I.

"Daar ik voor U mijn hart heb voelen beven,

Zoo, als het voor geen sterv'ling heeft gebeefd,

Daar ik mij aan U over heb gegeven,

Zoo, als geen vrouw ten tweede maal zich geeft;

Willoos Uw wil, door 't al te on-bandig leven

Mijn schoonst geluk voorgoed vernietigd heeft,

Heb ik, met brekend hart, dit woord geschreven:

""Dat het U welga, lief, zoo lang gij leeft.""

Wel wordt, na de al te noodlooze overgave

Van mijn jong hart de Liefde vroeg begraven,

Die me als een droom voor heel mijn leven scheen;

Maar beter ligt een lieve droom gestorven,

Dan dat hij, door het noodlot droef verdorven,

Leeft, maar verloor de blankheid van 't verleên."

Gedichten(#15273) · 第 64 / 100 题