Ik schrijf U thans
Waar de avondglans
Nog nalicht; en van verre
Klokketoon klinkt; waar langzaam aan
De koeien door den avond gaan
En opblinkt ster na sterre.
O weten zoet
Dat gij nu doet
Naar mij, als ik, verlangen...
En de oogen heft, op 't eender uur
Naar 't eender vuur, om, gloed in gloed,
Te geven en te ontvangen.
En, onbewust,
Waar alles rust,
Het huis, het dorp, in duister
Strek ik de biddende armen uit
En kus, als kuste ik U mijn bruid,
Der heil'ge starren luister.