Het Landschap ligt in klare manestralen,
Die maken weide en groenen heuvel bleek,
Waar, uit de donker-overschauwde kreek,
Een blanke beek met val op val komt dalen.
En, door 't gerucht van menschlijk ademhalen,
Waarmee de wind langs 't hoog geboomte streek,
Slaat, op de torens van de gansche streek,
De klok haar zachte slagen twalef malen
Dan sluimert alles in voorgoed en staat
Doodstil op de aard, wijl slechts de sterrebeelden
Met tragen gang vergaan door 't firmament,
En, peinzend aan uw goddelijk gelaat,
Dat zich zoo lang voor mijnen blik verheelde
Wacht ik den morgen, die me uw groetnis zendt.
* * * * *