Het korenveld, goudgeel, naast paarse vakken
Van bouwland, trilde in heeten middaggloed;
In 't violet des hemels steeg de strakke
Mid-zomer-zon haar Zenith tegemoet.
Van bruinen beuk, vol zwaar bekroonde takken,
Zonlicht-doorschoten, met geblaârt als bloed,
Vloeide op 't geschroeide land in breede vlakken
De koeler schaduw rond den knoest'gen voet.
Wij waren tot den donk'ren boom genaderd,
Een vogel zong, in 't flonkrend kroongebladert,
Zijn lied, dat als een hymne aan 't zonlicht klonk,
En gij, het hoofd op blanken hals gebogen,
Met rooden mond, en toegelokene oogen,
Hergaf den kus, dien U mijn mond ontdronk.
* * * * *