II.

De vleermuis zwingt om 't donker huis,

Ik moet mijn venster sluiten;

Reeds menig vlinder op de vlam

Van 't nachtlijk licht naar binnen kwam

Of gonsde voor de ruiten.

Hoe dicht is het kastanjeloof

Hoe geuren de seringen,

Hoe gaat de krekel ginds in 't gras

Alsof de dag al komend was

Opnieuw aan 't zingen!

En drinkend lang de geuren van

De blank-bloeiende boomen,

Denk ik: zou, voor de slaap mij vindt,

De vogel, die de nachten mint

Nog zingen komen?

Gedichten(#15273) · 第 31 / 100 题