»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs
ses st. tot XXXVj dagen toe fa X--XVj--
Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese
weecken lanck compt XVIIj dagen fa IIIj--X--
Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers
fa Ij--Ij--
Item noch een man van een dach te laden gegeven --Vj--.
Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechs
IIIj st. f Ij--"
Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meer voet, zoodat dan ook
in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen
in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra
onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst
te Oudewater werd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden
gelegd. [578]
Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de
industrie begon weder eenigzins te herleven. [579]
Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren
en jaren behoeven.
Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad
bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk
Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten
en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door
twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel,
de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd
had. [580]
Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe,
als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als
zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten
wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken
bespieden.
Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het
overlijden van Requisens op den 25 April, eene vereeniging tusschen
Holland, en Zeeland tot stand kreeg. De steden Schoonhoven en
Oudewater waren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den
Spanjaard waren ingenomen, evenmin ook Woerden, dat nog belegerd werd,
maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd,
[581] ten volgende jare besloot men te Middelburg op een door de
Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken van
Oudewater, Woudrichem, Vlissingen, Veer en meerdere sterke steden [582]
en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voor Oudewater
verscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden.
In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie van
Utrecht waardoor de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland,
Groningen en Vriesland naauwer aan een gesloten werden.
Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der
vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te ' Gravenhage
Philips van Spanje met zijne nakomelingen voor immer af. [583]
Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi
niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stad
Oudewater.
Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld
is.
In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier
scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden
van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van
al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden
en onzen lezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden
bezorgen.--Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts--naar onze
wijze van zien,--van de voornaamsten zullen gewagen.
Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het
jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van
resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581
eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad
aan den Bailluw, om voor de vierschaar als Procureur te fungeren;
van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de
conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom
en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van
dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij
subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten,
ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in
het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade te Oudewater,
benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den
accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40
groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden.
Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon
toe te nemen, onder anderen:
1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het
bestrijden der stads verbeteringen,
2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde,
de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en
3o. dat ook de Gemagtigden uit Oudewater in het jaar 1583, weder voor
het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen.
Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene originele acte van
volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te
verschijnen in 's Gravenhage en te beraadslagen overeenkomstig
de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in
schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat van Holland,
hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I. tot
graaf dezer landen.
De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige
gewesten er tegen waren.
In April 1583 was men van Oudewater weder onder de steden, die geroepen
waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het
geheimzegel te bezegelen.
Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen,
dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond
meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en
Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven
beschreven werden, [584] om op den 16. October 1583 te Dordrecht te
verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen.
Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht,
immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van
wege de Staten van Holland, waarbij Oudewater wordt uitgenoodigd ter
dagvaart te Dordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk,
met die van Zeeland en Utrecht te besluiten, over eene leening van
125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en
1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor
de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584
aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij name Oudewater
dat zij alle oproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden
bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke
getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden.
Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon
van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen
en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde.
Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme
te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet
om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord
aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnen
Delft de twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De
vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste te Delft beschreven,
om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen [585] en
namens Oudewater verschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken
tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn [586].
»Intusschen," zoo schrijft Van Kinschot [587], waren die van 's
Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat
ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en
afgevaardigden der steden nu te Delft bijeen zijnde, deden den eed
voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op
het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig
genoeg over dit gewigtig onderwerp had gesproken, getuigden die van
al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het
bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van
de vereeniging tusschen Holland en Zeeland nimmer te zullen scheiden,
waarop zij den volgenden dag ontslagen werden.
Voorts verschoonde Oudewater nevens de kleine steden zich, om dezelfde
reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten
namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste
wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden
van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange
rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die
achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op
de borst de bus der stad moest aanwezig zijn.
Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin
van Engeland stond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden
krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij
rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en
heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht
te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschap trachtte, maar zelfs
de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins
Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders.
Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de
krijgslieden nog eenigen tijd bleven.
Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten,
die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten
van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning
aan de stad Oudewater tot voldoening van 250 pond, als aandeel der
gemeenten in den algemeenen omslag en contributie, ten einde in de
groote lasten van den oorlog te voorzien.
De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien
zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de
Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min
of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen
in te ruimen. [588] Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan
de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten het Veer aan
Oudewater toevoegden. [589]
Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester
weldra, in 1586, de Nederlanden verlaten, doch het leger,--staande
onder soldij der koningin van Engeland,--dat hij achter liet, was nog
10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende
steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die
steden verzekeren. [590] Alhoewel wij Oudewater niet op de lijst dier
steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief
van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van
een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillende stukken
aangaande den kommandant van de bezetting binnen de stad Lancelot,
Heer van Marbaijs.
In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen
zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land
tusschen Utrecht, Amsterdam en Gouda af. [591]
De Staten van Holland en Zeeland namen nu dan ook maatregelen, om
zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden
prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als
stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om
alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven
te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te
doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of
aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne
gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt,
moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar [592]
naast het archief der stad Oudewater gelegd, komen treffend overeen,
immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande
de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en
knechten, binnen de landen van Holland en West Vriesland en tegen
alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen,
en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder
garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips,
grave van Hohenlo.
Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot
bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in
waardgeld aangenomen.
Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren,
dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had
zich al eenige jaren moeten vergenoegen met 2/3 hunner soldij, terwijl
hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu
wilden zij volle afdoening en weigerden den Staten en Prins Maurits
gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan.
Te Oudewater was men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse
processenverbaal tegen het garnizoen in 1587-1588 opgemaakt. [593]
Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men
steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te
maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te 's Gravenhage
belegd, waren de gemagtigden van Oudewater weder tegenwoordig. Het
schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen
ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in
dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt.
Utrecht zelfs, dat Oudewater zoo menigen keer met zijne troepen
bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die van
Oudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk,
den vorigen avond door Jutphaas neerwaarts gepasseerd was. Die van
Utrecht verzochten daarin »Crysvolck" uit te zenden, het slaan der
klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden
betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts,
dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden.
Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al
zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het
muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden.
Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en in de Spaansche
Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III.
De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote
overwinning door Maurits bij Nieuwpoort plaats, waarbij de Admirant
van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde
der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden,
en wij vinden dan ook in het archief der stad Oudewater van den 21
Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland,
houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van
al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den
Admirant van Arragon.
Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig
van aanbelang te Oudewater geschiedde. Philips den III. echter werd
in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig
bestand sloot. [594] Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten,
maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt
beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en
contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer
hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing
naar de bronnen aantoonen, dat die in de stad Oudewater niet van de
minste waren.
De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als
wij weten in Oudewater geboren, [595] en zijn grootste tegenstrever
de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie
aan de hoogeschool te Leiden.
Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden
maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist.
Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren
beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene
Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden. [596]
De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608,
werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt.
Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen
aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het
gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met
Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen. [597] Onder
anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein te Oudewater den
contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig.
Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders
nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen,
die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke
overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar
Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in
kerkelijke vergaderingen moeste beslissen.
In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de
vergadering der Staten van Holland, waarop Arminius echter spoedig
overleed [598].
De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar
barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit.
Te Oudewater had de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius
zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten,
of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding,
die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke
verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar
den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius [599].
Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnen Oudewater
niet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina's
daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden
van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de
volgende drie in de noot aangeduide brochures [600] en ga de diverse
stukken op het raadhuis over die geschillen bestuderen. Indien hij
dan van het »Audi et alterem partem" houdt, zal zijn wensch in ruime
mate bevredigd worden.
Wij ontleenen aan het »historisch verhaal" kortelijk het volgende:
Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten
omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de
steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op
het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet
van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen.
De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar
zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was,
konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd
van beraad verzochten, dien zij verwierven [601].
Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij
verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot
aan de broeders, de predikanten te Amsterdam, en nog aan een andere
»kercke" schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen.
De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij die bijeenkomst
geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in
den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem
dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was,
zoo konde men hem niet overtuigen. [602]
Op het schrijven aan de predikanten der stad Amsterdam volgde den 7
Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive [603] aan de
eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren van Oudewater,
waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht
werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren,
ofte hen in hun gemoed te bezwaren", verder verwezen zij naar den
zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door
de tweedragt ontstaan zouden enz. enz.
De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de
toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn.
De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal
gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en
militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen
tot den draad der geschiedenis terug te keeren.
Men had nu te Oudewater en elders gezien, dat de onderlinge
verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er
insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor
te weeg gekomen waren.
Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den
aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne
gezindheid op het kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid
der Regenten hen tegen was [604]. Doch nu sterker en meer openlijk
ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen
gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen.
Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat van Holland en de
tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet
bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten
daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen
wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken.
Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de
schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De
prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vesting Oudewater
na den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten
toe te staan [605], het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij
van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der
stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders"
binnen Oudewater.
Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de
meerderheid der Staten van Holland nam op den 4 September 1617
een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben
de »Scherpe-Resolutie" [606] maar eenigen tijd hierna besloot,--na
veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,--de Hooge Raad,
die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen.
Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen
schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot
verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en
zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stad
Oudewater waar hij eveneens verandering in de regering bragt.
De synode van Dordrecht werd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens
geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt.
Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het
begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde
Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen.
Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat
zijn zoon Philips IV. hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu
de krijg weder hervat.
Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog
vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het
afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den te Oudewater
liggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uit Oudewater te
gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus
1623. [607] Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving
men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits,
en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al
spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke
waardigheid.
Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd, waren er van
Oudewater eveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato
16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard
wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis
behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten
er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize. [608] De bevolking der
stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637
werden daarenboven uit Oudewater 50 manschappen uit de burgerij
geligt om te Steenbergen garnizoen te houden. Dit deed de oorlog,
maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de
vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en
in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept. [609]
In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik
en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het
volgende jaar 1648 werd de vrede met Spanje gesloten. De vereenigde
gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend.
Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stad Oudewater had er
in groote mate zijne treurige rol in gespeeld.
Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen
voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare,
noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der
gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den
loop van zaken schetsen.
Nadat de vrede met Spanje gesloten was, behoefde men zoo veel
krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincie
Holland meer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en
de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst.
De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna
beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van
Willem den III. zal leeren kennen.
Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de
fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter
van den overledenen Philips, aanspraak op de Spaansche Nederlanden,
waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte.
De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en
wisten een verbond te sluiten met Engeland en Zweden, ten einde
Lodewijk XIV weder met Spanje te verzoenen. De vrede kwam dan ook
terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer
verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan
te doen; eerst moest hij het verbond tusschen Engeland en Zweden met
de Staten hebben vernietigd, eerst poogde hij de Staten er van af te
trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het met Engeland,
dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk
overreden om met hem ons te beoorlogen.
De twee vorsten, wisten nu Zweden insgelijks aan hunne zijde te
brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van
Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons
land te overrompelen en te verdeelen.
Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze
oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er
veel van te kunnen verwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het
was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De
oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen
nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het
gemeen, zeer mishaagde.
Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt,
den veldtogt, die nu aanstaande was, en ook Oudewater zoude beroeren,
zou worden bevorderd.
Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan
de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit
gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met
eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man
begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald
en Oudewater viel insgelijks in den magt der franschen. [610]
Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten.
Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ook
Montfoort werd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers
bezet.
Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan de Nieuwerbrug de
steden Woerden en Oudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was,
zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich
dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning
vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort
werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden in Woerden gelegerd,
terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naar Oudewater
zond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden. [611] Tot dusverre
Wagenaar. Omtrent dit voor geheel ons vaderland en ook voor Oudewater
zoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert
van den Bosch, ons [612] in betrekking tot de stad onzer beschrijving
nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te
herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij door Nijmegen over de Maas naar
's Hertogenbosch getrokken was, vervolgt hij in dier voege:
De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche
posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de
graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur beneden Oudewater te legeren.
De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en
geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad,
noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging
waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der
vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk
te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naar Utrecht om
aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar,
der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met
en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden;
alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap.
Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar 's
Gravenhage te zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne
afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken,
dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie
bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling
en verbetering van de stads wallen en sterkten; men beval den
Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen
van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad,
die zich bereid toonde goed en bloed te wagen.
Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt
tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen
hadden, als de vijand Oudewater naderde, zijn legerschare zich voor de
veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid
aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer
aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen
zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te
gaan, die met zijne troepen te Bodegraven lag, maar de verwarring,
die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die
men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier
onverrigter zake wederkeeren.
Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is
waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands
van het stedeken bij de Wierinkken en derzelver sluizen, kunnende hij
daardoor Oudewater en omtrek deels onder water zetten door middel van
den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk
de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet
bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver
zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig,
dan slechts in een »vervuilden hoek" een paar oude ijzeren stukken,
en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De
magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te
koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon;
die te Utrecht op kondschap lag, nog een tonnetje van ongeveer
80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter
naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet
boven de 300 mannen uitleveren.
Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad [613] in geen 30
à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed
bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der
Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten.
Men wachtte echter nog op tijding uit Utrecht. Ondertusschen werd de
Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk
zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die
van Utrecht al gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter
nog niet over.
Daar komt eensklaps de persoon die te Utrecht op kondschap was, de
verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon
de Franschen binnen Utrecht had zien trekken, en hij ter naauwernood
hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken,
niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten
van Oudewater bevinden. En de bode had zich in die meening niet
bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende,
zakten gedurig nederwaarts af.
De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land
aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de
dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde van Utrecht,
niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan
capituleren vinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand
in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om
eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij
tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de
Gecommitteerden tot het naburig Montfoort genaderd, of zij ontmoetten
de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons
gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen
terstond goede beloften.
Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de
Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood
ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden
Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van
den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier
dus Oudewater insgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De
Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem
ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit
bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de
gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer
regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en
conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting
binnen Oudewater zoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen
of musketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet
den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met
zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd.
Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet,
zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen,
pistolen en zijdgeweer. Niemand dezer troepen sliep gedurende den
nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat,
uit vreeze van overvallen te worden.
Zij schreven naar Utrecht om ammunitie en daar die ook zoo spoedig
niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger van
Utrecht ontvangen had.
Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op
den 29 Junij des namiddags naar Utrecht vertrokken zijnde, zij des
voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten,
waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een
paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder
dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren.
Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot
hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en
bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven
soetelende" waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de
bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe
met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden,
koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen,
en nu mede ter stede werden binnengevoerd.
De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar
de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen.
De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La
Pornerie, maar op den weg naar Utrecht lagen nog 9 standaarden
Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood.
Nadat de Franschen zich dus in en om Oudewater gelegerd hadden,
eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de
ypenboomen rondom den stads cingel staande, af te kappen, die tot
pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen
(in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe
doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange,
geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd,
dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield
men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was,
na negen ure des avonds over de straten te gaan.
De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed
de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort
langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het
leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook
met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te
beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn
kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der
stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde [614]
geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat
hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn,
150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langs Honkoop
doen defileeren. Deze nu aan de andere zijde van Oudewater aangekomen
zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij
onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet
alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte,
maar de Franschen werden door het gestadig schieten van deze 150 man
zoodanig verontrust, dat zij naar Woerden, Montfoort en Utrecht om
bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht
waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschap Willeskop
en die om de stad stonden.
Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig
schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid
niet wat dit beduidde.--Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij
tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden
kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet
nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende,
droeg dit 's prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand
nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van
Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement
opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen;
slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen
had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden,
waaronder eenige voorname officieren.
Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen
volgen:
»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in
te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant
konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo
gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar
eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water
beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de
steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen,
dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo
hoog door de sluysen in konde laten als men wilde. Hy vraagde ten
derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en
bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen
lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan
hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met'er tijt
wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed,
ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven.
»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen,
aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de
Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk
hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn
was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men
giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten:
hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen
konden uyt-maken. Sy spraken veel van Leyden, en wilden daar na
toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by
het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy
vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle
hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy,
dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en
seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte,
dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren
hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen,
sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen.
»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het
opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende,
sag ik door het venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis
de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander
groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in
mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den
Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken;
(ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben)
ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt
hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen van Utrecht; hij
seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en
omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde,
wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy
seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen:
meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het
Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende
van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot
ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts
daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee
wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen,
waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en
nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar
weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat
ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen
Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen,
zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5
uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de
sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren
wederom, met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het
uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede
te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my,
om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat,
maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt
van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den
Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders
is aan de stad de minste overlast niet gedaan."
Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt
werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten,
opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude
zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar
de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door
de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven
kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren
uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze
tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui
zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen
10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën
voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de
poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester
en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was,
en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad;
Oudewater behoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van
van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode,
zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen.
Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij
zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich
hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stad Montfoort op
de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des
namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36
gevangenen waaronder eenige koninklijke Sauvergardes binnen de
veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn
ter bezetting van Oudewater aangekomen. Immers nadat de Koning, van
Zeijst was opgebroken en de Franschen Oudewater, Woerden en Montfoort
ontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door
den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij
ook Woerden en Montfoort gedaan hebben, maar Oudewater werd door de
spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen
bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux
tot nabij Montfoort genaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch,
vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder na
Utrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad,
noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na
haar voorige post te doen verhuysen.
»Nu liet sijn Excellentie in 't eerste aldaar slechts 300 man van de
Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam,
bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie,
sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen
Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken
verandert; in-voegen Oudewater doenmaals maar als een brandwacht en
buyten-post gerekent wierd.
»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerders een brief van
Utrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die van
Oudewater daar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags,
of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar
op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naar Utrecht vertrokken,
die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad
van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren
korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat'er noch een
vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die van
Oudewater daar door een vryen pas van de Franschen Commandant.
»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen,
en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken,
wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam
geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie
den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele
post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten,
te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn
broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel
van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en
200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed
scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren,
Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de
borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen;
't welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse
gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt
wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen.
»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm,
doenmaals noch Luytenant Colonel, hier binnen gekomen met 5 vaandelen
Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum.
»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts
ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen
binnen Oudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer
Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn
Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken
aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier
was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt
naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk
met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in
een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch
tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn
geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn,
was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy
sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten
aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote
vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de
wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant:
een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en
aldus kreeg Oudewater in 't korte een heel ander oog; en de plaatse,
die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor
een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad,
en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den
vyant te gemoed sag. De besettinge van Oudewater was ook te meer
noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte,
en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen.
»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt
wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den
21. van de maant September, wierden'er 18 a 19 Fransche gevangenen
binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche,
staande op de brantwacht buyten Woerden. Den 29. dito kregen de
onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by de Linschooten. En
soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een
Missive van den Hartog van Luxemburg geschreven, om lossinge van
eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer
gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft
by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert
gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht,
en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een
eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe
altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht."
»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen
binnen Woerden waren getrokken, soo is den Hartog van Luxemburg
met Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad
doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van
Hoorn tot Oudewater ook met alle naarstigheyt dede doen; de welke
kondschap krijgende, dat den vyant omtrent Woerden seer besig was,
met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden
daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig
voetvolk op de huysen Nes en Linschooten, om hem te ondersteunen:
en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal
gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas,
de welke de kaap op naar Wulverhorst, met eenige weynige Officieren,
om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al
hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde,
met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar
sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren."
Zooals men dus bemerkt, had de stad Oudewater in 1672, een zeer
verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles
werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in
het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die van Oudewater tegen
de franschen onvervaard en dapper, naast die van Alphen, toen vielen
er bij de Nieuwerbrug in eene charge meer dan 50 man van den vijand
onder den voet. [615]
Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die van Oudewater
zich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf
diene men echter te weten, dat Montfoort en Woerden nog in het bezit
der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche
schutters binnen deze stad in bezetting lag.
Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen
[616] van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit
feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene
dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het
Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde,
werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt,
en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnen
Oudewater berigt had, dat 500 franschen naar de zijde van Linschoten,
Diemerbroek en Papenkop optrokken, kennelijk met het doel om te rooven
en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden.
Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers
eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van
Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen
maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te
doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet
alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500
à 600 soldaten vergezellen.
De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder
met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel
onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar
hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen
onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de
vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit
achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na,
totdat de vijand zich tusschen Papekop en Diemerbroek achter eenige
hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf
van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op
de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de
grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot
vóór de poorten van Woerden en Montfoort, daar zij uitgetogen waren,
werden nagezet.
De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen, al hunnen
buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend
geworden.
Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er
gekwetst.
Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich
met sleden vol hooi en huisraad binnen Oudewater weder keerden. [617]
Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende
wapenfeit in de geschiedenis aantreffen.
»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en
twintig Franschen van Woerden naar Uytrecht, onder een Colonel en
eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten
met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder
Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf
Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden
komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen
met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten,
onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan,
en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was,
behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier
verleenden, en binnen Oudewater brachten. Van de Staatschen was de
Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de
Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten
wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier
Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf:
behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt.
Deze en meerdere veroveringen bezorgden Oudewater grooten naam in de
geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn,
die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens
den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken." [618]
Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen,
en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang
echter zoude Oudewater gebukt gaan onder de schade die het aan huizen,
en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten van
Holland en Westvriesland octrooi [619] tot het oprigten eener loterij
van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in
den jare 1672 geleden.
In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën
der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets
krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied
bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij
moeten daarbij een weinig stilstaan.
In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stad Oudewater
verlof verzocht, door den Lutherschen Predikant van Woerden,
om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in
de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die
aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te
bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de
inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde
hun zulks niet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed
de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester
F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de
la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer
Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een
geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel
was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde
hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den
Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene
Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op
den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het
verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen,
door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen.
Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd,
bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de
redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het
verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der
Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden
mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met
de bepaling dat zulks zou moeten geschieden op het choor, voor die
reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil
van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong
te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor
den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster
te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de
Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst
zou gedaan worden; met bedreiging, den koster te zullen afzetten,
indien hij zulks niet weerde.
Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden
vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen
tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te
leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen,
ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder 't
oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap,
niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen,
dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij
nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een
besluit werd genomen van den volgenden inhoud.
»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester
de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van
de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster,
verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te
stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde
resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen
dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie,
als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en
te behooren. Gedaan bij de Heeren enz."
De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De
Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene
stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met
het snappen van eenige »klopzieke wijven," die er den mond vol van
hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver
van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op
het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dus
voor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden
Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5-6. »de heiligheid is
uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!" Na eene korte verklaring
van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat dit Huis (bedoelende de kerk
waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve
niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat
het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten
gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat
het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die
daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn,
de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen,
die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met 's lands wetten
en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde
hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne
waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij
sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij,
in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met
regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden
die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te
zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed
met 's lands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde,
hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen.
Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek
wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die
elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over
de woorden »Gij zult niet doodslaan." Thans zocht hij aan te toonen,
dat, hoewel men in 't algemeen geduld moest hebben omtrent degenen,
die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest
worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het
ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door
het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de
ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook
dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken
veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit 's lands
plakaten te bewijzen, de ongeoorloofdheid van 't geen dezer dagen
was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen
ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het
nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten
van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven, zonder
verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In
dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten,
volgens de getuigenis van vier personen, in Januarij des volgenden
jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen.
Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in
dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter,
bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht
beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen,
dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen 's
lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie
der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met
de keuren van Oudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid,
tot opruijing en aanhitsing van 't gemeen, en van verre uitzigten was:
en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze
de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte
uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel,
dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet
te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van
gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de
zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo
ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den
Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne
zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want
toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom
op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om
den Leeraar door twee leden al ware 't zelfs zijn beste vrienden,
de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder 't oog te brengen en zijn
Eerwaarde te vermanen, in 't toekomende, zich daarvoor te wachten,
werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de
hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars
fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der
gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen
pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen
in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te
strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden
worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten
was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben,
sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de
proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op den
Zaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest
gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde
de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag,
maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze
vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet
op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit
ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel
hun gezag te handhaven, en dit geschil, 't welk in de vroedschap
slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op
den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars
te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de
proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de
twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer
euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van
Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout van Oudewater. Hij oordeelde
Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene
Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven,
welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt,
niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te
rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot
en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich
te wenden tot de klassis die in April te Schoonhoven zou gehouden
worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en
den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten,
of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt
worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald
besluit te nemen. In den onzekeren kans, welken uitslag deze zaak
zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van
wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan
dertig personen, niet te Oudewater, 't geen vreemd is, maar buiten de
stad, te Hekendorp woonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste
uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo
des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet
gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven,
zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen
van Hekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk
velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten
vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten
October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden,
de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één
jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den
smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken,
dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun
aangenaam, in 't bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing
van schepenen. Van wegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich
had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen,
zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde
worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder
dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen,
om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en
het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de
dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den
Majoor de Charreton, kommanderende het tweede Bataillon van Oranje
Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd
door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten,
plotseling van de hand gewezen, met te zeggen: de Armenianen en Papen
zullen 't ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk
aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord
bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte
vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit,
schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens
der Wethouderschap van Oudewater aanschreven, aan de Lutherschen de
gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige
redenen van weigering waren.
De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan
den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans
Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde
daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich
ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo
zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren;
waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande,
zeide: dat 's zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus
gedrongen, las het opschrift van eenen brief aan Gecommitteerde Raden
in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden
aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als
een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder
in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De
President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, 't welk
goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande de secretaris hem
daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een
bevel van Gecommitteerde Raden aan den Majoor om eene der aangewezene
plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze 't bevel ontvangen of hij
begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was,
waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere
onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering van Oudewater werd gelast
de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te
ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in
deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker,
Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren,
in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen
uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten
zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen
verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen
beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich
daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de
hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan 't
voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel
te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee
gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht
de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner
mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo
als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe
weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk,
om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de
bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk
te gemoet gingen. De vrienden van van Amstel verzochten insgelijks
hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd,
stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in 't bewind en zeven
nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus
de meerderheid, waarna alles tot rust kwam. [620]
Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnen
Oudewater voorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het
eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive
van Burgemeesters en Regeerders der stad Woerden met concept adres,
waarbij Burgemeesters en Regeerders der steden Woerden, Oudewater,
Naarden, Weesp en Muiden zich wenden tot de staten van Holland en
West-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris
der vereenigde Staten van Noord-America eener commerciele verbindtenis
te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782.
Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis
der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de
Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk
verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele,
en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur
verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen
steeg met den dag.
Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met
de staten van Holland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden
geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar het Loo, en toen de Prinses
van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar 's Gravenhage wilde doen,
werd zij nabij Oudewater gevat en gedwongen terug te keeren.
De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond
den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten
uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot
verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de
ontevredenheid steeds nieuw voedsel [621].
Oudewater dat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet
geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest
niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen
en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd;
nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche
burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch
leger dienst te gaan nemen.
Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte,
voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De
strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen
den weg tot in het hart van Holland. De Patriotten jubelden, de
oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week
naar Engeland op den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep
ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in 1795 door
Franschen bezet.
Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende,
dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger
met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang;
er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het
bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de
aandacht te trekken, de godsdienst van den staat werd afgeschaft, de
heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen
waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen met Engeland, en
leden deerlijk in den handel, etc.
De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt,
en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood [622].
Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen
tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren van
Oudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland.
Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798
aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke als Oudewater
fraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks
regering, de eer had, 3 compagniën der koninklijke garde Jagers te
huisvesten [623].
Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder
Keizer Napoleon [624] en de eerste deed dan ook in het jaar 1810
afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote
fransche keizerrijk.
Nederland! dierbaar Nederland! hoever was het gekomen. Gij werd nu
geschrapt uit den rij der namen en natiën van Europa, meer dan ooit,
drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het niet wagen
daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen
van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd
[625] toepassen.
Hollands beemden, Hollands beemden!
Ach, hoe jammerlyk ontwijd,
Waar de scherpe ploeg der vreemden,
Voren door uw boezem snijdt!
Moet mijn oog u dus aanschouwen,
Land van glorie, land van kracht?....
Thands een land van machtloos rouwen,
Om uw ouden roem gebracht!
Hollands beemden, Hollands beemden!
Ach, waar zijn uw dagen heen,
Toen zoo menig Leeuw der vreemden,
Deinsden voor uw Leeuw alléén!
Toen, op 't wappren van uw stander,
Door den schrik vooruitgesneld,
Benden stoven uit elkander,
Krijtend: "Holland is in 't veld!"
Hollands beemden, Hollands beemden!
Is uw roode Leeuw vergrijsd,
Dat de trotsche hand der vreemden
Hem in 't spoor der schande wijst?
Zijn zijn tanden stomp gereten?
Zijn zijn lendenen verlamd?
Zijn zijn naaglen stuk gebeten,
Dat hy niet ter weer ontvlamt?
Hollands beemden, Hollands beemden!
Frankrijks wingeweste thands--
In het wolkengraauw dier vreemden
Dooft het zonlicht van uw glans!
Al uw glorie is ontluisterd:
Frankrijk kwam met boei en band....
Ach, uw zonen gaan gekluisterd
In 't onteerde Vaderland!....
Maar daar kwam redding. De slag bij Leipzig bezorgde Napoleon eene
dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en
Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen
aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den
zwaren last der overheerschers van hunne schouders.
De Franschen namen alom de wijk. Naarden en den Helder werden echter
nog belegerd en te Woerden gedroegen zij zich zeer wreed.
In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een
voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in
persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan
ook als souverein Vorst der vereenigde Nederlanden werd uitgeroepen.
18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den
slag bij Waterloo verloor en van dien tijd ademde en leefde men weder
vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning der Nederlanden.
Het verkoelde bloed vloeit sneller,
En het oude hart werd jong,
En het woord van dank en zegen
Juichte van de ontboeide tong,
Holland Holland was herboren,
Holland rees uit schande en smaad
. . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . .
Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,
Hij ontwaakt met nieuwe kracht,
Wee, wie op zijn ruste vertrouwend
Vleijend hem te kluisteren tracht.
En in de rust en den bloei, die nu in Nederland aanlichtte, deelde
ook Oudewater. De vijanden alomme verdreven en eene andere lijn van
defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd!
Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert
1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege
publiek verkocht.
De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan,
kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en
arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden
geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt [626].
Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het
Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een
magazijn ter berging van oorlogs ammunitie.
In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het
Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar
de Colonie Fredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook
binnen Oudewater de militie gemist, die er garnizoen hield, werden
zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd,
werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt,
nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden
kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te
bevorderen, bleven ook hier niet achterwege.
Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eene werkinrigting voor
behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen
en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw der inrigting
zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van
pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting
gemiddeld werk.
Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eene vrouwen
vereeniging met het doel aan behoeftige kraamvrouwen gepaste ligging,
kleeding etc. te verschaffen. [627]
Eene vereeniging tot kostelooze ter aarde bestelling van behoeftige
overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrekt Oudewater
eveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden.
De oudste der vereenigingen van dezen aard, is het Lijndraaijers Gilde.
Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie
op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en
uitkeeringen in geld gedaan. [628]
Voort bestaat er hier een departement van de maatschappij tot nut van
het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859
met feesten herdacht.
Nog behoort Oudewater en omstreken tot eene der afdeelingen van de
Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling
geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52. [629]
Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden,
onder anderen:
Eene Liedertafel, onder den naam van Crescendo, opgerigt ten jare 1859,
18 leden.
Eene muzijk vereeniging genaamd Amicitia et harmonia opgerigt 1855,
8 leden.
Eene Rederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen
dichter Borger opgerigt 1857, 9 leden.
Ten jare 1850, werd hier opgerigt de Nederlandsche Brandwaarborg
Maatschappij voor roerende goederen, enkel van landbouwers en
veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en
P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders.
Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen.
Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en
eene bijzondere school.
Oudewater behoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt
der Provincie van Zuid-Holland, wat het cantonnement betreft onder
Schoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onder Gouda en met de
protestantsche classes eveneens onder Gouda.
Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten
en wetenschap.
De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte
andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en
fijne touwsoorten; echter worden hier ook andere takken van industrie
met vrucht uitgeoefend.
Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859,
546.
Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197.
Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen
ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen tot
Oudewater behooren.
Sedert het jaar 1857, bezit Oudewater eveneens een haltplaats van
de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30
minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan
zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen
IJssel is bewerkstelligd [630] eene of meerdere vaartuigen, gedreven
door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen.
En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd.
Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van
den bodem van Oudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond
in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en
wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van
planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar
veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende
nieuwe gewassen.
Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevallige woestheid,
onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant
zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit
oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem,
ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt
trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede
streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor
ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt,
en zouden den naam later aan dit stedeken schenken.
Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette,
krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een
ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met
IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen,
planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God
niet kenden.
En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving,
dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen
en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn.
Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch,
sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm,
doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den
aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon-
en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken.
Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom
voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend
Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen
te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudig aanzien
hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij
de beschrevene geschiedenis van Oudewater en omtrek.
Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwsche
Oudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven,
dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen
worden.
Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn?
O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog,
blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere
verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere
uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende
smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad,
blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek
en ruime weelde.
Dierbaar Oudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan
eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer
burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals,
daar waar te ondersteunen en te helpen viel, [631] zij mogten zich
zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning.
En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing
komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord van Oudewater
wordt eenige malen daags, door middel van de rappe wieken des stooms,
doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld.
Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig
voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus
gaat Oudewater en omtrek met Godes zegen, bij het immer wijs bestuur
van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding
van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet.