Ik zat waar zon op 't warme water scheen
En gele bloemen bloeiden aan den kant;
Het grazend vee ging door de weiden heen,
De zomerlucht hing walmend over 't land.
De wilgen waren zilverbleek en stil
Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij;
Een glazenmaker vloog, met lichtgetril
Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.
De schuwe visschen, in 't koeldonker diep,
Verschoten snel, of stonden lang op wacht,
Waar d'aarde zich, in beeld, nog schooner schiep,
Droomend den zomerdroom van eigen pracht.
En over 't hooiland, waar een wagen stond
Met versch-groen gras te geuren in de zon,
En verder waar het drachtig korenblond
Met breede golving boog ten horizon,
Tot waar een scheem'rend bosch zich flauw verhief,
De wereld wegsmolt in der hemelen gloed,
Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief
Uw schoone ziel verlangend tegemoet.
* * * * *