13 Aug. 1668.

r. Gehoort sijnde het rapport van de Heeren Commissarissen hebbende in

voldoening van de resolutie van den 11n deser nagesien en geexamineert

het verbaal gehouden van het gepasseerde en toedracht van saacken in

Corea geduerende de aanhoudinge en gevanckenisse van die daer jongst

van daan gekomen sijn, vervattende met eenen de constitutie van het

lant aldaar, en de handel die daar soude cunnen vallen, waar op sijnde

gedelibereert, is goetgevonden en verstaan dat de Generaal en de Raden

sal werden aangeschreven dat men hier niet vreemt daar van soude wesen

dat, door een besendinge derwaerts te doen, onderstaan wierd off men

daar tot den handel soude cunnen werden geadmitteert, verstaande soo

den Generaal en de Raden geen andere consideratien daar tegen mochten

hebben. Noch is geresolveert dat men de voorsz. luijden, sijnde seven

in getale, uijt commiseratie tot een gratuiteijt sal doen hebben een

somme van vijfthien hondert en dertigh guldens, te verdeelen als volgt:

Govert Denijs uijtgevaren voor quartier Mr à f 14 pr mt. f 300.

Jan Pietersz uijt voor bootsgesel tot f 11 f 250.

Gerrit Jansz tot 9 gl. f 200.

Cornelis Dircksz tot 8 gl. f 180.

Dionijs Govertsz tot 5 gl. f 150.

Benedictus Clercq tot 5 gl. f 150.

Mattheus Ybocken voor derde barbier tot 14 gl. f 300.

------

f 1530.

Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer En van het wedervaren der schipbreukelingen op het eiland Quelpaert en het vasteland van Korea (1653-1666) met eene beschrijving van dat rijk · 第 31 / 70 题