I.

Ik schrijf U thans

Waar de avondglans

Nog nalicht; en van verre

Klokketoon klinkt; waar langzaam aan

De koeien door den avond gaan

En opblinkt ster na sterre.

O weten zoet

Dat gij nu doet

Naar mij, als ik, verlangen...

En de oogen heft, op 't eender uur

Naar 't eender vuur, om, gloed in gloed,

Te geven en te ontvangen.

En, onbewust,

Waar alles rust,

Het huis, het dorp, in duister

Strek ik de biddende armen uit

En kus, als kuste ik U mijn bruid,

Der heil'ge starren luister.

Gedichten(#15273) · 第 30 / 100 题