Van 1265 tot 1860.
"Dat ic de waerheit so verclare,
Dat men weten moete dat ware."
Melis Stoke.
Oudewaters naamreden hebben wij in onze geologische schets reeds
getracht te verklaren.
Oudewater is gelegen in het zuidoostelijk gedeelte van Zuid-Holland,
aan den Hollandschen IJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands
van Schoonhoven en Woerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen
driehoek vormt. [380]
Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou--volgens de getuigenis van
den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius--dit plaatsje omtrent het
jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop van Utrecht
tot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners,
benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden
zijn geschonken. [381]
Zooals men dus bemerkt, behoorde Oudewater reeds zeer vroeg, ook wat
het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen van Utrecht;
totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den
winter" (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop van Utrecht,
deze plaats nevens andere steden, voor een zekere somme gelds, aan
zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem
bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen
die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen. [382]
Tengevolge dezer verpanding, behoorde Oudewater nu onder Holland en
wel onder het oude Noord Holland, want deze landstreek werd alzoo
genoemd, omdat zij ten noorden van den IJssel lag. [383]
Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het
regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus
in dien tijd steeds aan Holland en de goederen van het graafschap
gebleven was, heeft keizerin Margaretha, als gravin van Holland, die
na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen,
het bestuur over Holland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk
van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt
verleend, dat Oudewater nooit meer van de Graaflijkheid van Holland
gescheiden zoude mogen worden. [384]
Intusschen begon Oudewater reeds eene vrij aanmerkelijke plaats te
worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319
het Lombardshuis alhier, tot 's Graven weder opzeggings toe gegeven
werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de
Lombardhuizen eerst in 1327 te Schiedam, iets voor 1342 te Delft waren,
terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag
gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf
Willem den III aan den Bisschop van Suden, om die van Oudewater 200
»pont suarter tornoys" te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.
Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het
voor en na ontvangen van een aantal regten en privilegiën. Zoo werd
door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters
van Oudewater niet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die
van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten
gaan halen bij Schepenen van Oudewater, voorzeker geen geringe
onderscheiding.
In 1324 werd aan die van Oudewater verlof verleend, om buitenlieden,
mits »goede knapen" zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en
burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen
gebruik gemaakt hebben.
In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt,
al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn,
zooals uit het stuk zelve is op te maken.
In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door
Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle
landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen
van Woerden, te Oudewater moest ter markt gebragt worden, op een boete
van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds
vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken,
dat eene verpachting van 's Graven »Gruiten" te Oudewater voor vijf
jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden
opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden" van Oudewater
door denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor
tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester van Zuid Holland gebood
dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen."
In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt
om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stad Oudewater
door keizerin Margaretha als gravin van Holland, geconfirmeerd werd,
in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten,
in dit zelfde jaar (1346) aan Oudewater het privilegie schonk, om
het nooit meer van de Graaflijkheid van Holland te scheiden. [385]
Tot dus verre was alles in Oudewater vrij rustig toegegaan, indien
wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen
aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de
plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel,
dreigende wolken te zamen, waarvan Oudewater en deszelfs bewoners
weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.
Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel,
zich eene telg van een der adelijkste huizen van Holland, Heere Jan
van Arkel, bevond.
Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent
dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten
aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige
der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los
te maken." Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nu Oudewater
voor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de
jeugdige gemijterde Oudewater aantastte, en dat op den dag na Maria
Boodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen
en legertenten voor Oudewater gezien werden."
»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne
zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg,
Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders. [386] De
kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed,
ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking
van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere
verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te
beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van
onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt
ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar
het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid,
waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid
zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst
toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan
hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare
zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige
zwaard!"
»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid
en eenige Utrechtsche Raadslieden, waren in een der weinige huizen,
die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen,
wat men met den puinhoop zou aanvangen.
»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het
is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar
echtgenoot in de bres gevallen is. Misschien, dat de Stichtschen,
haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende
stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,--ik doorzie het, nu zij
met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt
en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt
haar doel--één punt des tijds--Zie hoe het vlamt! nog een wijle--het
knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop,
een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, van Utrechts
achtbaren zoeken zal." [387]
Toen nu de Hollanders vernomen hadden, dat Oudewater aldus door
de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele
Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte
gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen
bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van
Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en
stad en toog met deze heirkracht tot bij Schoonhoven. De poorters
uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger der
Hollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er
lang en heet gevochten was, behielden die van Utrecht het slagveld
en behaalden wederom de victorie. Vele Hollandsche edelen werden
gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen
werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen
beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent
Sinte Martijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap. [388]
Dan, keeren wij tot Oudewater terug. In hetzelfde jaar 1349, toen de
kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon
de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van
Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook
het zoo zeer geschokte Oudewater ruimschoots deel nam.
Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen,
kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat
Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar
gemaal naar Beijeren ontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar
tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels
der regering in handen te nemen.
Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand
van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem
bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in
Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde
het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen,
doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder
tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte. [389]
De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de
Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bij Schoonhoven
gesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te
houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan
worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel
aan toe.
Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, van Holland, Zeeland
en West-Vriesland, behoudende voor haar alleen Henegouwen zoo lang
zij leefde.
De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349
te Munchen in Beijeren gegeven, en werden sedert te Geertruidenberg
bezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote
getale, en door de steden Dordrecht, Middelburg, Zierikzee, Leiden,
Geertruidenberg, Delft, Haarlem, Alkmaar, Amsterdam en Oudewater die
te dezer tijden, de aanzienlijkste steden van Holland, Zeeland en
West-Vriesland waren. [390]
Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden,
om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe
Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke
wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.
Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd,
zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet
dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog
was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder
onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naar
Holland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat
Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350,
de ridders, knapen en steden waaronder ook Oudewater, die hem hulde
gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de
teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige
maanden--naauwelijks toch had Willem afstand van 's lands regeringe
gedaan of hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de
brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter
in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden,
onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en
huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd
van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen
noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.
Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan,
sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en
de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van
vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met
hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.
De steden nu, die zijne zijde hielden, waren Dordrecht, Delft, Leiden,
Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Medemblik, Oudewater, Geertruidenberg,
Schiedam en Rotterdam, waarbij zich kort daarna ook Vlaardingen
voegde. [391]
Terwijl wij Oudewater nu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen,
laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei
herlevende Oudewater terug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351
van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt,
zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte,
met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel" waardoor
Oudewater ten minste van die zijde eenige verademing kreeg. [392]
In hetzelfde jaar, bleef Oudewater met de andere steden van Holland
borg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna,
dochter van den hertog van Braband en weduwe van Willem den IV,
Grave van Holland nog te eischen had. [393]
Dordrecht en de elf andere steden--waaronder ook
Oudewater--bevroedende, dat zij de meeste lasten van den
binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte
van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen een
bijzonder verbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor
schade te bevrijden. [394]
Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest
ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte
vrede tot stand, en de graafschappen van Holland en Zeeland benevens de
heerlijkheid van Vriesland gingen nu van het stamhuis van Henegouwen in
dat van Beijeren over, [395] en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeld
Oudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355,
en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen
de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en
Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen. [396]
Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver
van Wijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de
Bisschop niet gelukkig zijnde met het op de been brengen van vele
wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders
aldus weinig tegenstand in het Sticht. [397]
»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten,
door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende
in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren
weg na Oudewater ende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy
verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede van
Montfoort, en die van Montfoort waren op die tydt groote vrienden
ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters van
Montfoort vernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer
Zweer van Montfoort haren heere op dien tijd binnen Utrecht was,
zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende
sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen,
ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle
haar soudenieren ghevangen." [398]
In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door
den Burggrave van Montfoort weder ontslagen.
De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno
1356 eene vrede tusschen Holland en het Sticht tot stand kwam.
In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder
beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich
eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen
op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart
benoemd. [399]
Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrent
Oudewater aantreffen, is eene vergunning om zijne landpoorters, buiten
den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings
binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is
een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over den
IJssel bij Oudewater, »wit onse stede overgaende op ten gaenwech van
den IJsseldijc."
Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan
ook Oudewater gedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te
dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367
een accoord tusschen Oudewater en het Waterschap van Woerden getroffen
werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over
de Linschoten; en een belofte der hoogheemraden van Woerden om de
sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.
Het eerst, dat wij Oudewater nu weder in de historiebladen aantreffen,
is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart
van Holland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten
wille, Oudewater vermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop van Luik,
benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt,
dat hij omtrent Oudewater hier op geen regt had [400], of hij heeft
zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan
instede daarvan gegeven het Land van Voorne met de stad Briel. [401]
»Middellerwijl had Oudewater nu van de zijde der Utrechtenaars
onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid
bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs
opvolger Arnold van Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving
weder veel te verduren.
Ook hij had met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig
oorlog voeren hem eigen was. Ook hij had het met de Hollanders en
den Hertog te kwaad en nadat eerst Zwammerdam en Naarden veel van
hem geleden hadden, kreeg Oudewater zijn beurt.
»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent
voor Oudewater en het was ten jare 1374"" [402] »Ik vind ergens
aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield,
en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden
geboden, met storm innam. [403] Ik durf voor de juistheid van deze
aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij
putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven
staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in
dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uyt Oudewater
LXXIII mannen."" [404] »In ieder geval, het blijkt mij uit het feit
van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van
Arkel voor Oudewater een vrede houdende nabuur geweest is." [405]
Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee
partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote
geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook
over het stapelregt te Dordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380
tusschen den Burggrave van Leiden en die van deze stede Oudewater
dusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hoog gestegen,
dat Grave Albrecht van Beijeren als scheidsregter tusschen beide
partijen optrad. Deze twist was »om der tollen tot Alphen ende
daaromtrent." [406]
In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor
den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd [407] en ten jare 1393
werd Oudewater met eenige andere steden door hem vrij gesproken van
alle stapelregt te Dordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid
ontstaan was. [408]
Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten
weder terug.
Die van Oudewater waren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield
tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste
verwoeste en een andere telg »veel lude van Oudewater verwonnen hadde
van Lyve ende van goede" ten minste zeker is het, dat die van Oudewater
dan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij
»in die heerscip van Haestrecht hadde gevangen, Melis Aerritssoen
boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in
der heerscip van Haestrecht woende." De twist was van dien aard dat
zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd. [409]
Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna
Albrecht tot Grave van Holland werd verheven [410] en als zoodanig
komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden van Oudewater voor.
Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert
dien tijd, had Albrecht groote genegenheid opgevat voor Aleida
van Poelgeest, die te 's Gravenhage bij hem ten hove was. [411]
Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ook
Oudewater moest daaraan deel nemen.
Zie hier wat er van de zaak is:
Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in
korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door
haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en
natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer. [412] De wrok steeg dermate,
dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen
en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene
wonden om. [413]
Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor
eveneens het leven. [414]
De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen
[415] benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht,
ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene
haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot
den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester,
hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche
edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in
te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven
en goed verbeurd te hebben. [416]
Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden van Oudewater omtrent dezen
tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe,
dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en,
derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De
lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van
den graaf aan die van Oudewater aangaande het aanhouden van een hunner
poorters met zijn goed door den »tolner" van Gouda, waaromtrent zij hun
beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt,
dat hij »twee of drie of vier van den gerechte van Oudewater geerne
geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem
ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende
oic gemachticht van der stede wegen van Oudewater dat sy een entlic
dadingh met hem ende synen rade aangaan mochte van den breucken die sy
hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude
hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde." [417]
Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen
hebben" en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden
dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het
genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12
personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen
heeft." [418] Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening
het gevolg is geweest, verleende hij de stede Oudewater echter in het
volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom
van het stapelrecht [419] te Dordrecht. Niet echter, dan nadat er ten
jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand,
ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke
breuken als sy jegens ons misdaen hebben" [420] kwam er eene meer
gunstige stemming omtrent Oudewater in 's graven gemoed, daar hij
de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren
goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer
van ter Goude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had,
te houde tot den voorzegden tijd. [421]" Niet lang echter duurde het,
of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:
Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn
Plackaert gegeven tot Gorichem op ten dach ende in 't Jair voirsz.,
allen sinen Tolneren van Holland ende van Zeeland, dat si der steede
van Oudewater en horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden,
veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht
als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen
Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende
tot myns Heeren wederseggen.
Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach
van der Poirteren goede 't Oudewater die opgehouden waren voir die
Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen
soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren van Oudewater,
ende hoir goide veilich soude laten varen voir bi myns Heeren Tollen,
tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten,
op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is."
Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het
jaar 1394, aan Schiedam en Oudewater het oprigten eener stedelijke
school vergund werd, [422] dat zeer pleit voor den bloei, waarin te
dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314)
een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den
schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter
Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang
ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien van Oudewater te dien tijde, dat
het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten,
en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en
van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten."
Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de
stad Oudewater zelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag
ten jare 1393 aan die van Oudewater bij oirconde beloofde, met Heer
Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had
van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf
voldaan waren [423]; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden van
Oudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in den Haag waarbij de
Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hij Woerden
en Oudewater ten zelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die
wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten
en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of
er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die
moeght leveren ten onsen wille." Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo
nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren
mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden,
zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan. [424]
Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen
bevonden, als de Burggrave van Montfoort en de Burggrave van Leiden,
dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van
Albrecht met Oudewater niet meer te twijfelen viel.
Inmiddels ontvlugtte de Graaf van Oostervant, Albrechts zoon, die als
de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het
hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De
vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan
ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met
eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde,
Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.
Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in
1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave van Oostervant, en
ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in 's Hertogen gunste. [425]
De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen,
die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging
deelnemen. Der Hollandsche en Zeeuwsche steden werden, ten gevolge
van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan
te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333
vermeld, vinden wij Oudewater vreemd genoeg, niet aangeteekend en
hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van
's Graven zijde, worden aangemerkt.
Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht
ten jare 1400 met hen een bestand, zijnde Stavoren als toen de eenige
stad in Vriesland die nog Hollandsche bezettingen hield. [426]
Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan
den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog
geraakt waren [427], en wij houden het er voor, dat het de waarheid is,
trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij
direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten
het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners van
Oudewater in 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den
tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo
hadden die van Oudewater omtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge
gedaan" aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande van Woerden,
en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht,
op voorwaarde, zij moesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van
sestienhondert scilden." [428]
Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van 's Graven
zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede,
immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden" schonk
hij Oudewater vrijdom voor zijne tollen te Sparendam en Heusden niet
alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van
alle diensten in Oost-Vriesland voor hem en zijne nazaten [429],
onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van
Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht
had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging van
Oudewater op de grenzen van Holland, de voordeelen die uit het wel
bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de
trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen."
Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten,
het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnen Oudewater, dat tot
nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn. [430]
En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van
graaf Albrecht, die direct op Oudewater betrekking hebben. [431]
Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds
opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten
staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens
vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere
personen eenige hulp kon verkrijgen. [432] Zoolang het dus niet hoog
noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder
en Rentmeester der grafelijke inkomsten van Holland bekleedde, niet
zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering,
doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke
gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp,
dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog
Albrecht openlijk den oorlog aan te doen. [433]
Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de
vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.
Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had,
verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in 's
Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen,
gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot
rede te brengen. [434]
Willem verklaarde toen in 1401, het van Oudewater naburige Haastrecht,
Vliste, Stolwijk en andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd,
en bande hem ten eeuwige dage uit Holland. Arkel zeide hierop eerst
den Hertog en [435] kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.
Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad
onzer beschrijving.
Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar [436] zich uit,
Oudewater was eene der sterkste grensvestingen van Holland. Ook werd
zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van
alle krijgstogten in Vriesland die hij zelve of zijne zoone niet
bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij
de stad trouwelijk bescherme zoude. [437] Deze stad poogde Arkel te
verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters."
Weten wij nog uit de divisie kronijk [438] dat hij voor Oudewater
verscheen »met een deel ghewapenste volcx", dan was het zeker een
groote eer voor het stedeke Oudewater, dat het den verbitterden en
heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.
Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet
vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem
openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen"
leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle
nachten te sluiten. [439]
Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een,
van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen
niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.
Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den
titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd
hij dan ook in het stedeke Oudewater zelve ingehuldigd [440]. Men
ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die
van Oudewater bevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.
Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der
Graafschap van Holland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen,
ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders Hertoghe
Aelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe
Steede, ende Poirteren van Oudewater vriendelick ontfangen hebben,
ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo
hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen,
tot onsen getrouwer Stede van Oudewater voorsz: derzelver onzer
Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget,
confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke
Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van
onzen Voirvaders Graven te Holland, van onzen Lieven Heer ende
Vader Hertoghe Aalbrecht voorsz: ende van ons bezeegeld hebben,
ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer
Steede ende Poirteren van Oudewater voorsz: dair in te houden,
ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.
In Oirkonden &c. Gegeven in den Hage op ten xi. dach in Maert
Anno xiiijc ende vier. Secundum Cursum.
Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering,
met het vermelden van oude bescheiden en privilegien op Oudewater
betrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf,
de stad onzer beschrijving voor dat gemis aan voorregten schadeloos
te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in
hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond 1405
[441], vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stede
Oudewater om van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de
bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogen eischen,
en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het
leven te berooven.
Het volgende privilegie in 1405 was 's Graven vergunning, om binnen
der stede gebied, eenen molen te mogen zetten; nog belooft Willem in
dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande, Oudewater nimmer
meer te zullen scheiden van de grafelijkheid van Holland, en tevens
stelde hij die van Oudewater bij ander voorregt van dit jaar, vrij,
van het betalen van morgen geld. [442]
In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën
van graaf Willem omtrent Oudewater gewag gemaakt, doch in deze
tijden werden er tusschen Oudewater en het nabij gelegen Woerden
vele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap
van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld,
dat de hoog-heemraden van Woerden aan Oudewater beloofden om de
brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad
te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente
secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte,
waarin de hoog-heemraden van den Lande van Woerden zich verbinden,
de sluis binnen Oudewater liggende, te verlagen, met bijvoeging, dat
wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd,
die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.
Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die van Oudewater en
oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij
in 1414 toestond, om binnen Oudewater een nonnenklooster van de
St. Franciscus orde van penetentiae te stichten [443]. En nu mijne
lezers, willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt,
en welke rol Oudewater er in speelt.
Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name
Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad,
met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn van
Frankrijk die in het jaar 1417, kinderloos overleed.
Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba,
legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging
in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge,
wendde hij zich tot de edelen en steden van Holland, die hij ter
algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na
zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te
huldigen [444].
Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de
steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer
beschrijving. Ook de Schouten, Burgemeesters, Schepenen en Raden [445]
van Oudewater hadden »plegtiglijk gezworen, dat zij Jacoba, Daufijne
van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten,
overlijden mogt, voor zijne erfdochter en leenvolgster erkennen,
en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid
bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden
zullende bijstaan."
En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in
Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba,
zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle
steden van Holland, uitgenomen Dordrecht ingehuldigd.
Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, dat Oudewater zich aan
de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.
Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van 's Graven
overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken
en alras hadden zij zich van het naburige IJsselstein meester
gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de
Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke
weder spoedig aan 's gravinne zijde was.--Hare regering begon alzoo
niet gelukkig.
Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben;
wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van
de grafelijke kroon ging betwisten.
Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend,
en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende, [446]
ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij
zijne nicht bestookte.
Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd
hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten
wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter
zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog van Braband, waardoor de Landzaten
naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.
Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige
Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit
deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van
de gravin met den hertog van Braband in ernstige onderhandeling te
treden. [447] Ten jare 1418 kwam die verbintenis dan ook tot stand,
en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave van
Holland en Zeeland, wordende hij door de steden, waar onder ook
Oudewater, als zoodanig gehuldigd.
Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den
V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver
te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen
verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave
over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer
Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem
den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.
Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel,
wij vinden vermeld, [448] dat de steden Haarlem, Delft en Leiden
omtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove" 529
1/2 engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte
somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.--Maar ook Oudewater, nevens zes
andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te
zullen dragen. [449]
Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een
beleg van Dordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve
het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden
hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche
steden, brieven afgezonden, om over het belegeren van Dordrecht te
raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch
weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat
Jacoba, nog in dit jaar, het verlies van Rotterdam te betreuren had,
werd er omtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen
gemaakt. [450] In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld,
dat het Baljuw- en Dijkgraafschap van Zuid-Holland aan de gravinne als
»leengoed" werd afgestaan; Oudewater werd er ingelijks onder begrepen,
wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende
jaren, door de Hertogen van Brabant en Beijeren in het gemeen zouden
geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede
de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden
aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te
doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog van
Beijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.
Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van
eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en
oir of erfgenaam aangenomen.
Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naar Brabant
gereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die
gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan
te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar,
ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering
te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen,
en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het
jaar 1420, Treneijs Pietersoon in Oudewater tot Schout benoemde,
[451] die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van
zijne vrienden was.
Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421, Jan van Brabant
noemt zijnen »lieven Neve" zoo kunnen wij die zoete woordjes niet
te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij te Oudewater
weder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van
zijnen aanhang. [452]
Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal
jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.
Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in
onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan
van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had,
om in het Sticht te vallen en onder anderen Amersfoort en Montfoort
in te nemen. [453]
Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok
tegen de Montfoortenaars dat die van Oudewater in het volgende jaar
1420 gretig de gelegenheid,--echter eene noodlottige gelegenheid--te
baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen beneden
Schoonhoven tot aan Oudewater toen reeds door het Sticht onder
brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat
zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat
wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.
»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschen Utrecht
en den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, en
Montfoort koos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte
een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk van Montfoort,
zich door een wakker wapenfeit vermaard.
»Bij een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijk
in der haast te Montfoort zoo vele manschappen zamen, als er uit
de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde
deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand
tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke,
toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als
een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op
den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute
mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden
zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er
niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was,
kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden;
maar die van Oudewater moesten 't eindelijk opgeven en ruimden met
een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld;
terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad
keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker
eeren ende met sulcker gewin gedaen waren." [454]
Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht
voor Oudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke
Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die van Oudewater zich
mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er
van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd,
insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd"
menigeen gevallen zijn.
Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan
van Beijeren beoorlogen, doch Oudewater hoewel hoekschgezind, stond,
schijnt het te veel onder van Beijeren, om zich niet aan zijne zijde
te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege
in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.
De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te
beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag
tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging
Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen
Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken,
en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade
van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen van
Brabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan van Brabant, en weldra
was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422)
huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog van Glochester en
ook hij noemde zich alras Grave van Henegouwen, van Holland, Zeeland,
enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog van
Glochester aantreffen, begint zich ook Philips, hertog van Beijeren
als vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan
te merken.
Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester,
te Bergen gevangen genomen en naar Gent gevoerd. Zij wist echter
hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en
drie dagen daarna te Woudrichem zijnde, werd zij door heer Jan van
Viane naar Oudewater, Schoonhoven en Gouda gevoerd en in die steden,
waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne
erkend. [455]
Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te
naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren
in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij
uitersten wille aan Philips, hertog van Bourgondie, afgestaan, en nu
maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door
kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de
tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.
Nu wist de hertog van Brabant spoedig te weeg te brengen, dat de
Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot
wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van
Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch,
mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo
had zij in haren tegenspoed toch den troost, dat Oudewater, nevens
Gouda en Schoonhoven, aan hare zijde bleven.
In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek
door Jacoba's tegenpartij tot stedehouder over Holland benoemd.
Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog
overgegaan, wordende kort hierop het beleg voor Schoonhoven geslagen.
Jacoba, beducht voor Gouda, waar zij zich meest ophield, had
den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water
gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam
zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te
naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind
te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap
met Oudewater afgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne
lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij
nu den naderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu
in het jaar 1425 [456] tot een gevecht bij Alphen. Die van Gouda,
Schoonhoven en Oudewater vielen hen nu onvoorziens op het lijf,
[457] schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning,
en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels van Haarlem, Leiden
en Amsterdam, in vreugde en gejuich binnen Gouda.
Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij in Zeeland, waar de troepen
der Gravin met hulp van die uit Engeland, in 1426 een gevecht bij
Brouwershaven verloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar
leger tot voor Haarlem en ook bij dien veldtogt, werd de banier van
Oudewater aan hare zijde niet gemist; [458] maar ook in dit beleg,
keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen
ramp na de anderen trof.
Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw [459], toen zij
zich in de grootste benaauwdheid te Gouda ophield, en haar huwelijk
met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij
weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427:
doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bij Wieringen
bijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een
leger op Gouda aan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien
toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met
Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende
zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste
voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.
Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren,
wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten
werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den
echt mogt treden, dat Philips de Regering van Holland bleef behouden
onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba
slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden
hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot
dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.
Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog door Holland en
Zeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der
Landen doende huldigen. [460] Slechts 7 weken na het verzoenen met de
betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering
der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien
veranderd had, in een acte omtrent Oudewater voor als Ruwaard.
Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang
ontbloot zijnde:
Philips, by der Genaden Gods Hertoge van Bergoenjen, Graef van
Vlaenderen, van Artoys en van Bourgoenjen, Palentyn, Heere van
Salins en van Mechelen, Ruwaert over die Landen van Henegouwen,
van Holland, van Zeeland, ende van Vriesland, doen kont allen
luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede van
Oudewater aen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte
aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, 't welck
is t' alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude
Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz:
recht te versetten maer een werve 's jaers alsoo wy seggen,
ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in
haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem
geconfirmeert hadden; Soo is 't dat wy om des besten wille belast
hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten,
die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen,
tot die tyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken,
ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na
haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert
hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge
nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede
geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy
tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu
recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af
alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt,
alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des 't oirkonde
soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.
Gegeven in onsen Stede van Dordrecht, op den vyftienden dach
van Augusto, in 't Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht
en twintich.
Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder over Holland en
Zeeland benoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde
gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.
Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het
Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van
Diephold en dat de religieuse zusters Oudewater moesten ontruimen
en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling
treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249)
daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk,
in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.
Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430
had Philips zich in Holland, Zeeland en West Vriesland als grave weten
te doen huldigen [461], toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat
jaar zijne aanzienlijke magt weder met meerder regt bevestigd werd.
Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan
met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het
huwelijk treden, en toch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim
met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren
nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.--Men
begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de
zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende
Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkheden Voorne, Zuid-Beveland,
en Tholen, benevens de tollen van Holland en Zeeland gedurende haar
leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder
in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde
hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.--
De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten
kroon geluk aanbrengt!
Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging
de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig
ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te
worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg
zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden
deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang
geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die
van Oudewater niet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende,
zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.
Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze
landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op de Oost-Zee handel
te drijven.--Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te
hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van
beide zijden het gevolg.
De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog
aan te doen, versterkt door een verdrag dat zij sloten met den Hertog
van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in
1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden,
de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen
namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten
en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen,
begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd
eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips
een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen,
en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond
zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn"
en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden--voorts
moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden
omtrent 80 »Baardsen" zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna
geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo
moest dan ook Oudewater zorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse"
in gereedheid te hebben. [462]
Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt,
gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat
men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout
derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon
van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in
1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van
Holstein verzoende, enz., enz.
Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop
van een paar jaren, met meer hevigheid dan ooit te woeden, zoodat in
verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog
liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en
wereldlijken magt konden beteugeld worden. Oudewater moet echter vrij
rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren
en Raden van Oudewater geschreven, dat zij op een en ander een zeer
waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder
herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande
van Holland wesende" en tevens beval de Grave er bij, dat indien de
poorters van IJsselstein het in hunne gemeente te kwaad kregen door de
troebele tijden, dat die van Oudewater dan, het zij bij dag of nacht,
hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er
des te veiliger zouden kunnen zijn.
De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te
vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het
geviel, dat die van IJsselstein de wijke binnen Oudewater zochten,
dat men dan in Oudewater beter in staat was de stad te bewaren, om het
grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is
ons echter niet gebleken, dat de poorters van IJsselstein ooit van
die vergunning hebben gebruik gemaakt.
Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig
bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen
der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds
in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden van
Oudewater als mede eene van Anno 1456.
Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de
klagten der steden Schoonhoven, Oudewater, Woerden, Weesp, Muiden en
Naarden over het vorderen van morgen geld in het Sticht van Utrecht
gedaan, dat die van Holland in het Sticht van Utrecht geërfd zijnde,
niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.
Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrent Oudewater
vermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar
1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel
den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden
waaronder ook Oudewater als graaf werd erkend. [463]
Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten
vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad
oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn
geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen-
als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden
moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks,
van hem omtrent Oudewater aantreffen.
Hij sneuvelde in den slag bij Nancy ten jare 1477, nalatende eene
dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering
opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en
tweespalt van binnen.
In Holland toch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de
Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.
De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene
steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van
hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen,
die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden
uitweken, en alras door Hoekschen vervangen werden. [464] Dit toch
gebeurde onder anderen te Gouda, Schoonhoven en elders en zoo ook
spoedig in Oudewater.
Van Berkum, in zijne beschrijving van Schoonhoven maakt over een
en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij
van Schoonhoven hersteld was, stond de gemeente te Schoonhoven onder
dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als
de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij
heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden
vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van
der Veer, stadhouder van Holland, verzoekende van hem, in de stad in
hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te
zijn, doch er volgde niets op, en Schoonhoven bleef Hoeksch, en bragt
met die van Dordrecht en ter Gouda even na paschen in het jaar 1479,
Oudewater insgelijks aan die zijde." [465]
Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.
Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk
getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in
de lente des jaars 1478 deed hij als kerkelijke voogd en momboir
van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen,
wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid
door de staten gedaan, [466] en spoedig (den 6 April 1478) werd dan
ook Oudewater door Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd,
zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.
Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op
de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder
de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard
hadden, troffen wij ook Oudewater aan, [467] niettegenstaande Gouda
en Schoonhoven »met loosheden" de stad aan hare zijde gekregen
hadden. [468]
Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van
Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van
die partij, en zoo stout werden zij, dat Leiden waaruit zij verdreven
waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne
tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is,
alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was, Oudewater
weder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die
gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan
uit Holland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste
in de steden te herstellen, dat hem echter nergens gelukte dan te
Hoorn en te Gouda. [469]
In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig in Oudewater af. Eerst
werd het hoekschgezinde Dordrecht ingenomen, en daarna vielen ook
Schoonhoven en Oudewater weder in de magt der Kabellaauwschen. Tot
het innemen van Oudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier
stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert
met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor
gestraft. [470]
Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de
regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve
eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen
naar Dordrecht, Gouda, Oudewater en Schoonhoven, alwaar hij de
verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde [471]
en aldra onderwierp ook Leiden zich aan den Grave.
Nadat de zaken nu aldus door Maximiliaan in orde gebragt waren,
was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op
de Stichtsche grenzen liggende Oudewater was die krijg alles behalve
rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot
dien oorlog een weinig ontwikkelen.
De stad Utrecht, alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren
Bisschop David van Bourgondië, die de stad had moeten ruimen, was
in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de
Utrechtschen, die onder Reijer van Broekhuisen Leiden hadden helpen
bemagtigen, waren niet zonder buit naar Utrecht gekeerd. Dit, doch
vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten,
tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied
bevonden werden, zelfs werden die van Utrecht alomme in Holland
vast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men
den ijverig hoekschgezinden Burggrave van Montfoort en de hoeksche
ballingen uit Utrecht deed vertrekken, dit geschiedde echter niet,
en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg,
die drie jaren duurde.--Men zeide in Holland wel, dat die oorlog
gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren
te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche
ballingen in de stad. [472]
Wel poogde Utrecht een verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos,
Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid
zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken,
en dit gelukte hem niet. [473]
Naarden werd nu door de Stichtschen verwoest en Jutphaas door de
Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op de Vaart
sloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er
den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, na Schoonhoven,
na Oudewater, na IJsselstein en na Woerden, niemant en sach na den
anderen om." [474]
Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de
goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht
veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt,
en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er
in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnen
IJsselstein, Oudewater en Woerden, en ook Weesp werd van meerder
krijgsvolk voorzien. [475]
In het volgende jaar, werd er te Schoonhoven eene dagvaart gehouden,
tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, en Utrecht
ter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche
vijandelijkheden gingen even hevig haren gang. [476]
Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne
van Holland, en haar eenige zoon Philips, een kind van vier jaren,
was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan
zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van
getrouwheid der Hollanders.
Na dit vermeld te hebben, willen wij Oudewater en omtrek verder hun
rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.
Noodwendig moeten wij met den aanslag op Dordrecht in 1482 beginnen.
De Burggrave van Montfoort dan, had in genoemd jaar een aanslag
ondernomen op Dordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding
hield, [477] en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien
van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten
daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van
Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die
Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voor Dordrecht en
alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en
voeren die Mase op tot voorby Vloerdinghen. Dit hadden die Hollanders
schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen
den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren
in roere, ende vele van die schepen voeren na Zeeland ende dardere
keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende
gingen nader Gouda toe, ende daer stont een blockhuys opten dyck,
dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man
verloren »ende sy worde van die van der Gouda achtervolgt, maer sy
en deden hen niet, ende ghenakende die stede van Oudewater quamen hen
te ghemoet die knechten, en een deel poorters van der stede, ende sy
hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen
vast volck af, maer die van Oudewater hadden tmeeste verlies van hare
poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die
van IJsselsteyn daer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus
met grooter avontueren weder binnen de stad van Utrecht. [478]
Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en
met name Oudewater zich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die
van Utrecht nooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van
eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden
diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag op Utrecht
voorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven
boeten. [479]
Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk van Oudewater
gewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des
geschuts in den omtrek, wel zullen die van Oudewater deel hebben
genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd«
in de gehouden dagvaarten.
Doch onze orde van zaken vordert, dat wij vlugtig nagaan wat er
inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige
weinige jaren Oudewater weer in de geschiedrollen vermeld vinden.
Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder van Lalaing, de sloten
van Harmelen en de Haar bemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden
toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote
partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogden
IJsselstein te bemagtigen, doch vruchteloos, en de Hollanders namen
zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David,
weder het Blokhuis op de Vaart terug, dat kort daarna ten gronde toe,
werd geslecht.
Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de
Hollanders in 1483 ook Montfoort, eveneens met het voornemen, dit ten
gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het
beleg weder spoedig op.
Nu was het de beurt voor Utrecht zelve. Nog in dit jaar werd het
belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij
verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnen Utrecht met grooten
luister, en de Bisschop die gevangelijk naar Amersfoort was gevoerd,
werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het
einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stede
Oudewater zijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.
Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden,
weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die
tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan
zooveel mogelijk partij te trekken. [480]
Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend,
zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder
aantreffen.
Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde,
bemagtigde nog in 1488 Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen
hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der
steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voor Schoonhoven,
doch met verlies van meer dan 200 man, oorlogswerktuigen en schepen,
weken zij naar Rotterdam terug. [481]
Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave van Montfoort, het slot te Woerden,
van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het
vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en
landbouwerswoningen.--De omtrek van Oudewater had een zeer lastigen
nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden
veel van hem te lijden. [482]
Zóó naderde het jaar 1489--Maximiliaan was nu sedert de
wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd,
om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche
steden uit, waaronder dus ook Oudewater, tot het beteugelen der
hoeksche woelingen.
Het eerst moest nu Rotterdam weder aan zijne zijde gebragt worden,
en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans,
integendeel poogde Schiedam te verrassen, dat hem echter niet
gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat
zij bemagtigden, en met de stede Geertruidenberg die zij overrompelden,
doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden,
leden zij nabij Rotterdam eene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg
was, dat Rotterdam weder overging.
Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan het
land had afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst
poogde hij in het begin van October 1489, Naarden in te nemen, doch
het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over die teleurstelling,
of, dat hij dacht, dat men te Oudewater niet zoo op zijne hoede
zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in
dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voor
Oudewater verscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij
genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich
vergenoegen moest, den toren van buiten de stad gezien te hebben. [483]
De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige
binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander
oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den
handel, te meer voor een stedeke als Oudewater, dat met zijne kleine
schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de
bovenzijde was, door Montfoort en Woerden en beducht als men dus moest
zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig
dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk
ging maken.
In 1490 dan, werd Montfoort belegerd, en na grooten tegenstand, die
den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt
van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige
voorwaarden bedongen en Holland en Oudewater behoefden ingevolge dat
verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij
ook Woerden had moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar
jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent
1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen,
die nu bijna 150 jaren geduurd had.
Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de
regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den
II, als Grave van Holland en Zeeland ingehuldigd.
Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in
de bescheiden van Oudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij
aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen
te mogen doen opsluiten binnen Schoonhoven, Langerack, Liesveld en
Oudewater en het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de
voetboogschutters van het St. Joris Gild te Oudewater.
Wij hebben dit voor Oudewater belangwekkende octrooi, ter behoorlijke
plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt,
en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van,
moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden
zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ook
Oudewater weder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de
Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd van Oudewater,
dat het legt "op die frontieren van onsen landen van Holland strekkende
aan den gestichte van Utrecht ende lande van Gelre" enz.
Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukking Gelre
gebruikte.
Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot
tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter,
hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op
het einde der 15de eeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd
der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen
der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor
den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk, dat de Hollanders
en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten
ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand,
doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen
van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot
wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in
genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig
is, dat Oudewater zoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had,
niet alleen van Utrecht als oock van de voorsz. lande van Gelre.
Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een
zoon te Gent geboren werd, die wij later onder den naam van Karel
den II [484] zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen
oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.
Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij
behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten
onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van
twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed
in het jaar 1506 te Burgos in Spanje, en Karel volgde hem in dit jaar
op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.
De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan
opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne
dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in
1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakte verdrag
met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs
fransche hulpbenden.
Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval in Holland beducht
was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in
drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bij Nijmegen lag, hadden de
Hollanders het meeste te vreezen.
Nadat hij nu in Brabant vele veroveringen gemaakt had, viel hij in
Holland. Men poogde Oudewater te verrassen, doch de bezetting en de
poorters hielden zich dapper en Oudewater werd niet genomen, »het
mislukte" schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren." [485]
Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immers Bodegraven
werd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot
te Muiderberg en de stad Weesp werden bemagtigd. Hevig was de strijd,
die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd
er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond
men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig
bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich
stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld in
Groningerland.
Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over
zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige
Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende
hij dan ook als grave gehuldigd.
Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt
is het volgende:
De schouw en de zorg der dijken in Holland was, van de tijden van
Willem de II toevertrouwd geweest aan dijkgraven en heemraden, die
uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu,
had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo
het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de
waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het
te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf
nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de
dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende
tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij
een voet lands in deze gewesten bezat.
Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden
werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.
Onder de archieven nu, die Oudewater bezit, vinden wij eene
geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi,
tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk van Bodegraven af
tot den Linschoterdijk toe, door 5 heemraden, als een uit Delft, een
uit Leijden, twee uit Gouda en een uit Oudewater, met den castelein
en dijkgrave van Woerden, ook ten onzent had men dus redenen van
ontevredenheid.
Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voor Oudewater hadden
gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in
eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in
het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk
eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers te
Mechelen tusschen den heer van Montfoort, appellant ter eenre, en
den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende
de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of
IJsselpoort der stede Oudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op,
maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.
In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen
wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne
toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om
geene »stilzaat" met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen
te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen
[486] en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde
maand Nieuwpoort bij Schoonhoven te overrompelen. [487] Nu was men
insgelijks voor Oudewater en Woerden bezorgd, en het Hof gaf dra,
in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en
hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen
schuilen, te slechten en uit te roeijen. [488]
Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het
ter neder te schrijven.
Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer tot Breda &c. Stadhouder
Gnail., die President ende Raide des Coninx van Castille, van
Leon, van Grenade, van Arregon &c. Eertshertoege van Oistenryck,
Hertoege van Bourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen
van Holland, Zeeland en Vriesland, den Eersten gezwoeren Boede
Exploictier van der Camere van den Raide in Holland hier op
versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden
deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen
ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten
Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list
voirsien behoert te wesen en te remedien over 't gunt dat tot
cruchenisse d'selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy
verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede van Oudewater
veel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die
vianden hem selven souden moegen bergen en soe na derselver
Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten
noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen
moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te
gebueren tenderende tot verlies van d' selver Stede, wair inne wij
behoeren te voirsien, soe is 't dat wy u ontbieden ende bevelen,
dair toe committeeren mits des, is 't noot dat ghy van stonden
aan trect binnen der voirsz. Stede van Oudewater, ende aldaar
bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen
der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende
Boomgairden ofte andere Landen binnen acht honderd treeden van
de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte
andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen,
dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der
Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh
Phls: Guldens dieselve 't appliceren halff tot Pro: van der
C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander
Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier
van d' voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en
Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de
voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen
binnen den voirsz. tyde dat hy 't selve doe doen tot costen van
den genen die in gebreeke sal wesen en 't selve offgebroecken
appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van 't welk
te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel
ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u
wedervaren sal wesen.
Gegeven in den Hage onder 't Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken
hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in 't Jaar
ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven
By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide van
Hollant, Zeelant ende Vriesland. Ondergeteykent C. DAM.
Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin
der 16. eeuw nog in den omtrek van Oudewater was en het is tevens
opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden
dijk," nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit,
kan zien.
Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515
overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid,
of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in
het geheugen lag.
Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer
er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van
beide partijen slecht gehouden werd.
Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar
elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen,
en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren
ingelijks van voornemen Oudewater vaarwel te zeggen. De verdediging der
stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nu Oudewater pogen te
nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien
aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar
van wege »zijn C. M." aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte
van lijve en goed binnen Oudewater weder te keeren, en het spreekt
van zelve, dat aan hen, die de gemeente nog niet waren uitgetogen,
dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk
verboden werd. [489]
Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen,
werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.
Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave van Holland in
1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van
Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert
nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook
aldus, bij voorkeur zoo noemen.
Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld,
met den franschen Vorst François den I.
De hevigheid van den krijg drukte Holland zeer, trouwens alle
leenmannen werden ter heervaart ontboden, niet om het graafschap, maar
den keizer te dienen, [490] en ook de steden moesten ieder een zeker
getal weerbare mannen aanbrengen.--Voeg hier bij, dat de gelderschen
in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar in
Holland vele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld
van den benarden toestand van deze gewesten.
Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield,
en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat
men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij,
die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets,
dat te meer algemeen vreugde verwekte. [491]
Een en ander had echter 's lands middelen zóó uitgeput, dat men in
1525, f 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door
de staten, waarbij ook de gemagtigden van Oudewater waren, om een
aantal redenen geweigerd.--De staten tegen den 17 Junij wederom te
Geertruidenberg beschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden
van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had,
om genoemde som bij een te brengen.--De afgevaardigden eenigsins aan
het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor
het einde der maand, zoo mogelijk met gunstiger rapport te Breda te
verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden,
dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook
aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maar Delft, Oudewater
en Alkmaar benevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt
als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen
tijd er na, besloten echter de staten, Delft alleen uitgezonderd,
een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.
Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527
werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg
onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.
De stad Utrecht intusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop
in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van
Gelre eenig krijgsvolk in Utrecht gelegd en men begrijpt, dat deze
zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag
meer in het Sticht uit te breiden.--De Bisschop geen kans ziende,
de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij
in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land
van beide partijen zeer te lijden. [492]
De Hollanders het innemen van Utrecht vernomen hebbende, baarde hun
dit veel ontsteltenis.--Terstond werden maatregelen genomen tegen
eenen zoo lastigen nabuur.--Onder anderen werd er bevel gezonden naar
Amsterdam en Gouda, om krijgsvolk te zenden naar Weesp, Oudewater en
andere grenssteden van Holland.
De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige
grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen, Amsterdam had
versterking gezonden naar het slot te Muiden, doch zij werden niet
binnen gelaten. Gouda had aan die van Oudewater insgelijks eenige
knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen. [493]
Wat was de reden van die weigering van Oudewater? Bestond er eene
vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig
had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden
met die van Oudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den
dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het
hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.
De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond
te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van
State, waarin de hertog nevens de stad Utrecht, verklaarden in goeden
vrede en nabuurschap met Holland te willen leven.
De Bisschop, nog steeds uit de stad Utrecht gebannen zijnde, verzocht
in dit jaar om onderstand aan Holland, en men kwam om die rede te
Schoonhoven bij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en
vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer
aangelegen was, dat de Gelderschen uit het Sticht werden verdreven. De
bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van het Sticht
den keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en
zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den
alouden Hollandschen bodem.
De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen
er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden,
de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528
toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbij Montfoort en
Woerden naar den Hage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.
Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd
door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere
niemand, dat de krijg wederom heet werd.
Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het
voornaamste, was het verlies van Utrecht, dat hen bij verrassing
in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel
hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer van Utrecht
zoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten
werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen
weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.
Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering
in Utrecht gehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied
van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uit Oudewater waren
er tegenwoordig. [494]
Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrent Oudewater vinden
gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere van Montfoort,
dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe van
Linschoten, Snellerwaard en Heekendorp zal mogen gevangen brengen,
in Z. K. M. gevangenisse binnen Oudewater tot zijner majesteits of
zijner erven weder opzeggen.
Wij zien dus, dat nu het Sticht onder het gebied van den keizer stond,
Montfoort ook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.
Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot
bij de Linschoter poort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in
het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de
Wierinken. [495]
Nu Utrecht dan ook met Holland onder een gebied staat, zal het niemand
verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet
zoo menigvuldige openlijke gevechten met Oudewater hadden; Oudewater
had vooreerst het groote periode doorleefd, grensvesting te zijn,
tegen het trotsche Sticht van Utrecht.
Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer
beschrijving niet, of weinig, in algemeene noch bijzondere geschiedenis
vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten
gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta,
kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in
groot getal te Brussel begroet, en ook nu werd Oudewater wederom
vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin van
Hongarije, tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij
weder naar Duitschland vertrok.
In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre die Oudewater, zoo als
wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van
die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen,
had de woelige van Egmond Holland beoorloogd.
Nog in dit jaar was men ook namens Oudewater op een aantal dagvaarten
tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of
men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten
zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden,
en de edelen met de kleine steden, waaronder Oudewater. Wij mogen het
echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen,
doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot
en met 151.
Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder over
Holland en Zeeland geweest was, overleed hij in dit jaar, wordende
nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van
Chalons prins van Oranje.
Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd,
met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen
omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum
weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra
deze gewesten weder verbazend te lijden.
Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den
ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had
uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden
weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te
willen afstaan, indien de landvoogdesse Holland er mede bevrijden kon
van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was in
Holland voor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen
tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed
begrijpen, waarom men in het jaar 1542 te Oudewater voor het eerst
van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen,
zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de
muren der stad te vervoegen.
Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang,
èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn
omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken
van Oudewater in dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den
inhoud nader van te doen kennen.
Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad
eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.