend bosch, waar 't licht verdwijnt.

En achter 't groen der wijde tarwelanden

Staan blanke hoeven in de donkre hoven

Omtogen door een zachte schemering;

Maar schooner dan al 't schoone op aarde, branden

Hóóg de eerste starren; maar nòg schooner boven

Al 't zichtb're stijgt mijn blijde mijmering.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 66 / 100 题