TEN AANVANG.

De lucht was vol van zilverglansen,

Vol roode tulpen 't groenend gras;

De aloude dom liet vroolijk dansen

Zijn klokken, daar 't de Meimaand was.

En waar ik ieder blad zag groenen,

Ontbloeid der bloemen blij gezicht,

En later achter de plantsoenen

Met elken dag het avondlicht;

De stad met feestlijke geluiden,

De vogels in de' ontloken boom,

Doortoog, als in het wit der bruiden,

Mijn ziel haar schoonste levensdroom.

En drinkend met de zaal'ge zinnen

Des levens reinste en hoogste vreugd,

Trad ik het schoone leven binnen:

Het wereldsch paradijs der jeugd.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 13 / 100 题