II.

Ja, moest ik zeggen, wat haar oogen spreken,

Hoe schoon van gloed en hoe oneindig teer,

Dan zoek ik naar den glans van 't doodstil meer,

Waarin de zomermiddagstralen breken.

Maar zie: dan denk ik "neen, zóó zijn zij niet,

Zij zijn als verre gouden morgenlanden,

Waarboven in een bevend blauw verschiet

Het zachte licht der vroege zon komt branden."

En als dan de eerste starre in de' avond troont,

Haar diadeem spreidt, waar de zon gaat keeren,

Dan denk ik: "dat heeft zij, maar zéér verschoond,

"Geheiligd door het hart, dat starre' ontberen."

Zóó: meerblauw, morgenglans, en avondster

Zijn beelden wel, maar van de waarheid ver.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 27 / 100 题