Toen ik op hooge heuv'len stond
En zag den morgen komen
Verguldend, wijd en zijd in 't rond,
De bleeke waterstroomen,
Heb ik gedacht, waar gij mocht zijn,
Die, schoon als de ochtendzonneschijn,
Het licht zijt mijner droomen.
Des daags, als door mijn zinnen speelt
Mijn bezige gedachte,
Bouw ik altijd 't afwezig beeld
Met al te zwakke krachten;
Want hoe me ook U 't herdenken schiep,
Het mist de pracht van 't beeld, dat diep
Rijst uit doordroomde nachten.
Daarom was ik zoo blij vandaag,
Nu, wat ik steeds moet denken,
Me een droom, niet als ver weg, niet vaag,
Maar kwam, als werkelijk schenken;
En, schoon ge ook zelf afwezig waart
Mijn ziel werd als de ontwakende aard
Die zonnestralen drenken.
Want zie: nóg voor mijn oogen staat
Uw schoon gelaat geteekend,
Der wangen teeder incarnaat
Als roze uit windselen brekend,
De schijning van Uw voorhoofd klaar,
Dat, bij de kroon van donker haar,
Is wonder-wit afstekend.
Hoe zag 'k de klare straling weer
Dier groote diep-blauwe oogen,
Die, als in 't bosch verborgen meer,
Een hemel, beelden mogen,
Waar 't, met den hemel, 't aardsche goud
Dat van den dag zijn glorie houdt,
In 't diep draagt onbewogen.
Hoe kuste ik op het koele blank
Uw handen, slank van lijnen,
En, voorloog van verlangens drank,
Die 't hart doet wilder deinen,
Hoe dronk ik zoeter geuren van
Uw bloeiend lijf, véél zoeter dan
Van rozen of jasmijnen.
Zoo is mijn gansche dag geweest,
De middag als de morgen,
Eén uitgelaten Lentefeest,
Eén Meidag zonder zorgen,
Daar 'k door bebloeide velden trad
En 't schoonst kleinood voor oogen had,
Dat de aarde houdt geborgen.
En nu, waar de avondzon verzonk
Achter de dichte lanen,
Der meer'len laatste triller klonk,
En, die zijn lied van tranen
Den koelen Meinacht hooren doet
Als wie om 't lief verloren bloedt
Totdat de starren tanen,
Heeft de eerste accoorden ingezet
En beurtzang wekt in 't loover,
Nu zoek ik 't, wee! nog eenzaam, bed
En geef me aan droomen over,
In hoop dat deze als de andre nacht
Die mij uw beeld te binnen bracht
't Mij wéér voor oogen toover.
* * * * *