[1] Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend
zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden
om Oudewater gelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden
aangetroffen.
[2] W. C. H. Staring. De bodem van Nederland. IIe deel, pag. 130.
[3] Namen van straten.
[4] »De bodem van Nederland", Deel I, bl 18 en 19.
[5] Ibid, pag. 421, Ie deel.
[6] Batavia illustrata, pag. 200.
[7] Tooneel der Vereenigde Nederl. 2 deel, pag. 133.
[8] Tooneel van Hollandt, pag. 313.
[9] Lud. Smids, Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.
[10] Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.
[11] Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden,
bij Pieter van der Aa, 1707.
[12] Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35
Amsterd., Isaak Tirion, 1750.
[13] Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer
Jansonius, predikant te Moordrecht.
[14] Halma, Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162
en 163.
[15] Voor 860 is ook nog Gabbema, Watervloed, bl. 9. Alhoewel van
Meteren, Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers
willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve,
Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp,
Schokius, enz.
[16] De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.
[17] Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van het Leeskabinet, 1856,
No. 7.
[18] De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.
[19] Janzonius bij Rademaker, Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden,
op Moordrecht.
[20] Het Scandinavië van vroeger is het Zweden en Noorwegen van thans.
[21] Budding. N. Godenleer.
De edda's werden 100 jaren na elkander vervaardigd. De eerste werd
verzameld omstreeks 1100, nog ten tijde van het heidendom; de tweede
honderd jaren later.
[22] D. Budding, N. Godenleer, bladz. 7.
[23] A. W., t. a. pl.
[24] Mr. Blommaert, Aloude Geschiedenis.
[25] Mispelheim bet. Vuurwereld.
[26] Schoone beelden, niet waar? Baldur is hier het licht, Haudur de
verpersoonlijkte duisternis.
[27] Deze was boosaardig en luimig, hij wordt de lasteraar der Asen
genoemd en eene schande voor goden en menschen. Blommaert, A.W.,
bladz. 119.
[28] Walhalla is het verblijf der gezaligden en met roem gesneuvelden.
[29] De oude Friezen noemden dit feest Midwintra. D. Budding.
[30] In sommige gedeelten van ons land worden midwintervuren ontstoken.
[31] Nader meer over deze stukken.
[32] Meermalen zagen wij openbare mededeeling door geleerden van oude
plaatsgebruiken, volksliederen en zelfs kinderliederen, klommen die
ook niet altijd tot het heidendom op. Den beminnaren van onderzoek
waren deze bijdragen ongetwijfeld welkom; maar wij zagen ook, dat
het bij anderen den lachlust opwekte. Niettegenstaande dit laatste
willen wij ook nog eenige bijzonderheden mededeelen omtrent het vieren
van het nieuwjaarsfeest in deze plaats, alhoewel het ook met deze
bijdrage bij de laatsten zoo gaan zal. Ter zake nu: Het is N.jaar,
de klokken "beijeren" en men begeeft zich met de nachtwacht naar de
woonhuizen der voornaamste ingezetenen, welke de volgende zingende
luidruchtige zegenwensch ontvangen, aangeheven door eene golvende
menigte, voornamelijk uit den spinnersstand:
"Het uur van twaalven is geboren,
Het oudejaar dat gaat verloren;
Het nieuwe jaar van God ontvangen,
Daar zoo veel menschen na verlangen
't Zij jong en oud
En ongetrouwd;
Ik wensch de heeren en burgers met malkaar,
Veel heil en zegen in het nieuwe jaar."
Daarna wordt eenige malen met de klap geslagen, en het "veel heil
en zegen in het N.jaar" gaat van mond tot mond. In dien tijd echter
gaat de kroeze rond, door de "heeren en burgers" den wenschenden
geschonken, en men herhaalt bij anderen denzelfden deun en ontvangt
hetzelfde vocht.
Ten een ure is de menigte die de wacht vergezelt, al meer en meer
verdunt; men zingt nu:
"David was een jonge held
Toen hij trok met den reus in 't veld,
Al met den slingersteen.
De klok het een!"
Klap gaat het daarna eenmaal, ten teeken van een uur.
Het volgende is echter in onbruik geraakt; het is welligt 150 jaar
geleden, sedert dit het laatst gezongen werd. De reeds oude tak van
nijverheid in Oudewater, het touwspinnen, wordt daarin herdacht:
"Die zijn kostje met spinnen moet winnen,
Die rept en die spoedt hem wat ree;
Die der wil wasschen en ook wil plassen,
De klok het twee."
Klap, klap! zal het daarna den eenvoudigen voormaligen bewoners weder
in de ooren geklonken hebben.
Of men na dit nog meerdere liederen zong, weten wij niet.
[33] Van den Bergh, Mythologie, bladz. 48.
[34] De Spural in Februario, of van de afschuwelijkheden in Februarij.
[35] Inderdaad, ook wij meenen dat de rommelpot zeer oud is: een potje
immers, overspannen met zwijns- of koeblaas, waardoor een riet gaat,
kan ook bij de onbeschaafde heidenen reeds vervaardigd zijn. Potten
hadden zij, dit weet men uit menige overblijfselen; riet groeide hier
in overvloed, en het gebruik van koe- of zwijnsblaas was hun welligt
niet onbekend.
[36] Budding.
[37] Budding.
[38] Zie Blommaert, bladz. 159 a.w.
[39] Budding.
[40] Budding, N. Godenleer.
[41] Zie het 3e deel Ons Vaderland, hist.-rom. Schetsen, blz. 19
en verv.
[42] Freja niet te verwarren met Freija; de eerste is de godin der
liefde, de laatste reeds eenigzins bekend gemaakt.
[43] In Ons Vaderland, door G. Engelberts Gerrits, wordt insgelijks
menige bijzonderheid van Ostera in het meifeest besproken.
[44] Als voorname voorstander van dit oud gebruik, ondersteunde wijlen
de heer A. van der Lee Cz. dikwijls dit feest door toevoeging van
takkebossen, enz.
[45] Vroeger viel ons zelf den eerpost van aanvoerder ten deel.
[46] Dokken is op het vuur slaan, totdat de vlam bijna is uitgedoofd.
[47] Roodzand, een straatnaam.
[48] Dit instrument was reeds bij de oude Germanen in gebruik.
[49] Zie Kevren der stede van Oudewater des Graefschaps van Hollant,
1605. Ook in 's Gravenhage werd in 1506 o. a. nog een verbod tegen
het balslaen, caetsen gemaakt.
[50] Over den haan in de Mythologie nog nader.
[51] Buddingh.
[52] Buddingh.
[53] Niederl. Sagen.
[54] Zie omtrent de vastenavond hiervoren, bladz. 48.
[55] Acht dagen voor Paschen is daags voor eijermaandag. Acht dagen
na Paschen, beloken Paschen (Zie bevel van graaf Jan III, bladz. 65).
[56] Pinksteravond, men denke aan het midzomerfeest.
[57] XVIII Septembris en veertien dagen daarna: herfstnachtevening,
kermis en St. Michiel.
[58] XVIII dagen vóór kerkmisse: Midwinterfeest. XIV dagen daarna
omtrent Driekoningen. Zie bevel van Graaf Jan III.
[59] Zie voorn. Keurenboek.
[60] Men denke echter niet dat er voorheen tegen al dat bijgeloof niet
werd geijverd zulks te beletten, en ook om dat heidensch offervuur
tegen te gaan. Indien wij toch een tal van boeken inzien, waaruit
het tegendeel blijkt, is dit maar al te waar. Zoo zien wij b.v. in
den eersten jaargang de Navorscher, bladz. 45 en 46, het stukje van
D. J. Veegens over de Paasch- en Ostera-vuren. "Dat gebruik" zoo staat
daar, "heeft zich staande gehouden in weerwil van den tegenstand der
geestelijkheid, die niet ophield daartegen te ijveren. Zoo leest
men b.v. in art. V van de ordonnantiën der eerste kerkvergadering
onder Bonifacius, van 21 April 742, den last van Carloman aan iederen
Bisschop, om met behulp van den graaf, die de beschermer zijner kerk
is, zorg te dragen tegen het plegen van heidensche bijgeloovigheden,
en daaronder van die heiligschendende vuren die zij nedfrates
noemen. Batavia sacra, bladz. 298.
[61] Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie, 298 en 299.
[62] Dit ook in Moordrecht, Dordrecht en meerdere.
[63] Buddingh.
[64] Die overgang was gebruikelijk, zegt Buddingh.
[65] Tydeman.
[66] Tydeman.
[67] Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.
[68] Lud. Smids, Schatkamer van Oudheden, blz. 46.
[69] Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring
enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)
[70] Van onzen gevoelvollen Hofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.
[71] Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande,
blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden
wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets,
bladz. 19.
[72] Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen,
beiden even merkwaardig als den hoogen hof bij de Taart en de Pol
bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het
oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij
verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer-
of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog
gevonden wordt.
[73] Alleen zij herinnerd aan Poorteren, dat men Poerteren schreef.
[74] De naam Papen ergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel
dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf
voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.
[75] Critisch woordenboek, p. 383 en verder.
[76] Tacitus bij Buddingh, bladz. 198.
[77] Van den Bergh.
[78] Buddingh.
[79] Dr. Romer. Utrecht en Oudewater.
[80] Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden,
door Dr. N. Westendorp, bladz. 87 en 88.
[81] Critisch Woordenboek, 24 en 25.
[82] Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds
gedienstig waren:
"In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te
zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de
rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den
volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het
meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag
gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter
eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder;
en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open,
en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had
opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de
molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de
dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam."
[83] Buddingh ten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering
wil zien, van bladz. 243 tot 250.
[84] Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen
vermeld. De schrijver schijnt echter niet aan Linschoten te hebben
gedacht: anders--wij durven het bijna met zekerheid zeggen--had hij
ook deze plaats daaronder gerangschikt.
[85] Tydeman, Mythologie, bladz. 267.
[86] Ook Buddingh noemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.
[87] Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?
[88] Ook aan Moordrecht en Dordrecht zij gedacht. Dordrecht,
Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te
herinneren.
[89] In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was
eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig
werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.
De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze
waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de
middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als
behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik
daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het
Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons
Vaderland, door Engelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ook
Brockhaus zijn Conversations Lexicon.)
[90] Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en
eens beneden.
[91] "Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaard zult voeren op het
bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en
landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid
aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer
beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.--Oude
Noordsche drinkplegtigheid. (Zie Ons Vaderland, enz., V, bladz. 13.)
[92] Woordenboek der Nederlandsche Mythologie.
[93] Tydeman. Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie.
[94] Ook de waterkom tusschen Utrecht en Oudewater is, naar men zegt,
grondeloos. (Zie over dit watervlak ook bladz. 99 dezer beschrijving.)
[95] Tydeman, Mythologie, 295.
[96] Blommaert, Aloude geschiedenis, bladz. 143-146.
[97] De schrijver noemt hier bij voorkeur zijne natie. Deze woorden
»des Belgs" gelieve onze natie te beschouwen als »van onzen voorvader",
dewijl dat gebruik, of liever die begeerte ook hier kan toegepast
worden.
De Schrijver.
[98] De Walkuren reden onzigtbaar voorop in den strijd, en kozen de
helden die sneuvelen zouden.
[99] Hela was de heerscheresse der doodenwereld. Alhoewel de
benaming »hel" als strafplaats voor een zondig aardsch leven in
eenige noordsche talen aan Hela schijnt te doen denken, zoo kunnen
zoogenaamde veelweters de hel hierom niet wegcijferen. Dan toch zou
het woord »God", dat de heidenen ook hadden, ook slechts eene ijdele
klank zijn, en wij weten het immers, dat onze Goddelijke Verlosser,
de bron van alle waarheid, dikwijls van die strafplaats gesproken
heeft. Men begrijpe ons dus wel. Alleen de klank van de Hela in de
fabelleer der heidenen en de hel in de Godsdienst der Christenen
biedt overeenkomst aan.
[100] Naar het geluid der vogelen en het gehinnik der rossen werden
vele zaken geregeld.
[101] Midgard is de aarde.
[102] Deze volkeren voerden hunne voetknechten aan in het uiterlijk van
wiggen. Zoodanige wig--door de Romeinen Cuneus genoemd--diende om de
slagorde der vijanden van een te splijten. De hoogsten in rang waren
steeds de eersten of voorsten, dat vorst werd. Weder een overgang,
geachte lezer.
[103] Men weet dat zij bij nachten telden, niet bij dagen.
[104] Blommaert.
[105] Schreijen was te week voor den krachtigen voorvader.
[106] Men had eene of meer houtsoorten die het liefst voor lijkbrand
gebezigd werden. Certis lignis, zegt Tacitus.
[107] "En terwijl de rossche vlammen nu blinken dan bezwijmen, op
en omstralen naar alle zijden, de lijkmijt in vollen brand staat
en den kring der aanwezigen sterker en sterker verlicht met een
aanwakkerenden rooden gloed, heft de aanvoerder Chrenebedar een schril
gehuil en ontzettend gekrijt aan, luid roepende den naam des dooden,
en zijne stem verheffende met akelige kracht, totdat de lijkbrand heeft
uitgeblaakt, de mijt is verteerd, en geen vlamme meer opflikkert uit
den zaamgestorten hoop." Hofdijk, Historische landschappen, bladz. 76
en 77.
[108] Dit gebouw staat aan de N.W.zijde des kerktorens aan den hoek
der straat en is op het kadaster aangeduid als 825.
De vochtige houtskolen zagen de werklieden voor steenkolen aan.
De beenderen waren dikwijls tot groote onregelmatige stukken,
waarschijnlijk door het vet, in elkander geschroeid en hadden--gevoegd
bij den vochtigen grond waarin zij waren--eene aanmerkelijke
zwaarte. De ontruiming had plaats in 1858.
[109] Blommaert, 123.
[110] Van den Bergh.
[111] Buddingh, 148.
[112] Welligt nemen ons sommige uit de schoone sekse het kwalijk indien
wij het wereldkundig maken waarom men zegt dat dit naklepje is. Nu,
laat ons het dan verzwijgen, dat men dit doorgaans beschouwt, omdat
velen harer bij hun leven steeds het laatste woord willende hebben,
men haar dit ook bij haren dood toekent.
[113] Alle overledenen van buiten, wie ook, worden naar de stad
gereden. Voor nabestaanden die dit niet kunnen bekostigen, wordt
het gratis gedaan, meestal door de buren. In de buurt Willeskop
zelfs wordt de lijkwagen, ook van den minsten daggelder, door vier
paarden getrokken.
[114] Dit laatste echter niet als ten tijde van het heidendom.
[115] Beiden naar Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden.
[116] Ook de kap der nonnen laat dit oude hoofdkleed nog zien; ook
die veranderden hun kleed niet, hoe dit bij anderen mogt wisselen.
[117] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.
[118] »Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige
op de ruime en woeste heide, sommige op de bouwakkeren,"
enz. Schatk. Oudh. van L. Smids, 1711.
[119] Schatkamer Oudheden, blz. 327.
[120] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.
[121] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 156.
[122] Engelberts, Aloude Staat, blz. 163 en 164.
[123] Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg van Kralingen"
zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.
[124] Vergelijk en zie hierover L. Smids, Oudheden, op Romeinsche
Oudheden, bladz. 296 en 297.
[125] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.
[126] Bladz. 2.
[127] Engelberts Gerrits, Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.
[128] Hofdijk, Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.
[129] Van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.
[130] Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere
somme gelds onder anderen Oudewater verpondt aan Florens V, graaf
van Holland, bij van Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.
[131] Oudewater is volgens de eerste en oude verdeeling, bij de
Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oude
Noord-Holland en wel in die landstreek begrepen, en welke daarom
alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel. Van Kinschot,
a. b. bladz. 1.
[132] Zie hierover Taalkundige bijdragen tot de naamsuitgangen door
Mr. J. H. Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P. Blommaert, Aloude
historie, bladz. 18.)
[133] Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch
is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer
opmerkelijk.
[134] G. van Loon's Aloude hollandsche historie, bladz. 8.
[135] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 382.
[136] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.
Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden
is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?
[137] Dezelfde, bladz. 386.
[138] Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden
naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden
der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het,
dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene
moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men
ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd
ter neder geschreven.
Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet
meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed,
doch markveld; en de meening dat Oudewater voorheen zoo groot zoude
geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.
[139] Arnold Buchelius bij S. van Leeuwen, Batavia sacra, II,
bladz. 164, en Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot, bladz. 4.
[140] Men zie vooral hierover, den brief van paus Gregorius de Groote
aan den abt Mellitus en den aartsbisschop Augustinus van Engeland,
aangehaald bij BLOMMAERT, Aloude Geschiedenis, bladz. 135 en 136.
[141] Liefland, Utrecht's Oudheid.
[142] Heldring, Opsporing van Bat. en Rom. Oudheden, bladz. 84 en 85.
[143] Zoo men meende ter verfraaijing liet men eertijds elders
menigmaal toe, dat de duifsteen werd verwijderd, om plaats te maken
voor keuriger metselwerk. De kostbaarheid der cementsteen was echter
de grootste drijfveer.
[144] »III Reg." III, 4.--Verg. II paral. I, 6.--Zie ook Kreuser,
»Kircherb." I, 48 en volg.
[145] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 30.
[146] Vroeger is reeds opgemerkt, dat in 1854 de kermistijd in Augustus
gebragt is. (Zie hiervoor bladz. 70).
[147] Beschrijving van Oudewater, door G. R. van Kinschot.
[148] Deze stukken zijn rekeningen van verpachtingen en verhuringen van
landerijen, behoorende aan zeker, mij nog onbekend, godshuis of kerk.
[149] Nl. aldus. Van Sinte Cornelis autaer te Oudewater de somma van
een pondt thien schillingen, ten prijs als boven, van X mergen lants,
die denzelven autaer heeft, strekkende als voren, de voorsz. somma
van enz.
[150] Van heer Cristiaen Reijersz. vicaris van St. Jans autaer te
Oudewater de somma van enz.
[151] Nl. de originele giftbrief ten behoeve van het St. Jacobs
autaer in de kerk, voor schout en schepenen, der stad verleden,
door Jan Roest Hermansz. dd. 28 Augustus 1454.
[152] Zie historie van het Bisdom Utrecht, uit het latijn door
H. v. R. 2 deel bladz. 332.
Voorts merken wij ieder op, dat wij volstrekt niet achterhaald willen
zijn, met de aanmerking, dat oudere stukken nog gewagen, van een
H. Geest-, H. Kruis-, St. Anna-, Simon- en Judas-altaar enz. die zullen
elders aanwezig zijn geweest,--en in zoover betrekking op deze plaats
hebben, dat men aan de altaren hier eenige pacht of iets dergelijks
moest daarvan opbrengen. De door ons genoemden worden duidelijk als
hier geweest zijnde, genoemd.--De aanwezigheid van een St. Anna altaar
wordt echter nog het minst door ons ontkend.
[153] Toen de Zaligmaker door Johannes in de Jordaan werd gedoopt,
vertoonde zich de H. Geest in de gedaante eener duif, en men hoorde
eene stem uit den hemel: dit is mijn welbeminde zoon, in wien ik mijn
welbehagen genomen heb.
[154] Naar men verneemt, is dit merkwaardig doopvont nu in bewaring
van den president-kerkvoogd.
Een arbeider, tegenwoordig, bij de door ons gedane bezigtiging, was zoo
vriendelijk eenige afmetingen voor mij te doen,--hij kon echter, door
ons niet bewogen worden, dit in Nederlandsche maat te doen, zeggende,
dat "een oudheid ook met oude maat gemeten moest worden."--Zie hier
dan de uitkomst zijner meting, »33 Amst. duimen lengte, over 't kruis;
26 dito, lengte der waterholte; 8 1/2 duim diepte bij den rand der
holte en 14 duim in het midden."
[155] De H. Linie door Alberdingk Thijm.
[156] De uitleggingen van I H S zijn te menigvuldig om hier ter neder
te schrijven--MARIA JOSEPH is duidelijk zoo ook A (anno) dni (domini)
1503. Het aanzien en den aart dezer schildering, is in den trant, van
die in de kerk te Naarden, dat door sommigen voor waterverw schildering
gehouden wordt. Met innige spijt, vermelden wij, dat naar men verneemt,
dit grijze gedenkteeken verbroken is.
[157] Indien wij na deze beschrijving echter nagaan, dat de gewelven,
der tegenwoordige consistorie en catachiseerkamer nog gothisch zijn,
hoewel overkalkt, dan durven wij vrij zeker bepalen, dat men, na
voorzigtige verwijdering der kalk, nog zoodanige gewelfschildering zal
aantreffen, door oudheidkundigen en geschiedminnaars in den laatsten
tijd zoo lofwaardig nagespoord en gecopieerd.
[158] De mannen besloegen in de kerk de zuid- en de vrouwen de
noordzijde, daarom welligt ook de zuidelijke en noordelijke ingangen.
[159] Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden.
[160] Zie Collectio Monument Foed Belg bladz. 306.
[161] Die thans door den beitel des steenhouwers zeer onkenbaar
is geworden.
[162] Van dit grafschrift door den heer KINSCHOT bladz. 35 beschreven
is thans eveneens slechts een gedeelte, door het verwoesten der zerk
in 1857-1858 te zien, en wel in de voorkerk.
[163] Zie VAN KINSCHOT enz. bladz. 36. Wij hebben de zerk echter niet
meer kunnen aantreffen.
[164] Ook van dezen steen bij VAN KINSCHOT vermeldt, is geen spoor
meer aan te treffen.
[165] Hier valt de gordijn, de arbeiders hadden reeds eenigen tijd
hierop gebeukt eer men gewaar werd, dat deze steen zich daar onder
bevond en was alzoo grootendeels beschadigd.
[166] Woorden des Zaligmakers.
[167] Men heeft echter meerdere uitmuntende klokkengieters gehad,
die Both heeten. Zoo treffen wij in het carillon b. v. een klok aan,
waarvan het omschrift is, Gerardus Both me fecit soli deo gloria 1601,
en een andere wier opschrift aldus luidt: Gerardus Both me fecit soli
Deo gloria 1711.
Zie over hen, Levens van beroemde Nederlanders, enz.
[168] Beschrijving van Oudewater, bladz. 31.
[169] Ook eene aanteekening van een oudheidminnend vriend luidde: De
kerk te Oudewater, aan St. Michiel toegewijd, dagteekent van Anno 1003.
[170] Kinschot, bladz. 31.
[171] Resol. van Holland, 12 Sept. 1647, bladz. 230.
[172] Resol. van Holland, 15 Augustus 1721, bladz. 612.
[173] Omstreeks 1750 was alhier schoolmeester en voorzanger, de Heer
Simon Jan Verwei, zooals een brief van hem getuigt, waarvan wij om
de pedante en bespottelijke toon die daarin heerscht, niet kunnen
nalaten, onzen lezers copie mede te deelen.
Copie van een brief, gezonden door Simon Jan Verwei, schoolmeester
te Oudewater, solliciterende naar het vacante Voorzangers- en
kosters-ambt, van Zalt-Bommel.
"Zonder roem, maar naar waarheid dient deze tot informatie, dat onze
familie bestaat in man, vrouw en zoon. Wij zijn ruim 40 jaren. De
zoon, de kracht onzer lendenen, in de fleur zijner jaren, de staf
onzer bejaarde dagen, 20 jaren, een meester glazenmaker en verwer,
meestetijd mijn ondermeester, een jongeling onzer gelijkenis
en wel geformeerd van leden. Soo UEd. Achtb. begeert een wel
gedresseerd schoolmr. en voorzanger, Godt geve UEd. Achtb. verstand
en voorzigtigheid, in de ellectie van soodanig een man of persoon,
verzekerd UEd. Achtb. aangaande mijne wetenschappen, bestaande
in deze navolgende: namelijk Italiaanschen scheepsboekhouden,
wijnroeijen, konst der stuurlieden, landmeten, sonder roem, doch het
is Gods gave--extra ordinair singen, als het Godt belieft, indien
UEd. Achtb. begeerig zijt zulks te zien of te hooren tot verwondering
en verbaastheid, dat soo een teeder ligchaam in lesen en singen,
soodanich een geluid kan maken. Ik ben op mijn vierde verandering
van domicilium, alle figuren op het konstigst, door ovaal ronduit
met de passer te haalen, alle sonnewijsers te smeere, Italiaansche
en Romeinsche letters, tot vijftig diverse banden te schrijven en te
vergulden en diergelijke capaciteiten meer, ook in de vlugheid der
pennen niemand, terwijl de roem buitengeslooten. Ben verzekerd, dat
UEd. Achtb. nog beter zullen vinden, als ik het hier met de pennen
geexprimeerd, wanneer gij mij gelieft te zien, hebben UEd. mij maar
op UEd. Achtb. kosten te commanderen of door iemand te laten haalen,
de distantie tusschen beide is omtrent 9 of 10 uren, mijne huisvrouw
is de allerbekwaamste in haar huishouden, en in het assisteren in
mijn school, van de hoofdschedel tot de voetzolen toe, ben ik een
schoolmeester. Wijn nog sterkendrank wordt nooit van mij gebruikt. Sijt
nog voor 't laatste versekerd, UEd. Achtb. sullen het nog beter vinden
aangaande mijn comportement zal vertoont worden, door ecclesiastike
en politieke ondertekeninge. Sal mij hierop mij verlaten.--Per naaste
occasie verwacht ik antwoord van te komen of niet, soo UEd. Achtb. mij
niet op soodanich conditie geliefd te hooren ofte sien, geliefd
dan maar de goedheid te hebben van mijn papieren terug te senden,
dan hope, dat God UEd. Achtb. wil geven eendragtigheid en liefde
in de ellectie van een goed eerlijk en bekwaam man, de Heere zegene
UEd. Achtb. en de Heer Burgemeester der gemeente, na het electeren
van een ander persoon voor het vacerende ampt van een schoolmeester
en voorsanger.--So blijve na hartelijke salutatie van onderdanige
dienst aan UEd. Achtb. met de broeders der gemeente tot Zalt-Bommel.
Achtb. Heeren,
Votre très humble Serviteur
SIMON JAN VERWEI."
Medegedeeld in "de Navorscher" 1856, bladz. 302, door Prins.
[174] Vide Bisdom van Utrecht uit het Latijn door H. V. R(yn)
II. D. bladz. 333-334.
[175] Ib.
[176] Ib. I. D. bladz. 216-218.
[177] H. V. R(IJN) maakt in zijn bisdom Utrecht van dezen pastoor op
bladz. 339 aldus gewag.
Onder de oude pastoors dier plaats moet nog gerekend worden Loeffridus
van der Haer, van wien in het doodboek van Mariendale van Utrecht,
het volgende staat aangeteekend: Op den 30 Maart is overleden
de godvruchtige en eersame Loeffridus van der Haar, kanunnik
van St. Mariaas-kerk, pastoor van Oudewater. Het jaartal staat er
echter niet bij, zooals dit doorgaans op de doodregisters niet staat
uitgedrukt, de dag alleen werd aangeduid om den tijd te weten waarop
de jaargetijden moesten gehouden worden; zoo ook hier.
Vide Matth. de fatis eccles bladz. 44.
[178] Zie doodreg. van de herv. kerk.
[179] Welligt waren deze 3 laatsten geene geestelijken; doch slechts
getijdemeesters.
[180] P. C. HOOFT, Nederl. Gesch. D. I. b. 10 fol. 433.
[181] HOOFT'S, Nederl. Gesch. fol. 30.
[182] Alhoewel het ook mogelijk is, dat de Hervormden, die nog
voorloopig daar bewaarden.
[183] Hier is dus een tijdvak van 1575-1578, dat wij geen predikant
aantreffen, het bezetten en verminken der plaats door de Spanjaarden
is daarvan eene der redenen.
[184] Heeft zijn intrêe-predicatie gedaan 17 Dec. 1741 en is vertrokken
naar Zutphen den 19 April 1744.
[185] Men had de kerk immers kunnen restaureren naar de originele
orde zooals b. v. van Utrecht de domkerk? doch hoe het zij, er is nog
eene schets van haren staat in 1856, eere dus den vervaardiger! Mijn
geachte kunst- en historie minnende vriend den heer E. C. Rahms alhier,
heeft voor de reconstructie in 1857 en 1858, de gedaante der kerk
door een schoone afteekening gered.--Reeds meer heeft hij zich door
het vervaardigen van dusdanige schetsen loffelijk gekweten.--
[186] Meestal was het eene vrouw, die de roomschen ging verwittigen
van de komst eens geestelijke. In dien tijd had men aan de woonhuizen
zelden of in het geheel geen bellen, doch ijzeren kloppers, zooals
die nog hier en daar in deze plaats te vinden zijn, zij moesten dus
geklopt worden, en van daar waarom men die vrouwen klopjes noemde.
[187] Ten minste zeker is het, dat in 1626 men zich om het genoemde
doel daar nog vereenigde.
[188] Vide, Kerkelijke Courant, No. 76, Jaargang, 1858, waar men nog
meerdere bijzonderheden omtrent Tyras aantreft.
[189] Bisdom Utrecht, door H. v. R., bladz. 334, 2 deel.
[190] Opmerkingswaardig deed zich het verschijnsel op, dat de eene kerk
door de burgers gebruikt werd, en in de andere zich de buitenmenschen
vereenigden, daarom noemde men deze kerken de Heeren- en de Boerenkerk.
[191] Houtman stierf alhier den 20 Februarij 1683. (Zie doodreg.)
[192] Overgow was in Delfland geboren en de eerste der Hollandsche
theologanten die te Rome in het Collegie van Urbanus gestudeerd
heeft. Zie Bisdom Utrecht, bladz. 335. 2 deel.
[193] Zekere pater van Ingen is in deze tijden meermalen geruimen
tijd als kapelaan-noodhulp hier geweest.
[194] De pastoors Theodorus van Hagenouwe, Godefridus Spruyt en
Franciscus Johannes Guddee hebben ook de gemeente in het naburig
Polsbroek bediend.
Deze gemeente bestaat nu sedert 1842 daar niet meer en de kerk is
later tot ander doeleinde ingerigt.
[195] Dit huis is genommerd No. 457.
[196] Aangeduid onder No. 402.
[197] Is bekend onder No. 496.
[198] Beschrijving der stad Schoonhoven door H. van Berkum bladz. 418
en volg. (Anno 1762.)
[199] Ook in de oudheden van Rijnland uit het Latijn, door H. v
H. bladz. 457 worden deze zusters, als oorspronkelijk uit Sinte Agnes
convent te Schoonhoven genoemd.
[200] Hier moeten wij echter indachtig maken op eene, onzes inziens,
verkeerde opvatting, die wij meermalen aantroffen, en ook door H. v
H. in zijn Rijnlandsche oudheden op bladz. 412 gedeeld wordt; er
staat daar nl, dat deze nonnen eerst tusschen Schoonhoven en Oudewater
gewoond hadden; doch zoo als wij reeds schreven, om de oorlogen, die
het platteland onveilig maakten naar Oudewater weken. Hij wederspreekt
hier dus letterlijk, hetgeen hij uit een origineel stuk op bladz. 457
zegt, dat zij uit Schoonhoven zelve kwamen zoo als ook van Berkum op
bladz. 418 en 419 schrijft. Daarbij komt nog, dat voor zoover mij
bekend is, er nooit een vrouwenklooster tusschen deze twee steden
ooit geweest zij.
Volgens veler en ook onze meening, schijnt de zaak ons eenvoudig
aldus toe, zooals wij reeds hiervoren in den tekst schreven, dat zij
uit Schoonhoven gingen, aangezien het platteland om genoemde reden,
tusschen die twee plaatsen onveilig was. De verkeerde opvatting en
plaatsing van het woord tusschen, zou alzoo de reden van de genoemde
dwaling zijn.
[201] Deze straat het heilig leven die nog haren naam aldus draagt,
zal naar onze meening, wel naar deze nonnen genoemd zijn.
[202] Het tegenwoordig zoogenaamd kerkje--waarover later.
[203] Wij zien hieruit, dat de "stede muer" of vesting muur in deze
tijden reeds op bijna, of geheel op dezelfde hoogte was, als de
tegenwoordige vesting wal, zelfs houden wij het er voor, uit dezen
brief op te maken, dat zij nog meer dan de wal stadbinnenwaarts
lag--Alzoo weder een bewijs, dat het markveld geen marktveld was--men
vergelijke hierover bladz. 160-163 hiervoren.
[204] Wie zegt mij de beteekenis van dit woord?
[205] Deze zijl en dit watertje bestaan nog, en nog dagelijks ziet
men er de eb en vloed even als toen. De afdammingsluis bij Haastrecht,
eerlang gebruikt zullende worden, zal ook hier de eb en vloed echter
niet meer toelaten.
Wat de "scone put" betreft, deze werd nog in 1827 ontdekt bij het
vergrooten der stads school, als wanneer men tevens bevond, dat zij
nog zeer zuiver water bevattede.
[206] Welligt Bartholomeus Janse, die wij hiervoren onder de pastoors
der kerk noemden in 1403.
[207] Onder reventer, moet men eetzaal verstaan.
[208] Zie Batavia Sacra D. II. bladz. 265 en Beschrijving van Oudewater
door G. R. van Kinschot bladz. 58.
[209] Vaderlandsche historie door Wagenaar bladz. 492-498.
[210] Instrument-Public. apud Matth. Anal. tom. V. 403.
[211] Heda bladz. 284.
[212] Zie Batavia Sacra, (8vo editie) 2de deel.
[213] Bulla Martini V in Matthaei Anal. tom. V. 421. en Decret. Vide
in Matthaei Anal. tom. V. 423.
[214] Script. Rud. Dien de mudes in
Ger. Dumbar. Anal. tom. I. bladz. 71-75 Magnum chron. Belg. bladz. 370
en 371.
[215] Chron. de Traject 433-440 Zued. de Culumb. en Orig. bladz. 630.
[216] Act. Ultraject ubi supra bladz. 449.
[217] Dordrecht door Beverw. bladz. 314. Balen bladz. 774.
[218] Monstulet vol. II. 34 vers.
[219] Beschrijving van Schoonhoven, door H. van Berkum bladz. 419.
[220] Ibid.
[221] Oudheden van Rijnland bladz. 412-419.
[222] Ibid. bladz. 459.
[223] In de bevestigings of verdragsbrief van den pastoor van
Oegstgeest waarvan wij zoo even in den tekst melding maakten,
was de bevestiging van Zwederus gestoken en een zinsnede uit den
laatsten luidt aldus: »maar nadat gijl. op het gemeld stuk lands,
te weten Marienpoel van een bequaame woonplaats verzorgt zult wezen,
en gijl. uw verblijf aldaar genomen zult hebben, dan zult gijl. van
dien tijd de voorrechten die gijl. te Oudewater genoten hebt, niet
langer mogen gebruiken."
[224] Zie denzelve in de Oudheden van Rijnland bladz. 413-419.
[225] Met gerustheid echter mogen wij vooronderstellen, dat de
zusters niet alles aan den Heer van Zwieten verpligt waren. Wie toch
zal in omstandigheden als waarin de vlugtende nonnen verkeerden,
niet de gereede voorwerpen van waarde bij zich nemen. Wij mogen dit
ook alzoo van deze conventualen aannemen--Nog meer. Hertog Philips
magtigde zelfs een zekere Jacob Boudewijns om al het vee, have enz.,
dat zij achter gelaten hadden naar Leiden te mogen vervoeren. Ook
deze magtiging zullen wij hier laten volgen.
"Philips &c. Doen cont allen luden, dat wy omme Goidts wille,
ende om oitmoedich vervolg der besloten Nonnen van Oudewater, die
mit alle hore woonstadt ende have gecomen syn tot Leyden om aldair
te woonen, ende te blyven, den selven geconsenteert hebben, ende
willen dat sy alle hoir beesten, have ende goide die sy t'Oudewater
of ter Goude of dair ommetrent hebben sullen doen halen bij Jacob
Boudynssoon. Toenre des Briefs ende bringen tot Leyden tot behoef
ende nutschap der Nonnen voirschreve, ombieden dairomme allen onsen
Ambtluden, Rechteren, Dieneren ende goede luden binnen Steden ende
dair buten, ende namelick onsen Capiteynen ende Hooftmannen van onsen
Soudenaeren ende Luden van Wapenen mit sonderlinge Ernste, dat sy
onsen geminden in Gode den voirschreven Nonnen deser onser gonste
ende gratie vrylic laten genieten ende den voirnoemden Jacob mit
horen vye ende goeden rustelick, vredelick ende ongehindert trecken,
ende comen laten op deser tyt om die te Leyden te brengen in der
maten voirsz. ende des niet en laten alsoo lieve als wy hem syn,
want wyt alsoo gedaan willen hebben."
[226] Oudheden van Rijnland bladz. 410-463.
[227] De bijzonderheden daarop volgende zijn ons bekend--zij luiden
daar aldus »deze voerz. susteren worden verdreven van Diephout, om
Bisschop Sweers willen, die te Utrecht bisschop ghekoren was ende
van Diephout wt verdreven wort."
[228] Velius Hoorn, bladz. 51.
[229] Veldenaar, bladz. 131.
[230] I Memoriaalb. Rose.
[231] Apud Matthaeum ad Rer. Amorfort, bladz. 283 en bij Burman,
Utrechtsche Jaarb. I D., bladz. 401.
[232] »De scheuring in het Bisdom van Utrecht, duurde nog eenigen tijd,
doch Rudolf vervolgde zijne zaak zoo ernstig aan het Roomsche Hof,
inzonderheid na den dood van Martinus, dat hij, door Eugenius den
IV, in het Bisdom bevestigd werd en zij die in den geestelijken ban
waren, ontslagen werden. Zweder beriep zich ook op de kerkvergadering,
die toen te Bazel werd gehouden. Hij trok zelf in persoon herwaarts,
en werd aldaar bevorderd tot Bisschop van Caesarea."--Hij overleed
te Bazel in 1439. Zweder wordt alzoo in de rei der Bisschoppen van
Utrecht de 52ste en Rudolf de 53ste genoemd. Zie in Batavia sacra
uitvoerig hun leven (in de 8vo editie II. D. van 412-464).
[233] Op het gemeente archief zijn aanwezig de volgende stukken,
waarin men den staat der bezittingen enz., van dit convent kan nagaan.
1. Register van boekhouding en aanteekeningen van de landerijen,
erfpachten, en renten van het oude convent van Oudewater van 1538-1559.
2. Rekeningen van het St. Ursula convent over 1578, 1579, 1667,
1668, 1669, 1671 tot en met 1674 en meerdere stukken tot het convent
behoorende.
3. Acte van transport der bezittingen van het St. Ursula convent,
door de conventualen ten behoeve der stad, tegen genot van jaarlijksch
pensioen dd. 10 Junij 1582.
4. Staat der eigendommen van het convent en de revenuen daarvan 11
Januarij 1582.
5. Eerste rekening van den rentmeester van het St. Ursula-convent
over de jaren 1582 en voorts die over de jaren 1583, 1589 en 1599.
6. Acte relatief de alimentatie, geteekend (eigenlijk gemerkt) door al
de conventualen ter eenre en den rentmeester JAN JACOBSE COPPERT ter
andere zijde, dd. 25 Augustus 1584 benevens de naamlijst en ouderdom
der kloosterlingen in 1582.
7. Stukken van verhuringen der landerijen behoorende tot het
St. Ursula-convent en de respective Godshuizen der stadt ingegaan
Petri 1680, 1685 en 1690 tot 1695.
[234] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater bladz. 58 en 59.
[235] Oudheden Bisdom van Utrecht bladz. 335 en 336.
[236] Zie resol. van den magistraat van Oudewater 27 November 1602.
[237] Volgens mededeeling van een oude vrouw, die dit weder van een
zeer bejaard persoon in hare jeugd vernomen had, was dit huis nog
volgens geheugenis van den laatsten, eertijds met een zeer groot
getal kleine kamers voorzien geweest, waarbij hij de gevolgtrekking
gemaakt had, en zeer juist dat dit gebouw tot gevangenis gediend
had. De goede oude dacht echter zeker niet, dat de cellezusteren,
dit aantal kamertjes eertijds als hare cellen zullen bewoond hebben.
[238] Deze begrafenis vereeniging doelt echter tot dusver alleen op
de dooden uit de rooms catholijke gemeente alhier.
[239] G. R. van Kinschots beschrijving bladz. 59 en 274.
[240] Zie deze keure omtrent het »dagvaarden over de Stads- en der
Godshuizen Schulden," in zijn geheel bij van Kinschot, Beschrijving
enz. Cap. 97, bladz. 553.
[241] Bisdom van Utrecht, I D, bladz. 346.
[242] Ibid. I. D. bladz. 705 en 706.
[243] Resolutien van de regering dezer stad.
[244] Keure der stede van Oudewater Artic. VI. en XIV.
[245] Ibid Artic. VII, XV. en XVI.
Wij mogen den lezer nu reeds niet onbekend laten, dat al hetgeen in
den tekst omtrent de Weesvaders geschreven is, insgelijks betrekking
had en toegepast werd, op de kerkmeesters, gasthuismeesters en heilige
geestmeesters.
Zie ook Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT,
bladz. 92-95.
[246] Onder deze "gewigtige zaken," moet men zeker begrijpen, wanneer
Burgemeesters en Schepenen, door omstandigheden verhinderd waren, de
noodige authorisatie te geven, en er spoed vereischt werd. Wij mogen
wel niet vooronderstellen, dat de vroedschappen in "gewigtige zaken"
meer magt hadden, om als zoodanig te autoriseren, dan Burgemeesters
en Schepenen.
[247] Er is in den laatsten tijd eenig verschil gerezen, tusschen den
gemeenteraad van Oudewater ter eenre en bestuurderen van het Weeshuis
ter andere zijde, omtrent het bezit en den eigendom van voornoemd
gesticht. Dientengevolge is eene Commissie benoemd om in onderzoek
te treden, of er van dit gebouw nog eigendomsbewijzen, of stukken
waaruit de eigendom voldoende blijkt, aanwezig zijn. De uitslag van
dit onderzoek is nog niet bekend, en de questie nog steeds aanhangig.
[248] Beschrijving, door VAN KINSCHOT bladz. 55.
[249] Beschrijving van Oudewater bladz. 55.
[250] In 1731, bekwamen Burgemeesters en Regeerders van Oudewater
octrooi om al de genen, die tot Vroedschap, Kerkmeesters,
Gasthuismeesters, heilige Geestmeesters, Weesvaders, en Boekhouders
verkozen werden, en weigerden, die bedieningen waar te nemen, te
mogen beslaan in eene boete van 100 Gulden ten profijte der stad,
en die boete, te mogen invorderen bij parate en reële executie. (Zie
dit octrooi in van Kinschots beschrijving blz. 491-495).
[251] Zie dit octrooi in van Kinschots beschrijving van Oudewater
bladz. 432 en 433.
[252] Bij den verkoop der brug werd de bepaling gemaakt, dat de kooper
derzelve, de gemaakte openingen zoude dempen, en een houten brug tot
gemeenschap in de grachten zoude daarstellen, zoo als zich dan ook
nu een en ander vertoont.
[253] Eerst in onzen tijd begint de oude vede tusschen die van
Oudewater, en Montfoort of Stichtsen te bedaren en in loffelijke
vergetelheid te geraken, eeuwen achtereen gingen echter voorbij in nijd
en onderlingen twist. Wij zoeken de reden hiervan, in de menigvuldige
oorlogen tusschen Holland en Utrecht waarin de poorters van Oudewater
en Montfoort, vooral in Ao. 1420 onderling hevig hebben gevochten;
doch hierover later.
[254] Hiervan bestaan, gelijk wij uit een zekere bron weten nog
teekeningen.
[255] De wapens der voornoemde steden, die zich aan de poort
vertoonden, werden door den kooper in dezelfde orde, als waarin
zij gemetseld geweest waren, aangebragt in een blokje woonhuizen,
gelegen in de straat genaamd het Klooster. In later tijden, zou het
groote verwondering kunnen baren, deze daarin aan te treffen.
[256] Door H. VAN VIANDEN, 38. Bisschop van Utrecht. Zie Beschrijving
van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 4.
[257] Het zal wel geen betoog behoeven, dat er reeds vóór den tijd,
dat deze poorten gebouwd werden, geheel of ten naastenbij op dezelfde
plaats reeds poorten van denzelfden naam gestaan hebben. Zoo vinden
wij in "die ordinan van den hoemanschap upten stede muyre binnen
Oudewater gemaeckt in den jare XVc XLIJ up sinte Maria Magdalene dagh",
die zich ter secretarie bevindt, melding gemaakt van de
Linschoetepoort
Weerdenpoort
IJsselpoort en
Brouckepoort.
Het is natuurlijk, dat de eerste poorten in ouderdom opklimmen tot
de eerste ommuring der stad, waarmede men in 1321 nog bezig was of
beginnen moest. (Zie de ordonnantie van Graaf Willem aan den Bisschop
van Suden om aan die van Oudewater te betalen "de twee hondert pont
suarter tornoys die wi hem gegeven hebben" om de stad te bemuren,
bij van KINSCHOT bladz. 269.)
[258] Reeds eenige jaren vóór deze poorten geamoveerd werden, was het
reeds in den gemeenteraad besloten, de poortklok niet meer te luiden,
en geen poortgeld meer te heffen. Ook hiervoor behoefden zij dus niet
meer te blijven.
[259] De nevensliggende brug, wordt in oude bescheiden dikwijls
Remijnsbrug geheeten. Zie Dr. Römer Utrechtsche Volksalmanak 1859
bladz. 44.
[260] Ibid. bladz. 38 tot 41.
[261] Het originele stuk, bevindt zich met meerdere omschrijving ter
secretare dezer gemeente.
[262] Zie vooral Dr. Römer in voorn. alm. bladz. 38-45.
[263] Zoo als de andere torens in de vestingmuur heette ook deze
toren, en omtrent den ouderdom van de Romeintoren, zou dus hetzelfde
van toepassing zijn, hetgeen wij in de noot op bladz. 269 van den
ouderdom der eerste poorten schreven.
[264] Aan de officieren der Graaflijkheid, was het opzigt in de
beheering van dezen toevertrouwd en aanbevolen--KINSCHOT, bladz. 50.
[265] Onze meening, dat het gebouw onzer beschrijving een drieledig
doel 1. ter verdediging (van boven op het plat) 2. tot wachtplaats,
hoofdwacht? (in het middengedeelte) en ten derde tot gevangenis (in
het benedengedeelte of den kelder) gehad heeft, werd vooral in het
tweede of meest twijfelachtige gedeelte dezer bewering bevestigd,
doordien men aan de zuidzijde van dezen toren bij het amoveren, een
schoorsteen vond, deze schoorsteen, was later met een minder groot
soort van steenen digtgemetseld, zeker wel omdat men toen ook dit
gedeelte voor gevangenis heeft ingerigt, en de hoofdwacht naar de
kortbij gelegen IJsselpoort werd overgebragt. Zie hiervoren bl. 265.
[266] Zie Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 23.
[267] Chartr. Chronijk 2. boek, bladz. 138. S. van Leeuwen, Batavia
Illustrata bladz. 1304.
[268] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT.
[269] Welligt, komen wij later op deze ruïne in afzonderlijke brochure
of bijdrage terug.
[270] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 27.
[271] Hier moeten wij op het meesterstuk van den Utrechtschen schilder
Stoop, voorstellende den moord door de Spanjaarden in 1575 een kleine
aanmerking maken, daar het kasteel dat eerst in 1585 werd verbroken
er niet op voorkomt en zulks er toch op behoorde aangeduid te zijn.
Tegenover bladz. 28 geeft VAN KINSCHOT een gezigt op het kasteel in
Ao. 1555.
[272] In het tooneel der Vereenigde Nederlanden 2. deel bladz. 133
en Cronijk van Holland door W. VAN GORTHOEVEN bladz. 91.
[273] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 76.
[274] Tooneel der Vereenigde Nederlanden t. a. p.
[275] Zie over dit kasteleinschap, ook van Kinschot bladz. 25.
[276] VAN KINSCHOT blz. 49.
[277] VAN KINSCHOT's beschrijving bladz. 51.
[278] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 56, 57.
[279] "In de 13de eeuw hadden zich eenige kooplieden, uit Italie
op Franschen, Engelschen en Nederlandschen bodem nedergezet, onder
deksel van aldaar koophandel te drijven, doch meest met oogmerk, om
aan behoeftigen geld te leenen, of, op onroerende en voornamelijk op
roerende goederen geld te schieten, tegen hooge interest. Zij dragen
in schriften van den tijd, den naam van cawarsini, of coarsini,"
die de geslachtsnaam van de eersten of voornaamsten schijnt geweest
te zijn. In het jaar 1260, werden zij, om hun overdadig woekeren,
uit Braband verdreven (Miraei Op. dipl. Tom. 1. bladz. 207) doch
het leed niet vele jaren, of zij kwamen weêrom, en men had hen
in de Nederlanden en bijzonderlijk in Holland, zóó noodig, dat
zij, zoo lang zij het niet al te grof maakten met woekeren, in
verscheidene steden zich mogten vestigen en gedoogd werden. In de
14 en 15de eeuwen, werden zij gemeenlijk Lombarden of Lombaarden
genaamd, omdat de meesten of eersten, uit Lombardije herwaarts
gekomen waren. Te Schiedam bewoonden zij in 1327 een steenen buis,
(Wilhelm Procurat. ad annum 1327 in Matthaei Anal. tom II. bladz. 663)
dat te dien tijde en daar ter stede, iets ongemeens was. Uit een
handvest van Delft van den jare 1342, blijkt, dat zij in die stad
toen reeds eenigen tijd, hun verblijf gehad hebben in een huis, dat
de Camerette, of ook wel der Lombardenhuis genaamd werd (Delft door
Bleiswijck bladz. 606). Te Oudewater onthielden zich twee Lombaarden,
in den aanvang der 15 eeuw, gelijk klaarlijk blijkt, uit eenen brief
van den 1sten April, Anno 1412 (1413) zie Mieris Chartre boek IV Deel
bladz. 230) en 't is zeer te vermoeden, dat zij ten dezen tijde ook
reeds in Amsterdam geweest zullen zijn, schoon mij niet bekend is,
dat er in oude schriften of stukken eenig gewag van gevonden wordt
voor het jaar 1477." (Getrokken uit de beschrijving van Amsterdam
door J. WAGENAAR 7de stuk bladz. 111-112.)
[280] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 269.
[281] Resol. van Holland 17 November 1578.
[282] Ibid. 12 November 1580.
[283] (Was geregistreerd in 't Brasielsche Reg. van 1540 tot 1555
ter Graeflijkheids Rekenkamer, fol. 120 vso.) Zie beschrijving van
Oudewater, door van Kinschot, bladz. 150 en 151.
[284] Volksletterkunde, Geschiedkundige schets van het bijgeloof,
inzonderheid in Nederland, bladz. 1-2. te Amsterdam bij E. S. Witkamp
1856.
[285] Ibid. bladz. 3-4.
[286] Zie het opstel over deze onze Waag alhier, van Ds. Kits van
Heijningen, in het Tijdschrift: Lectuur voor de huiskamer, Jaargang
1856, bladz. 300, doch in de hiervoren aangehaalde schets over het
bijgeloof zouden deze 1500 menschen, alleen in deze twee kleine
bisdommen, in één jaar hun leven hebben moeten geven. (Zie IV,
bladz. 4.)
[287] Zie meergemelde Geschiedkundige schets van het bijgeloof, III,
bladz. 4 en 5.
[288] Zie meergemelde schets over het bijgeloof, IV, bladz. 1.
[289] Ibid. bladz. 1-3.
[290] Ibid bladz. 4.
[291] Zie dit stuk op bladz. 291 en 292 hiervoren.
[292] Lectuur voor de huiskamer, jaarg. 1855, bladz. 302, 2de kolom,
in zijn z. eerws. bijdrage over deze waag.
[293] Deze naamlijst en deze acten, nemen wij letterlijk over uit de
beschrijving der stad Oudewater, door G. R. van Kinschot, Ao. 1746.
[294] No. In dit jaar zyn drie verscheide Persoonen gewoogen, blykende
hier na by de Certificatie No. I, waer van de Naamen door het vermis
der Boeken niet kunnen gemeld werden.
[295] Dit is de laatste geweest, hoewel Scheltema zegt, dat nog in
1778 zulks alhier heeft plaats gehad.
Balthazar Bekker, maakt in zijn Betooverde wereld (te Amsterdam in
1691 in het licht verschenen 4o) veel gewag van deze waag. Zijne
bijzonderheden van het I boek zijn ons echter bekend, doch in het
IVde boek: Geregtelijke informatiën, genomen over tooverpligtigen
tot Harlingen en elders vinden wij in Hoofdst. XXXI § 4, pag. 263 het
volgende aangeteekend, dat wij zelfs niet bij van Kinschot aantreffen.
»Drie buitenlandsche soldaten, Barend Gerritz, van Neder-Elten, Jan
Huijsman, van Kranenburg, beide in het land van Kleef en Jan Kerkhof
Reklinghuisen in het Keulsche in de beruchte zaak betrokken van Tryn
Hendricks, van tooverij beschuldigd, lieten zich nog in den jare 1668
te Oudewater wegen."
Volgens Koeningswater, Etudes historiques sur la developpement de la
société humaine, Paris 1850 pag. 186. werden nog in den jare 1728 der
tien personen, van tooverij verdacht, te Szegenden in Hongarije bij
regterlijk vonnis tot deze proef verwezen. Men zie verder over deze
waag Bijdragen tot het oude strafregt in België enz. Brussel 1829,
pag. 142.
[296] Het Troys, of Trojaansch Gewicht is dat van Doornik, en des
Zwaar Gewicht; 't gene Vyf ten Honderd Zwaarder weegt dan het gemeene;
en thans onder den naam van Amsterdamsch Gewicht bekend is.
[297] Sedert Ao. 1800 tot den jare 1825 werden er jaarlijksch circa
1,500,000 nederl. ponden kaas op dezelve gewogen.
[298] Z. K. H. de Prins van Oranje met HDs. goeverneur Jhr. de
Casembroot bij HDs. reize door Nederland, voor eenige jaren ook
Oudewater bezoekende, was het HDs. verlangen, ter gedachtenis aan
deze waag, daarop gewogen te worden.
[299] (Anno 1746). Zie zijne meergenoemde beschrijving, bladz. 28,
29 en 30.
[300] Door de vernietiging van de staatsregeling tot 23 April 1798,
ook de daarbij bepaalde departementale verdeeling vervallen zijnde,
behoort Oudewater als voren onder het departement Holland.
[301] Aan de zoldering van dit locaal bevinden zich nog in opgezetten
staat, een bruinvisch en een zeevarken, beide gevangen in de stads
haven bij hoogen watervloed, de laatste in het jaar 1721: eene
bijzonderheid, die wel der aandacht waardig is, en vermeld mag worden,
indien men daarbij in aanmerking neemt, hoe ver Oudewater van af de
zee landwaarts ligt.
[302] Wij hebben hiervoren reeds melding gemaakt, dat de Heer Rahms,
onze Stadgenoot, door het maken van een aantal schetsen in en om
Oudewater vele gebouwen, die sedert geamoveerd zijn, der vergetelheid
heeft ontrukt.--Deze zelfde kunstminnaar, heeft het dit jaar durven
ondernemen, dit Schilderstuk van Stoop te copiëren en op steen te
brengen op eene grootte van 68 Ned. d. lengte bij 40 dm. breedte zonder
wit. De zeer conscientieuse copij en de keurige uitvoering op steen,
doen genoemden Heer veel eer aan, terwijl de geringe prijs (3 Gulden)
geen beletsel is, dat velen zich de plaat aanschaffen, die eenigen
prijs stellen op de voorvallen in het veel bewogen tijdvak onzer
geschiedenis: den bloedigen tachtig jarigen oorlog.
[303] Volgens nummering in 1859, aangeduid onder nummer 371.
[304] Beschrijving van Oudewater bladz. 62.
[305] Gonthoeve, chron. van Holland, fol. 502.
[306] Rooms Hollands regt door S. van Leeuwen, III boek XI deel
bl. 276 en 277.
[307] Ibid. bladz. 276.
[308] Ibid.
[309] Handvesten en privilegien van Gouda pag. M, I Vso.
[310] Ibid. pag. M. S. Vso. beide in M. S.
[311] Ibid. van Weesop M. S. pag. M. 97.
[312] Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot bladz. 62-67.
[313] Handvesten en privilegien der stad Delft M. S. pag M. 15.
[314] Beschrijving van Oudewater door van Kinschot bladz. 67-68.
[315] Ibid. t. a. p.
[316] Nog een schoon bewijs van goede verstandhouding met Delft bevindt
men in het feit, door van Kinschot vermeld, dat n. l. in de spaansche
oorlogen en wel bijzonderlijk in het jaar 1584, de vroedschap der
stede Oudewater al zijne Leggers, boeken, Blaffers en papieren, zoo
van de stad, kerk als Godshuizen, ten einde dezelve tegen alle gevaar
van oorlog en roof mogten beveiligd zijn, bij een besloten brief aan
den magistraat van Delft heeft toegezonden. Zie resolutieboek van de
vroedschappen van deze plaats 26 Januarij Ao. 1584.
Al hoewel dit nog een afdoend bewijs is, voor hetgeen wij trachten te
bewijzen, zoo was deze toezending echter zeer slecht voor het archief
dezer gemeente, daar deze stukken nooit terug gezonden zijn, voor
zoover men ten minste weet. Op een aanvrage van den Heer Burgemeester
Montijn andermaal gedaan den 2. November 1829 om deze stukken alsnog
terug te bekomen, werd door den heer Burgemeester van Delft berigt,
op den 12 November 1829, "dat bij een streng overzigt van de archieven
dier stad, onder dezelve geene gevonden worden deze stad betreffende;
dat, zoo dezelve op het raadhuis aldaar zijn gedeponeerd geweest,
die dan, bij het gedeeltelijk verbranden van het stadhuis na 1584,
waarschijnlijk met stukken de stad Delft betreffende, zijn verloren
geraakt."
[317] t. a. p. bladz. 143.
[318] Tot in het jaar 1745 werden aan de vertrekkende lidmaten der
hervormde kerk, de kerkelijke getuigschriften zonder zegel aan de
vertrekkende leden gegeven, totdat in dat jaar het stadswapen in koper
aan den kerkeraad daarvoor vereerd werd, door den Bailluw G. R. van
Kinschot. Doelende op den rooden burg in het wapen, stond er onder
dit zegel