De lucht was vol van zilverglansen,
Vol roode tulpen 't groenend gras;
De aloude dom liet vroolijk dansen
Zijn klokken, daar 't de Meimaand was.
En waar ik ieder blad zag groenen,
Ontbloeid der bloemen blij gezicht,
En later achter de plantsoenen
Met elken dag het avondlicht;
De stad met feestlijke geluiden,
De vogels in de' ontloken boom,
Doortoog, als in het wit der bruiden,
Mijn ziel haar schoonste levensdroom.
En drinkend met de zaal'ge zinnen
Des levens reinste en hoogste vreugd,
Trad ik het schoone leven binnen:
Het wereldsch paradijs der jeugd.
* * * * *