"Daar ik voor U mijn hart heb voelen beven,
Zoo, als het voor geen sterv'ling heeft gebeefd,
Daar ik mij aan U over heb gegeven,
Zoo, als geen vrouw ten tweede maal zich geeft;
Willoos Uw wil, door 't al te on-bandig leven
Mijn schoonst geluk voorgoed vernietigd heeft,
Heb ik, met brekend hart, dit woord geschreven:
""Dat het U welga, lief, zoo lang gij leeft.""
Wel wordt, na de al te noodlooze overgave
Van mijn jong hart de Liefde vroeg begraven,
Die me als een droom voor heel mijn leven scheen;
Maar beter ligt een lieve droom gestorven,
Dan dat hij, door het noodlot droef verdorven,
Leeft, maar verloor de blankheid van 't verleên."