Wit als tulpen zijn haar handen,
Rood als rozen haar gezicht;
Warmer dan op morgenlanden
Ooit de zon, haar oogen branden
Liefdevol op mij gericht.
Ja! heur oogen tintlend stralen!
Venus' licht heeft minder gloed,
Waar zij laat in 't West gaat dalen,
Maar ... de zaligste verhalen
Zijn het, die haar stem mij doet,
Als ik tot haar neergebogen
Zeg, dat háár mijn hart begeert,
En, door zelfden drang bewogen,
't Hart haar 's werelds zoetst vermogen:
't Kussen van liefs lippen leert.
Ik weet ook wel meerder dingen
Waar ik niet van spreken mag;
Zilverwitte Mei-seringen,
Die de lucht van geur doordringen
In den zoelen voorjaarsdag,
'k Zag ze in 't bosch, een zomermorgen,
Bloeie' op hals en schouderblond;
't Maagdlijk hart had duizend zorgen,
Toen, wat ieder bleef verborgen,
't Oog van den geliefde vond.
Wonder, wonder om te aanschouwen
Lichaamsblank in 't witte kleed,
"Schooner" dacht ik toen zijn vrouwen
"En wat zij verborgen houen
"Dan welk wereldsch schoon ik weet."
"Schoonst"--maar 'k vrees: zij mocht dit lezen:
Is mijn woord te ver gegaan?
Heb ik, wat voor *mij* moest wezen,
't Teederst van haar schuchter wezen
Roek'loos anderen verraân?
'k Denk: zij zal het mij vergeven,
Dat ik het niet zwijgen kon;
Wat mijn hart van vreugd deed beven,
'k Heb het bevend neergeschreven,
'k Moest het in mijn lied doen leven
Zóó als vogels in de dreven
't Lief bezingen voor de Zon.
* * * * *