17 Jan. 1640 uitgevaren (Uitloopboekje Kol. Arch. no. 4389); 30
Juli 1640 te Batavia aangekomen (Gen. Miss. 9 Sept. 1640); bij
Res. 30 Juli en 1 Aug. 1640 bestemd voor Malacca; 5 Aug. 1640 naar
Malacca. (Berigten Hist. Gen. VII (1859) bl. 29); 28 Sept. 1640
terug te Batavia (Dagr. Bat. bl. 36); 12 Oct. 1640 naar Malacca
(D.B. bl. 55); 9 Nov. 1640 van daar naar Batavia (D.B. bl. 121);
17 Nov. 1640 terug te Batavia (Res. 19 Nov. 1640 en D.B. bl. 68); 1
Dec. 1640 naar Malacca (Gen. Miss. 8 Jan. 1641 en D.B. bl. 106); vóór
31 Jan. 1641 terug te Batavia (G.M. 31 Jan. 1641, vgl. D.B. bl. 165);
4 April 1641 naar Bantam (Miss. Batavia naar Bantam dd. 3 April
1641 en Dagr. Bat. 1641 bl. 233); 8 April 1641 terug te Batavia
(Dagr. Bat. 1641, bl. 234 en Kol. Arch. no. 768); 15 Mei 1641 naar
Taijoan (Gen. Miss. 12 Dec. 1641 en D.B. bl. 304); 21 Juni 1641
aangekomen te Taijoan (D.B. Dec. 1641 bl. 57); 24 Aug. 1641 zijn gaffel
gebroken (Miss. Gouvr. Formosa 10 Sept. 1641); 11 Nov. 1641 uitgezonden
om te kruisen omtrent Tonkin (D.B. 1642 bl. 124); 13 Maart 1642 terug
te Batavia (D.B. bl. 124 en Gen. Miss. 12 Dec. 1642); 7 Mei 1642
over Quinam naar Taijoan (Verbael uijt d'advijsen van verscheijde
quartieren gehouden bij den E. Justus Schouten en D.B. bl. 146);
3 Aug. 1642 te Taijoan aangekomen (Rapport Johan van Lingen); 11
Sept. 1642 naar Japan (Miss. Taijoan naar Batavia 5 Oct. 1642); 12
Oct. 1642 aangekomen te Nagasaki (Dagr. Jap.); 29 Oct. 1642 vertrokken
van Nagasaki (D.J.); 7 Nov. 1642 terug te Taijoan; 19 Dec. 1642 naar
Pangsoija op Formosa gesonden (Instructie voor den veltoverste Johannes
Lamotius en Res. Zeelandia 18 Dec. 1642); 8 Jan. 1643 terug te Taijoan
(Res. Zeelandia van dien datum); 21 Maart 1643 naar Toroboan op Formosa
gezonden (Miss. Taijoan naar Batavia 15 Oct. 1643); 17 Mei 1643 terug
te Taijoan (Id.); 24 Mei 1643 gezonden om te kruisen op Chineesche
jonken (Id.); 28 Juni 1643 bezuiden Formosa (Dagr. Jan van Elseracq in
't jacht Lillo 29 Juni 1643); 24 Juli 1643 terug te Taijoan (Id.);
18 Oct. 1643 gezonden naar de Pescadores (Miss. Taijoan naar Batavia
17 Oct. 1643); 26 Oct. 1643 terug te Taijoan (Dagr. Zeelandia);
10 Nov. 1643 gezonden naar de Pescadores (D. Zeelandia); 9 Dec. 1643
naar Batavia gelargeert (Miss. Taijoan naar Batavia van dien datum); 29
Dec. 1643 aangekomen te Batavia (Gen. Miss. 4 Jan. 1644); 30 Jan. 1644
naar het Zuidland (Heeres, Appendix L. bl. 149); 22 Febr. 1644 bij
Amboina (Id. bl. 117, Dagr. Bat. 1644 bl. 84); 27 Febr. 1644 uijt
Banda genavigeert (Gen. Miss. 23 Dec. 1644); Aug. 1644 terug te Batavia
(Heeres, a. v. bl. 117); 11 Oct. 1644 naar Coromandel; 22 Dec. 1644 op
de Coromandelse Cust (Lijst navale macht); 12 Juli 1645 op de Custe
Coromandel (Id.); 17 Dec. 1645 in Bengalen (Id.); 15 Jan. 1647 naar
Bengalen (Id.); 18 Maart 1647 op de Custe Coromandel, Bengale en Pegu
(Id.); 14 April 1647 a.v. (Id.). Op de lijst van de navale macht der
Compagnie in Indië van 31 Dec. 1647, komt "de Bracq" niet meer voor;
uit den brief van de Bat. Reg. naar Coromandel ddo 10 Aug. 1648 blijkt
dat dit "gaillot" in de rivier de Ganges is "gesneuveld."
Patriasche Missive, 8 Dec, 1639.
Dese gaet met de schepen Sutphen, Amboina, 't jacht Ackersloot, ende
het Quel de Brack van Enckhuysen gaende, op hebbende twaelff man,
en gesonden wert omme een proeve daer van te nemen off soodanigh
vaertuijgh de Compe op eenige vaerwaters dienstich is, en men soude
mogen continueren jaarlijcx van hier soodanigen Quel te senden, waerop
't sijner tijd UE. advijs verwachten sullen.
Generale Missive, 9 Sept. 1640.
'tGaljot 't Quelpeert heeft nevens de groote schepen zee gebouwt,
zal goeden dienst op 't Canael van Taijoan doen, weshalven versoecken
noch twee ofte drie gelijcke maar niet van cleender charter, omme te
meer goederen door 't Canael aen de schepen die onder 't noorderrif
liggen, te connen brengen.
Patriasche Missive, 15 Maart 1641.
Aangaende het senden van noch 2 of 3 Quelpaerden en 3 off 4 Fregats
als de Lieffde, sullen d'eerste aenstaende equippagie UE. petitie
sien te voldoen.
Missiven Batavia naar Taijoan.