De Rotterdamsche burgemeester M. VERROEN enz. enz.
Onder de nog levende noemen wij met achting:
den oud-resident van Tagal op Java J. A. VRIESMAN, ridder der orde
van den Nederlandschen Leeuw enz., enz.,
den hoofd-Ingenieur van den Waterstaat N. I. VAN DER LEE te Deventer,
den priester J. BAALE, oud Biechtvader aan het Zweedsche hof van
H. M. de Koningin,
den oud Missionnaris op Curaçao, gem. Sancta Rosa J. J. PUTMAN,
nu R. K. Priester en Kanunnik te Utrecht, en
den bekenden schrijver R. C. H. RÖMER, Dtr. in de theologie en
predikant te Deil en Enspijk.
Op bladzijde 164 dezes werks, mijne geachte lezers, eindigden wij de
onbeschreven geschiedenis van het oord onzer beschrijving, zijnde
wij alstoen genaderd aan anno 1265, het jaar waarin de beschreven
geschiedenis van Oudewater aanvangt.
Wij hebben toen--als onzes inziens het beste geschikt om de
ontwikkeling der stad te kunnen nagaan--de voornaamste gebouwen van
Oudewater beschreven, zoowel wat hunne gedaante, als geschiedenis
betrof, gingen de regeringsvorm en regeringspersonen kortelijk na,
die hier waren of nog zijn, en besloten met de vermelding der voorname
en geleerde mannen, die in de plaats onzer beschrijving het eerste
levenslicht aanschouwden.
Veel is er echter nog, dat wij in deze hoofdstukken niet konden
inlasschen. Zoo hebben wij, bij voorbeeld slechts vlugtig, of
in het geheel niet kunnen gewagen, van belegeringen, van rampen,
brand en ziekten, die het stadje te verduren had, van den bloei en
welvaart die het vervrolijkte, enz. Wij hebben bijna geen personen
of corporatien hunne treurige of niet treurige rollen zien afspelen,
hen niet handelende kunnen laten optreden, en aangezien wij dit
alles nu, volgens ons plan nog willen beschrijven, in de gelegenheid
gesteld door meerdere oorkonden, handvesten, enz. enz. dan waarvan
wij reeds gewaagden, zoo hopen wij dit alles kortelijk te schetsen,
in het volgende hoofdstuk, dat wij om bovengenoemde redenen, willen
noemen zoo als hier achter volgt.