ONONTBEERLIJK.

Mij kan geen donker leed genaken,

Mij kan geen lichte vreugde ontvliên

Zoolang gij over mij blijft waken

En ik naar U, naar U mag zien.

Gij zijt als brood mijn leven noodig,

Wat regens zijn voor 't dorstig land;

En, wordt mij alles overbodig,

O, nooit de handdruk van úw hand!

O! nooit de gloed der stralende oogen,

Die in des Levens hooggetij

Mij zegge' als woorden 't nooit vermogen:

"Hoe onontbeerlijk zijt ge ook mij!"

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 52 / 100 题