't Is zoet te schrijven, als het licht
Des zomers op mijn handen daalt
En 't rijm zijn blijden plicht verricht
En wat mijn hart voelt U verhaalt.
Mijn handen beven van genot;
Zij dragen den gewijden schat,
Die 'k diep in mijne ziele tot
Nu toe voor elk verborgen had.
Zij zetten bevend woorden neer
Tot de' avond-late zon verbleekt,
En woorden glanzen rein en teer
Als paarlemoer, waar 't licht in breekt.
En toch, hoe mooi die woorden zijn,
Die vingen 't licht aan allen kant,
Zij hebben slechts een zwakken schijn
Van 't licht dat in mijn binnenst brandt,
Omdat er altijd in het woord
Iets is, dat is van iedereen,
En ik wou geven iets dat hoort
Aan U, voor wie ik leef, alleen.
Maar toch is 't zoet, wanneer het licht
Des zomers op mijn handen daalt
En 't rijm zijn blijden plicht verricht
En wat het kan vertaalt.
* * * * *