Mij kan geen donker leed genaken,
Mij kan geen lichte vreugde ontvliên
Zoolang gij over mij blijft waken
En ik naar U, naar U mag zien.
Gij zijt als brood mijn leven noodig,
Wat regens zijn voor 't dorstig land;
En, wordt mij alles overbodig,
O, nooit de handdruk van úw hand!
O! nooit de gloed der stralende oogen,
Die in des Levens hooggetij
Mij zegge' als woorden 't nooit vermogen:
"Hoe onontbeerlijk zijt ge ook mij!"
* * * * *