P.

Cornelis Symosz hoema vande scuttoern tot die linscoet' poort toe en

is lanck XXII roeden en heeft onder hem:

(11 manschappen.)

Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak

1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging

van Oudewater bestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door

een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere

grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den

lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden

meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen

en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het

onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het

erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken

stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind

aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeff MCCCC ende een, wert

Jan Heer 't Arckel, tot Pierlepont, ende des lants van Mechelen vyant

des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren,

Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant enz., dair hij syn

ontseg brieven op sende op die Nyeborch by Alcmaer ende maecte een

reijse op Oudewater ende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden,

die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene,

die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe

brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den

Dulen gaet, men des nachts open vant, die men alle nacht plach te

sluten ende die doir staet in der stadt muir." [498] Mogt evenwel dit

vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in

dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen

de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt,

maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde

rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande

bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug [499], in regte lijn met

geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van

de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den

kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort. [500]

Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.

Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk

waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre en Zutphen aan zijn gebied

wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging,

waardoor men in Holland nu voor goed van die oorlogszuchtige zijde

verlost werd.

In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder

van Holland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom

Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem

van Nassau, die in 1533 te Dillenburg geboren, nu even 11 jaren oud

was, welke wij spoedig (in 1549) als stadhouder van Holland zullen

leeren kennen.

Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich

niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten

staat verkeerde, zelfs had men op de twee tienden, die traaglijk

inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten

wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de

lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden,

die de impost niet getrouwelijk opbragten, met name Oudewater en

Woerden scherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te

kwijten. [501]

Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polder

Snelrewaard en Zuid-Linschoten bij Rijnland wordt ingenomen. Onder

anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan

uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uit Montfoort en 1

uit Oudewater.

Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op

een beteren voet gebragt werd.

Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het

jaar 1555 te vervolgen.

Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest,

van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men

bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen

20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige

steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij

wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook

tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie

en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.

De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor

12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en

Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uit Delft en Leijden in 8

steden, waar onder ook Oudewater. De uitslag hier van was, dat er in

dit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam. [502]

In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering

in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar

1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind

over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II

aangeduid. [503]

In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hij

Oudewater het voorregt [504] zegt men, tot het wegen van menschen,

verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel

gered werd.

Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers

bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van

zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.--Wij vonden echter tot

dusver niet aangeteekend, dat zij tot in Oudewater was doorgedrongen

en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten

wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is

dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.

De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den

V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.--Hij

had gezien, dat zij in Duitschland een aantal Vorsten en Staten

vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij

was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was,

er werden scherpe placcaten tegen de belijders van het protestantismus

gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.--Ook zijn zoon Philips, was

een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij

de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen

als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met

meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte,

kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die in Spanje

het eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het

beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt

worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op,

die hij eindelijk verloor. [505]

In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in

de Nederlanden geweest. In Spanje werd nu zijne tegenwoordigheid

vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde

echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van

State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden

benoemd, de Bisschop van Atrecht, den Prins van Oranje, de grave van

Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont

voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem

van Aytta voorzitter van den geheimen raad. [506]

Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang

tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven

wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen

stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als

zoodanig aangesteld over Holland, Zeeland en Utrecht.

De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naar Spanje.

Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet

eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in

den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie

eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er

nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in

1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.

De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich

ook in onze gewesten al meer en meer uit.

Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een

verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden,

en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.

Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt

en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te

doen. Ook te Oudewater vinden wij in dit jaar het eerst van hervorming

gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester

Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars van Oudewater

het eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij,

die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden

om te veronderstellen, dat de beeldstormerij in Oudewater niet

heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen

opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest

te zijn. [507]

De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan [508] die een aantal

menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een

vermakelijke, maar tevens ongelukkige droom. Zij ondervonden straks,

dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en

dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer

en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens

het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der

beeldstormerij zoude straffen.--Ook het verbond der edelen ging te

niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij,

waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.--Zelfs hoorde men

reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit

Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland

vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de

straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd

of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg

was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.

De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve

bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd.

Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje,

en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag

aanvroeg en verwierf.

De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en

onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte"

werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien

»raad van beroerte" nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de

Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen

werd hij door anderen den »bloedraad" genoemd.

Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich

van alle zijden er tegen begon te verzetten. Terwijl de neringen dus

gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de

mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was. [509]

Wij moeten dit een weinig duidelijk maken.

De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er

niet stil.--Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van

Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar

de Nederlanden gedaan had.--In die teleurstelling en verlegenheid

oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven,

dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo

werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene

kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen,

die dan met hunne lading buit gemaakt werden.

Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het

gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel.

Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra

's prinsen zijde Vlissingen, Medemblik en andere Noord-Hollandsche

steden.

Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van

Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211, 212 en 213.

»Dus gingen de zaken in 't Noorden van Holland, maar in 't Zuiden

maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog

eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand

[510] zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvol volks

de stad Oudewater [511] en drie dagen laater ook Gouda om; welk

voorbeeld sedert door Leiden, Dordrecht, [512] Haarlem en Gorkom

gevolgd wierdt. Invoege slechts Delft, Amsterdam, Rotterdam,

Woerden, Schoonhoven, Naarden, Muyden en Weesp het nog in Holland

alleen maar met den [513] Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de

ontfange aanschryving van Alva den vyftienden [514] van Hooimaand

te Dordrecht met een oogmerk vergaderden, 't gene vry ver van dat

des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den

Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan

de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot

het Ligten van geld, maar op 't zien van den Lastbrief aan den Graaf

van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien [515] tot algemeenen

Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheel Holland aanstelden;

[516] welke in die hoedanigheid zich straks van [517] Rotterdam en

Woerden verzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad,

[518] door Bossu voorheen daar ingelegdt, thans dezelve, even als korts

daarna alle de overige Spanjaarden geheel [519] Holland, verlaaten

hadden. Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan

van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart [520] vervoegde,

om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan 't

wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen

denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam

beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige

Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in 't sement van 't vergoote

bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn."

Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en

Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste

moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder

onder het bestuur van Spanje te brengen.

Ook de stad Oudewater poogde de grave van Bossu te vermeesteren,

doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt.

Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur van Holland

en Utrecht. De stad Utrecht nu, had toen ter tijde de spaansche zijde

nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat Bossu Oudewater

ging bestoken.

Eerst had hij beproefd den Briel en Haarlem weder aan de spaansche

zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was, [521] moest onze stad

er aan, onderrigt als hij was dat er in Oudewater weinig buspoeder

en een klein getal ongeoefende soldaten waren.

De Heer van Zwieten echter, die Oudewater vroeger voor Oranje genomen

had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu

gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein van Woerden met

verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook

nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen

liet berusten.

Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag,

waarop het in Utrecht weekmarkt is, dat hij op eens de poorten van

Utrecht deed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te

gaan. Al de wagens [522] en ook de boeren [523], werden nu geprest

en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stad

Oudewater alwaar hij des avonds aankwam.

Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten,

doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof,

er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80

vaandels manschap, die het echter van wege de stad Oudewater niet

aan brood, haring, bier enz. ontbrak.

Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich

op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel,

en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden:

Zoo min als dit kalf garen kan spinnen,

Zoo min zal Duc d'Alve de stad overwinnen.

Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek

niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen

zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer:

Al eer een jaar ten einde zal gaan,

Zal ik er door jagen den rooden haan.

Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet

volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen.

Al hoewel van Bossu niet op Oudewater schijnt uitgegaan te zijn om

het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe

gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen

kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te

nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut van

Utrecht herwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen.

Het leger te Monfoort aankomende, werden de poorten voor hetzelve

gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aan Linschoten

heen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk

een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als

in een zee stonden.

Aan een oud moedertje in de Linschoten op haar erve staande, vroeg

Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend

beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had

doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich

spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de

voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten,

en eenige verdronken. [524]

Zoodanig was de afloop van van Bossu's onderneming, om Oudewater

te overrompelen.

Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaar Oudewater

aan te tasten, niet ten uitvoer kunnen brengen, eenigen tijd toch na

zijnen mislukten togt naar Oudewater werd hij in een gevecht op de

Zuiderzee gevangen genomen.

Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij

gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje,

wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens.

Had men van Bossu,--met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen

houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het

jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten

noch te verdrijven was; te Oudewater heerschte de pestziekte, en zij

woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer

3000 ten grave gesleept werden.

Hetzij men te Oudewater ten gevolge des togts van van Bossu, of

ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de

zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede

was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men in Oudewater

groote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de

leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te

wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen,

enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den

overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij

verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds

met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt

opengesteld. [525]

Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig

waren geweest.

Oudewater toch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd,

ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en

die moord in het breede uit een zetten.

Nadat Baldez onder Requesens het beleg van Leijden had moeten opbreken,

begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede

met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd en

Breda was de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden.

Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken van Oudewater niet

vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend, [526] dat op den 24 Februarij

1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de steden Oudewater,

Schoonhoven, en Woerden alsmede het slot Loevestein niet alleen van

het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de

wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een

aanval bloot lagen, indien de vrede te Breda niet tot stand kwam,

zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de

vijandelijkheden.

Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paarden Buren

ingenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt

toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van

15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat Hierges Buren nu versterkt had,

verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut

naar Bommel anderen naar Worcum, en de overigen naar de zijde van

Schoonhoven gezonden.

Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn

bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had.

Zoowel uit Gouda als uit Oudewater werd echter aan den Prins gedurig

berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn.

De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen

en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en

het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten,

al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens

bevallen de staten van Holland voornamelijk aan die van Oudewater om

de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen, [527] en hen te

voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom

en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en

de krijgsoversten binnen Oudewater ten einde te Gouda waarheen men

aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en

het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd

en gesteld wierde. [528]

De rede waarom men dit aan Oudewater beval, is ligtelijk te begrijpen.

1. Had Oudewater een beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten

alle »onnutte monden" uit de stad verwijderd worden, ten einde men

met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte

toekomen en ten

2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei

en door hunne tegenwoordigheid waar die niet vereischt werd, belet

worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting.

De zorg van s'lands staten voor Oudewater berustte er nog niet bij.

Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive

van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van

het naburige Benschop als van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat

zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene

zaak naar Oudewater te vervoeren, en er geschut van te gieten.

Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de

klokken, kwam echter niets.

De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op

het volgende neerkomen:

Die van Oudewater waren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar

hunner geburen [529] en van Duyn meldt zelfs, dat zij Gouda hadden

gewaarschuwd op zijne hoede te zijn; [530] maar de meest afdoende

rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en

kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands

verloren zoude gaan [531]; aldra echter, zoude men zich over die

verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben.

Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des

nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen

in den vroegen ochtend een zeker poorter uit Oudewater genaamd Dirk

Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden

om onder het groenbekrooste water, dat in de omstreken zoo menigvuldig

werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij

mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht

door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename

uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren

zij eene verbazende menigte vlugtende mannen, vrouwen en kinderen,

die van Dam toeriepen de vijand komt! De vijand is in aantogt naar

Oudewater en op de vraag van waar hij kwam, zeide men Langs den Damweg

van IJsselstein.

Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding

vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen

hun toeliet, terug naar Oudewater, vertelde aan ieder de vreesselijke

mare en de meeste ingezetenen van Oudewater werden ontwaakt uit hunne

nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen,

met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt, de vijand

is in aantogt naar Oudewater langs den Damweg van IJsselstein.

Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met

den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal

mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met

name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger,

den weg zoo mogelijk te versperren.

De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd

was volgens Van Kinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag

even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde

van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren

staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de

openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed

bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden.

De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat

de alom op de been geraakte »huislieden", die het--ter ontwijking van

het gevaar--op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden

medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood

het leven zelve konden redden. [532]

Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naar Oudewater, willen wij de

krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen.

Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was,

zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd

met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij

wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier

vaandelen voetknechten, [533] te weten:

Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden,

namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder

Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche

dienst geweest zijnde, [534] nu aan de Staatsche zijde was.

Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande

onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit

vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350

manschappen, terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo

groot was, zoodat het getal weerbaren binnen Oudewater op omtrent

700 koppen gesteld mag worden.

Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering

van Hierges.

Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters,

benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15

vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en

verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber

en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met

reden beducht, voor het lot, dat Oudewater boven het hoofd hangt.--

Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger

der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans [535]

die niet ver van Oudewater aan den grooten weg naar Montfoort gelegen

was [536]; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting

eener bijliggende sluis.

De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen

gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de

verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voor Oudewater van zoo

groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens

van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste

goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand

was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken

en buiten moesten blijven.

Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo

groote aangelegenheid voor Oudewater geweest zoude zijn; hadde men

haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel

geweest om Oudewater te behoeden voor het treurig lot, dat het te

verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen,

den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder

water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest

zijn, om van die zijde de stad te bevechten, en men had tevens,

daar de zwakke bezetting van Oudewater den prins van Oranje niet

onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter

versterking kunnen aanvoeren.

Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde

van Oudewater bij Goejanverwellesluis gelegen, werd [537] door den

Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te

worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder

volk geweest is; [538] men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet

vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den

IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen

op de meest blootliggende punten op te werpen [539] en den inwoners

van Oudewater dus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden.

Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman

binnen Oudewater was aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een

gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam,

moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting

viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijk ware het

beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt

gevallen. Hij toch, was te Haarlem met nut in het bestuur des krijgs

[540] werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door

eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend.

Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig

ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere

dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten,

werden er verscheidene uitvallen door die van Oudewater, toen de

Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter te Oudewater

spoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden

en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet

één missen.--Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad

dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos

te verspreiden.

Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men te Oudewater

tevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader

voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld. [541]

Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te

verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen

toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid

bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een

bode naar Oranje te zenden.

Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen,

nu de stad door duizenden vijanden is ingesloten? Wie zal er zich

een weg door banen?

Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de

eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad

verwittigde, »Ik", zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins

met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en

.... mijne stadgenooten redden, maar", zeide hij tot den magistraat,

»mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne

echtgenoot en kinderen," iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat

ingewilligd werd.

Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een

afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven

kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld

van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden,

zeer avontuurlijken togt uit.

De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken,

en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid.

Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit,

ieder met een grooten springstok bij zich.

Het zijn de stoute togtgenooten.

Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij

naken.... Zoo naderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden

zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij

naderen de tweede vijandelijke post en... weder gelukt het hen, die

zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nog ééne wacht en het

gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt;

geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij

volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het

nu naar de schans bij Goejanverwellesluis te rigten, meenende, hopman

van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne

teleurstelling, toen zij daar Spaansch hoorden spreken. Die sterkte,

nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard!

Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt

te worden!--De gedachte aan gade en kinderen--aan het gewigt van zijnen

togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van

afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt

mislukte,--dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor

den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield.

Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende

zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste

benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de

bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel

en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich

te zien.

Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar

Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond

zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken

geraakte [542] en al spoedig was men nu behouden te Gouda, het

voorloopige doel hunner avontuurlijke reis.

Men had te Oudewater de afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt

tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen

van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat men

behouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit

seinen niet achterwege bleef.

Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste,

toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de

heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naar Oudewater

was, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt:

»van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten," Men werd dronken

van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou

zich er zeer over te betreuren hebben.

Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden

aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding

te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men

in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de

overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen,

kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men

naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen

legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang, [543]

den vijand gestadig uitjouwende.

De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie

aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te

behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het

stedeke Oudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger

onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen.

Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om

den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was

beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om de

stad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende

land, hen te verdrijven.

Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade,

alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men

dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet

om behoefden te bekreunen.

En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens,

toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat

der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken,

was hij naar Delft op reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog

zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen

naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was

het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig

waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen

dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het toch Oudewater

niet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen.

Men was in Oudewater echter nog in het onzekere wat van Dam bij den

prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren

om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van

Spanjaarden en geen reddend IJsselwater.

De prins reisde eerlang zelf na de stad Gouda om te zien, [544]

of er geene andere middelen tot redding van het omlegerde Oudewater

konden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat,

voor de stad onzer beschrijving.

Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven

werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin

men den benarden toestand van Oudewater aan Oranje schreef en op ontzet

aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen,

buiten staat om den Spanjaard van Oudewater te verdrijven en meerdere

manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had

geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen

naar Oudewater gezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen

de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden.

In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken,

en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote

kerk en toren te vuren. [545] Hij had drie redenen op het oog, [546]

om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen.

1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn

leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen,

die hij nam.

2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van

denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd.

3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren

zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen

dienen. [547]

Naauw had men echter van binnen 's vijands meening omtrent dit laatste

punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en

de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig,

maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar

binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van

beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast

de grijze kerk aan den IJsselzoom.

Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra

het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve

stond op den dijk [548] bij de galg in het markveld en was alleen met

19 zware muurbrekers en 4 dubbele kartouwen voorzien, die tot bij de

65 ponden ijzer uitwierpen.

De andere batterij was met 5 stukken [549] voorzien en was op den

Montfoortschen dijk opgeworpen.

Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en

niets weerhield hem nu om Oudewater op te eischen voor Philips den

II; ten acht ure 's morgens van genoemden dag, zond hij den Heer

van Oostrum [550] naar de stad en eischte dezelve met de meeste

vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave

van Holland op.--Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op

ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum [551] met gelijke

bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de

landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor

drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten,

om hem naar zijne Doorluchtigheid te zenden, en diens gevoelen op

dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg

slechts twee uren om zich te beraden.

Men had dit in Oudewater niet juist begrepen, men meende, dat hun

tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was [552]

en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan

den vijand te berigten.

Nog anderen, meldt van Duijn, [553] waren van meening, dat de stad

opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden:

»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten

en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met

haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in

hunne gelederen gediend had, zeide, dat Oudewater werd opgeeischt,

onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs

gemaakt zouden worden. Willende hij liever in den strijd sneuvelen,

dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit

deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten

druppel bloeds."

Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig

voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport van Oudewater meer

ontvangen, en ten [554] tien ure was het in de stad en in de environs

op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed

zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut op Oudewater gevuurd.

Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk

gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen.

Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers

en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij

menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om

weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde

der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den

dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht

op muren en torens geschoten, [555] toen men tusschen de 16 à 1700

kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk,

dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot,

verbazend groot waren.

Eindelijk zwijgen de vuurmonden..... het is nacht, de tijd van

ruste. Doch rustte men in Oudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene

moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog

ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam

haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem

het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid

te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling,

eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen,

men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos

overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich

de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om

het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij,

en waarom wil vader niet ontwaken?

Rustte men in Oudewater?

Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot

de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt.... hij

deed het, maar hij was niet zwaar geharnast, slechts een lederen kolder

omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den

wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande

een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig

ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft.

Maar nu moest men aan het werk.

Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de

bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde,

[556] en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en

andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen,

ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te

geschieden stond. [557]

Doch de voorzorgsmaatregelen van die uit Oudewater bleven er niet

bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden

tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen

tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen.

Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een

balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren

punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse,

aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren. [558]

Voorts bedacht men in Oudewater nog iets om den vijand afbreuk te doen,

dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was.

Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met

ijzeren punten bestoken, die ter wederzijde rustten, hieraan werden

weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen,

die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was,

die weder te kunnen optrekken.

Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde

veste tot het uiterste te verdedigen.

Maar de vijand zat insgelijks niet stil. Zijn doel was een stormweg

door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om

zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip

afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in

menigte bij Oudewater gevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee

paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens,

tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden

dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan,

niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden.

7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voor Oudewater de

beslissende dag.

Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer

over de 1300 keeren hebben gesproken [559] en de met zooveel ijver

gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte

ijzer.

Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders [560] tot bij Oudewater

gekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste

te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid,

dat Oudewater dien dag weder onder Philips den II terug gebragt

zoude worden.

Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten,

zond Hierges zijn legermeester Don Hernando de Toledo, de hoplieden

Francisco d'Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6

soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den

wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden

te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich,

nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen,

dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van

den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte

vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd

was.

Nu bedacht de vijand eene voor Oudewater rampspoedige krijgslist;

er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel,

dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde

namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en

tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen

of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn.

Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die

van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den

vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij

vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen.

Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór

dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door

het vernielend geschut onbruikbaar geschoten.

Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd en nu zoude het niet

bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand

een oorverdoovend geroep van "naar binnen, naar binnen toe." [561]

Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner

Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of

om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen"

ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche

troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens

gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke

wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar

den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken,

niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet.

Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren

van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde

zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij,

hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug,

dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het

gevecht nog geen deel hadden gehad.

De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te

worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen

en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen

streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten

lood, kokende teer en andere brandende voorwerpen op het hoofd en

de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd

aan. [562] Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op

die wijs den voet nooit binnen Oudewater heeft kunnen zetten. Maar

wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven!

Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die men tot nu zoo

manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo

nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na

vijf vierendeels uurs zoo duur [563] den wal te verdedigd hebben, het

overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand

als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel. [564]

Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm

des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen.

In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen

der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was

vreeselijk.

De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen,

werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die

natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene

steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte

dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed

was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van

het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een

tot den anderen, en als men zich dus eenigen tijd met het angstgeschrei

der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor

de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord;

noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen,

noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat

zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen,

noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol

een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere

priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het

moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege

ligchaam der ongelukkige slagtoffers.

Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met

die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wilden hun leven

dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede

aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand

vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en

de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder

om zijn.

Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of

iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden

zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen,

dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan.

Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en

mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten

zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om

nieuwe rove op te duiken.

Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds

geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene

schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt.

Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp;

»de roode haan" die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stad

Oudewater te zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand

echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe,

dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen.

Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne

woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust

op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin

gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur

te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges [565] den steeds

toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit,

verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige

huizen, het klooster en de parochiekerk.

Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de

geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan

den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard

afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten

[566] en verdronken.

De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige

wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd [567] den vijand

te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars

was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid.

De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk, waren bij het

verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen

genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten

wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden

aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs

verkocht.

De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien

van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus

niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden,

voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd.

De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds

was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne

kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit

wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon [568]

en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt.

Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig

gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen,

droegen de Staten van Holland zorg [569] indien het noodige hun

ontbrak.

Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder

een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het

getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio

Beltram Dell. Penna.

Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en

plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte

die ons nog overig is, niet afnemen.

Nog een paar woorden echter.

1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in de stad onzer beschrijving

gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als

men van beide zijden was [570] en hij was door onze stadgenooten

nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang [571]

en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en

2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen

aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn.

De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij

ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van

de ramp verschoond gebleven.

In het jaar 1615, werd er te Oudewater eene naamlijst opgemaakt van

hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige

jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop

van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst,

die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt. [572]

Terwijl de gratificatien, door de staten van Holland in stede

van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in

1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd

Corn. Jansz. Klopman.

Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het

merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden.

Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 te Oudewater

feestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare

menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten

ramp te herdenken dien het vroeger trof.

Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de

straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog

steeds aankomende.

Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en

stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit.

Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed

overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en

thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de

stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en

dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw

spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk

ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen

dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met

zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam, toen was het

klokkengelui, het noodsein voor Oudewater en nu roept het de schare op,

om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op

dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal

op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking

van Oudewater aanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid

ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen.

Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid

in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van

den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt,

met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag

verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde

stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken.

In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille straten der stad

verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende

soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van

dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op

den »moord," zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden

jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens

familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu

met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.--Het is niet de moedige

jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven

staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal

draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd,

die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave

van Bachus gaan genieten. [573]

Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te

herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan,

dat durven wij niet beslissen, maar waar is het, dat na jaren nog

menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag

van den »moord" wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste

dag was van het aanknoopen van eenen band door Freja gevlochten.

Nadat Oudewater dus door den Spanjaard onder Philips den II, was

terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den

11 Augustus was Hierges reeds voor Schoonhoven, dat nu aan de beurt

was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de

zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden

of Duitschers in Oudewater als bezetting gelegd werd.

Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten

hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel

mogelijk gezorgd, en ook de stad Delft bleef in October 1575 met het

ondersteunen dier rampspoedigen niet achter.

In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij

de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen

het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd

begrip, immers ook Oudewater en Woerden dongen naar het bezit van de

Hoogeschool binnen hunne muren.

Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat der Nederlanden

Zuid-Holland door A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden.

»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug

het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze

stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft

gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting,

algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers

doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot

loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de

heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen

dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren,

welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den

roem der dappere verdedigers van Leijden niet, wanneer wij vermelden,

dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele

verhaal met de waarheid in strijd is.--Bij het algemeen doordringen

der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst

leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het

vaderland bestond geene gelegenheid om zich in de daartoe vereischte

wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds

gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie,

was door Prins Willem en de Staten van Holland over dit belangrijk

onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de

inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter

opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van

verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche

overheersching hadden geleden, als Oudewater, Woerden en anderen, deden

al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen

binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na

de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het

hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste

stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en

het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van

den Prins werd eindelijk besloten de academie te Leijden te vestigen,

eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk

omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare

ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit

laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan."

Ruim 15 maanden was Oudewater nu al door soldaten van Philips bezet

geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de

Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van

Oranje terug te brengen.

Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de

kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen

drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het

tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haar

weder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de

omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet

kwamen. Dit werd toegestaan, [574] en alle burgers en andere getrouwe

personen, die zich in Oudewater vestigden, zouden genieten, vrijdom

van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van

de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden,

ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden,

egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d'Ingeseetenen der

voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar

sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar

inne eenige soldaten 't ontvangen ofte te logeren, willende die Staten

voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen

onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn

gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen

worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte

den Staten voorn. mit goede kennisse van saken anders daar inne

sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve

Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre

ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te

rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te

houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande,

ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende

ordonnantien van zyne Exce. ende der Staten voorn. als naar behoiren,

waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde

van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld

ende genomen. Gedaan tot Delff den xijen. Novembris Anno XVc. sessen

't seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was

geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands

Zeeghel." [575]

Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een

aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene

staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig

hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste

van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten.

Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden.

Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest

was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van

Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt.

Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude

zijn.

1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg te Gouda

bijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te

hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen.

Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van

het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze

rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken" verworven had.

De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante

gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet

gebijt had.

Het »oude varken" zou dan het eerste over het ijs gaan, over den

wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het

rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen

mogten volgen.

De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met

ingespannen verwachting het sein.

Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak

was het »oude varken" rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit

dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in

twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt.

In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de

schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug.

Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt

het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten

der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10

man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning.

De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid,

wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen

te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins

zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem

zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing

kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding,

om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd.

Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en

marscheerden naar het nog Spaansch gezinde Sticht van Utrecht.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 169 / 178 题