NAAMLIJST,

voor zoover die op te sporen was, van personen, die ter zake van

toverij beschuldigd werden, en zich van tijd tot tijd in de Waag van

Oudewater hebben laten wegen. [293]

»Maria Konings, Dochter van Gerard Hesseling, anders genaamt Konings,

en Anneke ter Brugge, woonende te Konings in Zurik in den Kaspel van

Boekholdt, in den Gestichte van Munster, gewoogen den 24 Februarij

Ao. 1644. [294]

Leentje Willems, Huysvrouw van Jan Aertsz., woonende in de Lange

Linschoten, onder de Parochie van Oudewater, gewogen Ao. 1647.

Jacobye Paulus, Huysvrouw van Steven Willems, woonende in de Boerschap

van Wapenveld, onder het Schout-ampt van Heerde, gelegen in de

Provintie van Gelderlandt, gewoogen den 2 Mey Ao. 1677.

Marritje Cornelis, Huysvrouw van Thomas Bastiaansz. woonende over

Lecq in Langeracq, gewoogen den 13 January Ao. 1681.

Sybilla Essers, Dochter van Jacob Essers en Geertruyd Weyers, woonende

in den Dorpe van Kleinenbroek, onder Zutphen, omtrent twee uuren van

Nuits, gewoogen den 23 Mey Ao. 1694.

Aaltje Brouwers, Huysvrouw van Frans Fransz., geboortich uit de

Heerlykheid Borculô, Vlekke Heybergen, gewoogen den 25 September

Ao. 1694.

Maasje Faessen, Huysvrouw van Jan Aartsz., geboore in 't Waal,

omtrent een half uur van de Vaart, over Vianen, gewoogen den 17

September Ao. 1710.

Geertruyd Hendriksz. van Beek, Weduwe van Christoffel Klads, woonende

op 't Zandt te Utrecht, gewoogen den 23 Maart Ao. 1711.

Lysbet Jans van Wout, Weduwe van Pieter Ariensz. Vosmeer, woonende

binnen Montfoort, gewoogen den 15 Mey Ao. 1713.

Neeltje Paulus Pols, geboortich van Bergh-ambacht, woonende in Honkop,

gewoogen den 31 Mey Ao. 1728.

Klaas Ariensz. van den Dool, gebooren te Noordelois, en Neeltje

Ariensz. Kersbergen, geboortich van Lakerveld, Man en Vrouw,

woonachtich op den Dool onder Meerkerk, gewoogen den 21 Juny

Ao. 1729. [295]

EXTRACTEN uit de Registers van Judiciële en Dagelijksche Acten der

Stede Oudewater.

»Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater

in Hollandt, doen kont en certificeeren eenen yegelyken mits

dezen, ten versoeke van Maria Konings, oudt, zoo sy seydt,

omtrent zes en twintig Jaren, dochter van Geeraerdt Hesseling,

anders meede genaemt Geeraerdt Konings, ende Anneken ter Brugge,

wonende by Barendt Konings haren Broeder, te Koninkx in Surik

in den Kaspel van Boekholdt, in den Gestichte van Munster, op

een Hofsteede toebehoorende zyn Hoogheydt, den Heere Prince van

Orangien, weesende van deylbaren stature, met een vrattjen aan

de rechter zyde van hare kinne, ons voorgestelt by Johan Duyst,

Burgemeester der voorschreeve stadt Boekholdt, volgens zyn acte

van Certificatie van Burgemeesteren en Schepenen van Boekholdt,

ons vertoont ende gebleeken; dat op huyden voor ons Compareerden

de E. Willem Pietersz. Tromper en Johan van Rodenburg, beyde

Oudt-Burgemeesteren, en jegenwoordig Schepenen in dienste,

mitsgaders Cornelis Gysbertsz. Bodegrave, gesworen bedienaar

van deser Stads Wage, dewelke ter instantie en versoeke van

de voorschreven Maria Konings verklaarden, hoe waar is, dat

de voornoemde Cornelis Gysbertz. Bodegrave de voorschreven

Maria Konings ten haren ernstigen versoeke en requisitie, in

tegenwoordigheydt van hun Comparanten ende meer andere personen, na

dat zy by Jannetje Barents ordinaris Vroed-Vrouwe deser Stede, met

voorgaande Ondersoek, verklaert was dat de gemelde Maria Konings

tot hare Onderkleederen ontkleedt, ende de schoenen uyt-getogen,

niet van eenige zwaerte off gewichte by haar was hebbende, met

de balance in de Ordinaris wage deser stede Oudewater gewogen,

ende dat hun Comparanten en allen evidentelyken gebleken is,

dat de voornoemde Maria Konings, alleenlyk gekleedt en ondersogt

zynde als voren, was wegende hondert vier en dertig ponden

zodanige oprechte [296] Troysche wichte als men ordinaris in de

voorschreven Wage is gebruykende, zulks dat wy mede by dezen

certificeeren, dat deselve Wichte met de naturelyke proportie

hares lichaems wel is accorderende. Ende alzoo de voorschreven

Maria Konings aen ons versogt onse opene Brieven van certificatie

van de voorgenoemde Verclaringe, om haar daar mede te dienen in

tydt en wylen, daer ende wanneer haar zulks noodig en te raden

wesen zal, ende men gehouden is de waarheydt te getuygen, in

zonderheyd daar toe versocht zynde: Zoo hebben Wy haer 't zelve

versoek niet kunnen nog willen weygeren, zonder bedrog: des

't oirconde hebben wy deser Stede Zegel hier onder aengehangen,

ende by onsen Secretaris doen onderteykenen. In den Jare onses

Heeren ende Zaligmakers Duyzent Zes hondert Vier ende Veertig,

op den XXIIIJ. February. (Onderstondt.) Ter ordonantie van de

Heeren voornoemt geteekent.

(Was getekent) H. de Hoy.

(Onderstont)

»'T voorschreven ge-ëxtraheerde by my ondergeschreven Secretaris

der Stede Oudewater accorderende bevonden, met de vordere

Verclaringe: dat in mynen voorschreven dienste veele persoonen

invoegen voorseydt in de Wage alhier zyn gewogen, met gelyke

Verclaringe mutatis mutandis als vooren: en specialyken noch

in den lest voorleden Jare 1647, drie verscheyden persoonen;

onder anderen eene Leentjen Willems, Huysvrouwe van Jan Aertsz.,

wonende in de Lange Linschoten onder de Parochie van Oudewater,

't Oirkonde geteekent dezen VII. January 1648 (en was geteekent:)

H. De Hoy.

»Wij Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater, in

Holland; doen cont ende Certificeeren mits dezen, ter requisitie

van Jacobye Paulus, huisvrouwe van Steven Willems, wonende in

de Boerschap van Wapenvelt, onder 't Schoutampt van Heerde,

gelegen in de Provintie van Gelderlandt, oudt, zoo zy seyde,

omtrent 40 Jaren, wesende kortagtigh van Persoon, bruin van

hair, en blaauw van oogen, langwerpigh van aangezigt, en onder

aan haer Rechterwang een rood vlakje, Dat op huyden voor Ons

gecomen en gecompareert zyn, de E. Gysbert Isulsteyn, en Jacob

de Gyselaar, Schepenen deser Stede, mitsgaders Adriaen Munter,

geswooren Bedienaar van deze Stede Wage, dewelke ter instantie,

ende naerder versoeken van de voorn. Jacobye Paulus, verklaerden

waer en waerachtig te wezen, dat de voorn. Adriaen Munter, de

genoemde Jacobye Paulus op haer speciael en ernstige versoeken,

ende in de praesentie en tegenwoordigheid van de voorn. Schepenen,

Waagmeester, en andere Notabele Personen, na dat by Niesken

Gerrits, Ordinaris Vroedvrouwe alhier publicquelyk verklaerd

was, dat de meergemelde Jacobye Paulus, blootshooft, schoenen en

hoosen uytgetogen, gekleet met een onderrokje over haar hembd,

geenige wichte ofte swaarte by haer hadde, met de Ordinaris

balance in de Waag alhier gewogen heeft Een hondert en een pont,

sodanige oprechte Troyaense wichte, als men ordinaris in deser

Stede Waag is gebruykende, zulx dat wy by desen Certificeeren,

dat de voorsz. gewigte met de Natuurlyke proportie haeres Lichaems

wel is accordeerende; Ende alzoo zy daer van versogte onse opene

brieven van Certificatie, omme deselve haar te dienen daer, en

zoo zulx behoort, hebben wy haer 't zelve, niet konnen nog willen

weygeren, zonder bedroch, en tot meerdere verzeeckeringe deses,

hebben wy den zelven mettet stede Zegel ende ondertekeninge van

onsen Secretaris bekragtigt, op den 2 Mey 1677.

»Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater in

Hollant doen Condt en Certificeeren mits deesen ter requisitie

van Geertruyd Hendriks van Beek, weduwe van Christoffel Clads,

woonende tot Utregt op 't Zant, out, zoo zy seyde, omtrent twee en

seventig jaren, lang van persoon, mager van wesen, hoog blaauw van

oogen en grys van haar, dat op huyden voor ons gecompareert zyn de

Heeren Jan van Lexmont ende Jacob Bakker, Schepenen dezer Stede,

mitsgaders Cornelis van Eynthoven (by absentie van zyn vader

Dirk van Eynthoven) beëdigde Waagmeester van deze voorzs. Stede

Waag, by ons ten deese geauthoriseert, dewelke ter instantie en

verder versoek van de voorn. Geertruyd van Beek, verklaarde waar

ende waaragtigh te zyn, dat den voorn. Cornelis van Eynthoven de

genoemde Geertruyt van Beek op haar speciaal en ernstig versoek,

in presentie en tegenwoordigheyt van de voorn. Schepenen,

geauthoriseerde waagmeester ende andere notable persoonen,

na dat by Jacomyntje Aertz Dekker ordinaris Stads Vroetvrouw

alhier publiequelyk was verklaart, dat de meergemelde Geertruyt

van Beek bloots hoofts, schoenen ende kousen uytgetoogen,

alleen met haar hemdt over haar bloote lichaam, bedekt met een

Faly off sluyer, en genige gewigten off swaarte by haar hadde,

met de ordinaris balance in de Waagh alhier gewoogen heeft een

hondert ende twee ponden, soodanige opregte Troyaansche gewigten,

als men ordinaris in deser Stede Waagh is gebruykende, zulks

dat wy by deesen Certificeeren, dat de voorsz: gewigte met de

naturelyke proportie haares lichaams wel is accorderende, ende

alsoo zy daar van verzogte onse opene brieven van Certificatie,

om de selve haar te dienen, daar het nodigh weesen sal, hebben wy

haar 't selve niet kunnen nogh willen weygeren, sonder bedrog:

ende tot meerder sekeringe deeses, hebben wy deselve met het

Stede Zegel ende ondertekeninge van onse Secretaris bekragtigt,

op den drie en twintigste Maart, seventien hondert en elff.

»Wy Burgemeesteren, Schepenen ende Raden der Stede Oudewater in

Holland, doen Cond en Certificeeren mits deezen, ten verzoeke van

Claas Ariensz. van den Dool, geboortig te Noordeloos, oud ontrent

37 Jaren, kortagtig en eenigsins spitsig van Ligchaam, hebbende

blaauwe oogen, hoog bruyn van vel en hair, en Neeltje Ariens

Kersbergen, geboortig van Lakerveld, oud omtrent 31 Jaaren, matig

van postuur en hoog Zwanger, bruyn van vel, blaauwe oogen, Man en

Vrouw, woonagtig op den Dool onder Meerkerk, dat op huyden voor

ons verscheenen zyn d'Heeren Dirk van der Lee, en Gerrit Ingen van

Liesveld, Schepenen dezer Stede, mitsgaders Jan Racaute, geswooren

Waagmeester, dewelke ten verzoeke van de Requiranten verklaarden

waar en waarachtig te zyn, dat door den voorn. Waagmeester Jan

Racaute op ernstige instantien van de Requiranten, in presentie van

de voorn. Heeren Schepenen en andere notabele persoonen, op Huyden

den voorsz. Klaas Ariensz. van den Dool in dese Stede Wage met de

ordinaire balance en opregte Troyaansche wigte, gelyk men altoos

in deeze Stede Waag gebruykt, is gewoogen, na dat Philip vander

Werff Geregts-bode dezer Stad had verklaard, dat denselve Klaas

Ariensz. vanden Dool, door hem was ontkleed, schoenen en koussen

mitsgaders andere kleederen uytgetoogen, en zulks alleen in zyn

hembd, zonder dat hy eenige zwaarte van gewigten by zig had, en

is denzelven persoon bevonden zwaar te weezen een honderd twee

en twintig ponden, der voorsz. Troyaansche wigte; wyders is de

voorn. Neeltje Ariens Kersbergen invoegen voorsz. meede gewoogen,

en naar dat door Jacomyntje Aertz Dekker Stads Vroedvrouw alhier

meede verklaard was, dat de meergem. Neeltje Ariens Kersbergen

door haar was ontkleedt schoenen en koussen uitgetoogen, en zulks

alleen bedekt met haar hembd en zwarte falie over haar bloote

Lighaam, hangende het hair los by het hoofd, zonder datse eenige

zwaarte of gewigte by haar hadde, en is dezelve persoone bevonden

zwaar te weezen een honderd en tien ponden voorsz. Troyaansche

wigte: certificeeren vervolgens wy dat de voorsz. gewigte met de

natuurlyke proportie des lichaams van de requiranten beyde zeer

wel is accorderende bevonden, en alsoo zy daar van verzogten

onze opene brieven van certificatie om dezelve te dienen, daar

en zoo zulks behoord, hebben wy haarlieden 't zelve niet kunnen

nog willen weygeren, dit alles zonder bedrog; en in bewys van

waarheyd hebben wy deze met onze Stede Zeegel en ondertekeninge

van onzen Secretaris bekragtigt op den 21 Juny 1729."

In 1729 vinden wij alzoo van de laatste heksenweging gewag gemaakt,

en in dit jaar reeds zoo na grenzende aan onze verlichtende 19de

eeuw, zien wij ingevolge de laatste acte, deze weegkuur nog met de

meest mogelijke juistheid, met inachtneming van alle gebruikelijke

vormen ten uitvoer gelegd! Het was de laatste en gelukkig de laatste

weeggeschiedenis met de zoogenaamde heksen op de Waag, want, door

het meer en meer verstandelijk ontwikkelde menschdom, moest ook deze

laatste proef, al was zij onschuldig, in onbruik geraken! Maar waren

daarom de heksen-geschiedenissen, het beschuldigen van menschen als

toovenaars, en het geloof aan heksen, ook met de in onbruik geraakte

proef op de waag te gelijk verdwenen? Neen mijn lezers, neen,

het bijgeloof bleef voortsluipen tot in de 19de eeuw, het sluipt

nog voort in onze dagen. Waar het zich op vele plaatsen niet meer

openlijk vertoont, daar schuifelt het gelijk een venijnig serpent

onder het spigtig gras, en treft met zijn schadelijk gift, dat het

met zich omvoert, soms nog vrij zeker. Immers hoe dikwijls berigten

ons de dagbladen nog van heksen en beheksten, hoe menigmaal hoort

men, vooral onder de geringere volksklasse nog gewagen van personen,

die »meer kunnen dan menig ander."

Doch gelukkig wij zijn vooruitgegaan, en met rassche schreden

vooruitgegaan, en wie weet het hoe spoedig welligt, dat het bijgeloof

nog alleen bij name zal blijven voortbestaan! O moge die tijd spoedig

aanbreken.

Nog mijne lezers bevindt zich deze waag waarin men heksen woog te

Oudewater, nu echter de »heksen" er niet meer opkomen, dient zij

weer bijna uitsluitend tot het wegen van koopmansartikelen, levend

vee, touwwerk, kaas, [297] enz. terwijl het regt tot dit wegen van

stadswege van tijd tot tijd in het openbaar verpacht wordt.

Wanneer Oudewater door vreemdelingen bezocht wordt, dan vragen

zij natuurlijk alligt hen de heksenwaag te vertoonen, [298]

en onwillekeurig hoort men hen den uitroep ontsnappen: hé, wat

eenvoudig gebouw is die waag, heeft deze nu eene zoo groote rol in de

heksen-geschiedenissen gespeeld, wierd daarin zoo menig mensch van het

doemvonnis verlost, hen door het bijgeloovige menschdom aangewreven,

en ja zoo was het, dáár hielden de harten op angstig te kloppen,

dáár klonken voor slechts G. 6.50 den beschuldigde de bemoedigende

woorden tegen, ga, gij zijt vrij! wij hebben u gewogen en ....... niet

te ligt bevonden.

Geboortehuis van Jacobus Arminius.

Naast de stadswaag, of meer juist, door de Gasthuissteeg gescheiden,

bevindt zich het geboortehuis van Jacobus Arminius. Het is een

fraai huis, de voorgevel is naar de Ionische orde gebouwd, met vele

versieringen voorzien, en is getooid met het symbool der fortuin,

waarin sommige menschen verkeerdelijk het standbeeld van den eersten

remonstrant meenen te zien. Niettemin gelooven wij, dat het opschrift

van een marmeren steen, eertijds onder het beeld der fortuin aanwezig,

wel eenige betrekking op onzen lateren Leidschen hoogleeraar mag

gehad hebben; deze steen met dit opschrift, zijn echter uit den gevel

verwijderd, en welligt verloren geraakt, daar men ons verhaalde, dat

niemand het opschrift van dien steen kon ontraadselen. Wij moeten

echter opmerken, dat het huis niet meer in dien toestand is, als

toen Arminius daarin werd geboren, daar wij het jaartal 1601 in den

voorgevel vinden, en zijne geboorte reeds in 1560 plaats had. Stellig

echter is het huis weder op dezelfde plaats herbouwd, zoodat wij nog

met gerustheid mogen zeggen: zie dat is het huis, daar is de plek,

daar de groote Arminius het eerste licht heeft aanschouwd.

Voor eenige jaren (in 1854,) werden in het voorhuis, eenige

veranderingen aangebragt, waarbij tevens het volgende vers verwijderd

werd, dat men tot dusver het huis binnentredende met fraai geschilderde

gothische letters, daarin had opgemerkt:

Jammer, ellende en grooten nood

Is der regtvaardigen dagelyksch brood,

Die tot het eeuwige leven zyn verkoren

Steken veel distels ende doornen

Nog zal de Heer ten allen tyden

De vromen verlossen en verblyden.

Ps. 34.

Over Arminius zelve zal te gelegener tijd worden geschreven--alleenlijk

vermelden wij nog, dat in het huis zijner geboorte, nu eene grutterij

wordt uitgeoefend.

Het Stadhuis.

Het Stadhuis bevindt zich op het fraaiste gedeelte van Oudewater, het

is gelegen aan het begin der Kapelstraat en maakt met zijne bevallige

voorpui front naar het aangrenzende plein der Vischmarkt.--Lief

toch vertoont zich het Stadhuis van buiten aan ieder, die eenigen

bouwkundigen smaak bezit, immers, de voorgevel die naar de Ionische

orde gebouwd, en versierd is met het beeld, dat de geregtigheid

voorstelt, de voorgevel getooid met de wapenschilden der steden Delft,

Oudewater en Alkmaar naast elkander, die weder beheerscht worden door

den leeuw, die op het hoogste gedeelte des voorgevels is aangebragt,

en weder het wapenschild van Oudewater tusschen zijn gespierde pooten

houdt, dit alles maakt met de welaangebragte kleuren, die een en

ander bedekken, een aangenaam effect, dat nog verhoogd wordt, door de

sierlijke voorpui, die uit vitruvius gebouwd, en daarenboven getooid is

met vier zittende leeuwen, met wapenschilden boven de hoofdstukken der

pijlaren aangebragt, en het wapen van Holland in het midden vertoont.

Dit gebouw dagteekent van het jaar 1588, zoo als wij insgelijks nog

in den voorgevel uit eenige ijzeren ankers die dit jaartal vormen,

kunnen opmaken, het werd echter in genoemd jaar slechts vernieuwd,

op de oude grondslagen, boogen en muren, en met een leijen dak

gedekt. Uit dit dak rijst een fraai torentje, dat met eene daar

inhangende klok voorzien is, die ten tijde des Heeren van Kinschot

[299], onderanderen diende, ter bekendmaking der regtdagen, en

der gewoonlijke vergaderingen, alsmede het sluiten en openen der

poorten--zooals het tegenwoordig onder meer, voornamelijk gebezigd

wordt, tot bijeenroeping van den volke, indien er iets van de puije

des raadhuizen van lands- of stadswege wordt verkondigd.

Het Stadhuis is gebouwd op 4 boogen of verwulfsels: een dezer, aan de

voorzijde aanwezig, dient de nachtwacht, tot punt van bijeenkomst en

schuilplaats bij ongunstig weder, terwijl het tevens na afbraak der

Romein of Gevangentoren tot tijdelijke bewaarplaats voor misdadigers

is ingerigt, de overige drie »holen" zooals men ze noemt, worden van

stadswege tot bergplaats verhuurd.

Bezien wij nu vlugtig het stadhuis ook nog van binnen.

De trappen die wij tot dat einde moeten beklimmen, waren zoo als

Kinschot getuigt, van blaauwe Naamsche steen, en gemaakt door Duiliaan

Vlamingh, eertijds Mr. Steenhouwer te Delft, doch indien het uwe

belangstelling waardig is, zoo vermelden wij u, dat men in het jaar

1816 daarvoor andere heeft gelegd. Treden wij echter binnen--Al

dadelijk bevindt men zich op eene ruime voorzaal, aan wier einde

eertijds de vierschaar was. Op deze voorzaal werd sedert Ao. 1798 de

ringvergadering gehouden, waarvan Oudewater toen de hoofdplaats was,

waardoor ook alstoen de vierschaar vernietigd werd [300].

Regts aan den ingang dezer voorzaal bevindt zich de bodeskamer in

1857 daargesteld, terwijl aan het achtergedeelte, dáár ongeveer, waar

vroeger de vierschaar was, eenige wapenen,--overblijfselen van den

moord in 1575--tot eene trofée geschikt, deze voorzaal versieren [301].

Ter regterzijde verschaft eene deur toegang tot de Secretarie die

aldaar ten jare 1859 getimmerd is, deze doorgaande, komt men van

ouds in de weeskamer, die tot in dit jaar nog de Secretarie was,

doch in laatstgenoemd jaar tot burgemeesterskamer werd ingerigt;

ter linkerzijde, zien wij in dit laatste apartement eene deur in den

muur aangebragt; wij nemen de vrijheid deze te openen, en geleiden u

de raadkamer binnen, waarin eertijds ook het geregt zijne vergadering

hield. Reeds in 1834 en 1835 werd deze raadkamer veel verbeterd en

verfraaid, en ook nog in 1859 is veel tot versiering en tot gerief

hierin aangebragt, zoodat een en ander zich nu in zeer netten toestand

bevindt. Aan den wand, ontwaart men de portretten van de beroemde

mannen Jacobus Arminius, in der tijd hoogleeraar in de Godgeleerdheid

te Leiden, en Mr. A. Van Stipriaan Luiscius, eertijds Med. Doct. et

Chem. Lect. te Delft, beide te Oudewater geboren.

Wat wij echter op deze raadzaal nog meer opmerken, is het groote

beroemde schilderij van den Utrechtschen schilder D. Stoop,

voorstellende den moord der Spanjaarden in 1575 te Oudewater gepleegd,

zoo als nog daarenboven uit het volgende originele opschrift blijkt.

Oudewater onder Philip II, Koning van Hisp. door beleit van Hierges

belegert 19 Julij, is nae dapperlyk beschieten, ende grouwlyk gevegt

stormenderhand ingenomen; Soldaten, Burgers, Vrouwen en Kinderen

wreedlyk vermoord ende de Stad verbrand, op den 7 Augusti 1575.

Behoeven wij het wel te zeggen, dat waar een Stoop zoodanig

tafereel vervaardigd heeft, het niet mankeert aan fiks coloriet,

stoute figuren, en bevallig uitgevoerde groepen, dat iedere groep

eene fraaije ordonnantie op zich zelve is, zonder dat de bekwame

schilder door deze détails het geheel, hierdoor uit het oog heeft

verloren? Behoeven wij aan te stippen, dat het stadsgezigt uit dien

tijd met veel historische trouw is vervaardigd? [302]

Teregt stroomen er dan ook nog ieder jaar op den gedenkdag des

moords, honderden menschen naar het Raadhuis, om dit schilderij te

bewonderen, en zich te verplaatsen naar de tijden van den bloedigen

oorlog met Spanje.

Wij verzoeken den lezer het gebouw met ons te verlaten, daar de

gijzeling, die zich nog boven deze apartementen bevindt, weinig

aanlokkends ter bezigtiging kan aanbieden, en hiermede sluiten wij dan

ook de beschrijving onzer reeks publieke en merkwaardige gebouwen van

Oudewater. Wij hebben de gebouwen ondervraagd en zij hebben tot ons

ten deele door de historie-bladen en oude bescheiden gesproken. Wij

hebben gezien, dat het waarheid was, toen wij in ons motto den heer

Rose nazeiden: »De monumenten zijn de gedenksteenen van het verledene,

omdat zij de getuigen, somtijds zelfs de voorwerpen waren van vroegere

handelingen. De monumenten verschaffen ons eene geschiedenis op

eene andere wijze, namelijk in vormen, die een geheele reeks van

waarheden en denkbeelden in zich sluiten en bij ons opwekken. Zij

verhalen ons juist niet al het gebeurde, maar zij leeren ons kennen,

hoe het voorgeslacht leefde, dacht en gevoelde, en dat heeft voor

het meest even zoo veel waarde, als de vermelding van een reeks

gebeurtenissen." De waarheid van dit motto, zal nog nader uit het

volgende hoofdstuk blijken.

ONDERZOEK NAAR DE REDENEN WAAROM DE WAPENS DER DRIE STEDEN DELFT,

OUDEWATER EN ALKMAAR IN EN AAN EENIGE PUBLIEKE GEBOUWEN ALDAAR

GEVONDEN WORDEN.

Bij de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen binnen

Oudewater, heeft men gelegenheid gehad, op te merken, dat de wapens

der steden Delft, Oudewater en Alkmaar aanwezig zijn, geweest aan de

gevels der geamoveerde IJssel- en Waardpoorten en nog zigtbaar zijn,

aan het Raadhuis dezer gemeente; daarenboven, bevatten eenige gebindten

in de kerk der hervormden, eertijds insgelijks deze wapenschilden,

terwijl uit zeker huis [303] gelegen aan de markt dezer plaats ten

jare 1856 bij herbouw nog het wapen van Delft werd verwijderd.

In Delft waren de drie voormelde stedenwapens aangebracht, aan den

toren van het raadhuis, aan de Kameretten of het oude Lombardhuis en

aan den binnengevel van de Waterslootsche of St. Jorispoort.

Terwijl men dezelve te Alkmaar aan de Stadswaag en in het gewelfsel

van de Consistorie der groote kerk kon opmerken.

Teregt moeten er dus gewigtige redenen hebben bestaan, waarom dit

drietal wapens nevens malkander worden aangetroffen, doch wat de

eigenlijke redenen zijn, dit is niet meer met zekerheid te bepalen:

zoo hiervoor het echte bescheid bestaan heeft, dan is het zekerlijk

verloren geraakt, en niettegenstaande vele aangewende pogingen, hiervan

eenig oorspronkelijk document op te duiken, zijn zij vruchteloos

gebleven. Het ontbreekt echter niet--zooals het gewoonlijk in

dergelijke gevallen gaat, aan een aantal gissingen daaromtrent,

en die willen ook wij dan vermelden, daar eenige er van, hoogst

waarschijnlijk de voldoende oplossing op deze vraag geven.

Onder de menigte schrijvers, die hunne aandacht op de aanwezigheid

en de redenen, waarom deze wapens op voornoemde plaatsen aangebragt

zijn, bepaalden, willen wij bij voorkeur raadplegen de heer Bleiswijk

in zijne beschrijving van Delft, Eiklenberg in die van Alkmaar en

Kinschot over Oudewater en daarbij onze meeningen invoegen.

Alhoewel het in oude tijden vrij gebruikelijk was, dat door de eene

stad aan de andere, bij het daarstellen van openbare gebouwen,

geschenken gegeven werden, en men ter gedachtenis daarvan, het

wapen van die stad, ter herinnering aan zoodanig gunstbewijs, daarin

aanbragt, zoo hebben eenigen gemeend, dat men dáárom deze wapens in

de vermelde reeks gebouwen, in deze drie steden had aangebragt; doch

hier maken wij van Kinschots gevoelen gaarne tot het onze, namelijk,

dat zulks niet waarschijnlijk is, aangezien in de Besluit-boeken dier

steden hieromtrent niets aangeteekend staat.

Wij voegen hier nog bij de facta, dat er op ons vrij wel

geinventariseerd gemeente archief, bestaat, eene missive van de

regering der stad Alkmaar, dato den 25 Mei 1588, »ten geleide van

't conterfeitsel van 't wapen dier stad, om dit nevens het wapen van

Oudewater en Delft voor 't nieuwe raadhuis alhier te stellen, als een

gedenkteeken en onderhouding van het oude verbond onderling gemaakt."

Hier wordt dus van geen geschenk der stad Alkmaar, doch van een

verbond gesproken.

Voorts hebben wij vermeld, dat ten jare 1856 uit zeker huis aan de

markt alhier, het wapen van Delft werd gebroken, en dewijl voor zoover

ons bekend is, deze woning nooit een openbaar gebouw van Oudewater

geweest is, kon Delft hiermede ook in geen betrekking staan en zal

laatstgenoemde plaats, dan ook geen geschenk tot daarstelling van

dat huis hebben verstrekt. Beneden zullen wij onze meening ook voor

de reden, dat voornoemd wapen, dáár aanwezig was aanvoeren; echter

is deze eerste gissing, naar ons oordeel behoorlijk ontzenuwd.

Ten 2e, willen anderen de reden van het feit hierin opgelost zien,

dat de steden Delft, Alkmaar en Oudewater in oude tijden, en mogelijk

wel in den Hoekschen en Kabeljaauwschen oorlog in onderling verbond

zouden gestaan hebben, en onder ééne banier ten oorlog uitgetrokken

zijn, doch hierop merkt van Kinschot [304] weder teregt aan, dat

iedere stad hare eigene banier gehad heeft [305] en hem dit geheel

onwaarschijnlijk voorkomt. Wij verwerpen met van Kinschot eveneens deze

meening, immers, dat die van iedere stad, zich onder hare bijzondere

banier ten oorlog schaarden, vonden wij ook bij Dr. D. J. Veegens,

in zijne »Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd" bevestigd,

alwaar wij onder de »vertelling" het ontzet van Haarlem op bladzijden

108-109 de volgende zinsnede aantreffen, die ook deze tweede gissing

met grond doet verwerpen:

»Door de stofwolken heen, die de ruiters van Jacobas leger uit het

drooge zand deden opgaan, blonken de banieren van hare getrouwe steden

Schoonhoven, Gouda en Oudewater in de middagzon."

Laten wij ons echter niet langer ophouden, het aantal gevoelens van

zoovelen mede te deelen en te wederleggen, doch trachten wij liever,

er de ware oorzaak van op te sporen.

Wij hebben hiervoren op bladz. 321, reeds de zekerheid erlangd,

uit de missive der stad Alkmaar van 25 Mei 1588, bij de geleide

der afbeelding van het wapen dier stad, om dat nevens het wapen van

Oudewater en Delft voor het nieuwe stadhuis alhier te stellen, dat

dit tot een gedenkteeken en onderhouding moest dienen, van het oude

verbond onderling gemaakt.

Nu komen wij op weg--er was tusschen deze drie plaatsen een verbond

gemaakt, dat verbond was ten jare 1588 reeds een oud verbond en dat

verbond was in laatstgenoemd jaar nog tot geene verkrachting gekomen,

want die van Alkmaar schreven, dat de plaatsing van het wapen hunner

stad aan het stadhuis, dienen moest, tot onderhouding van het verbond.

Wat nu de bijzonderheden omtrent dit verbond waren, hiervan ontbreekt

het rechte bescheid, doch wij zullen trachten te bewijzen, dat de

overeenkomst bestond:

1o. dat de poorters van Delft en Oudewater volgens onderling verdrag,

vrij waren het regt van uitgang (exue) te betalen.

2o. dat die van Oudewater en welligt ook van Alkmaar, weleer met

hunne vonnissen in zwaarwigtige en twijfelachtige gevallen bij die

van Delft mogten te rade gaan.

3o. dat bij jaarmarkten in eene dezer drie steden, eerst de poorters

van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd, en dan de twee overige

plaatsen, het regt van voorrang in standplaatsen op de markt mogten

hebben.

4o. dat de drie steden voornoemd, waren overeengekomen, dat hare

poorters een gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad hare eigen

poorters toestond, bij verhuizing zouden genieten, en ten

5o. dat het onderschrift van het wapen van Delft op eene onderlinge

overeenkomst van poorteren doelt.

I. Het eerst hebben wij ons voorgenomen te bewijzen, dat de poorters

van Delft en Oudewater vrij waren, het regt van uitgang (exue) te

betalen. Het zal echter vooraf velen onzer lezers niet onaangenaam

zijn te vernemen, wat dit voor een regt was,

Aan vele steden [306] in Holland was het eertijds bij Handvest vergund

en in andere steden was het reeds lang een oud gebruik, dat alle

buiten lieden, die in eene stad, bij uitersten wil of versterfregt

kwamen te erven, van deze hunne erfenis, een tienden penning, ten

behoeve van die stad moesten betalen, voor en aleer zij hun geërfd

goed, uit die gemeente mogten vervoeren.

Dit regt strekte zich ook uit, tot die burgers of poorters, die

weigerachtig waren, aan de hen opgelegde stadsdiensten en lasten

of anderzins, en zonder bewilliging uit de stad met hunne goederen

vertrokken--en zoodanig regt nu, was men gewoon te noemen, het regt

van exue, exuwe of Issue. [307]

Nu gebeurde het dikwijls, dat deze heffing onder steden, die gelijk

regt hadden, onderling werd opgelost, zoodat de zoodanige plaatsen,

dit regt van malkander niet invorderden. Verscheidene overeenkomsten

immers bestonden daarvan--zoo vinden wij vermeld, in de handvesten van

Amsterdam (1613 pag. 36) dat men daar met de stad Groningen zoodanig

verbond gesloten had, op St. Jans Baptisten avond 1553 en nog vinden

wij aangeteekend, dat tusschen de steden Haarlem en Amsterdam een

accoord in dezer voege aangegaan was, op den 17 April 1464.

»Een octrooi om exue te heffen was al zeer vroeg mede verleent

geweest aan de stad Delft, doch dit is in den brand van den jare

1536 verongelukt, zooals te zien is in het nader octrooi bij keizer

Karel den 27 Maart 1545 aan laatstgenoemde stad verleend, waarbij

vernieuwing van het oude octrooi werd gegund, als: »voorregt van

exuw te mogen heffen, opbeuren en omvangen, de twintigsten penning

van alle goederen succedeerende, of andersins gaande buyten de stede

van Delf mitsgaders ook so veel te mogen nemen, en omvangen van den

Inwoonders, of goeden uit derselver stede gaande in andre plaatsen,

als de wethouders aldaar nemen van de inwoonders van Delf hetzij de

tienden, twaalfden, of vijftienden penning." [308]

Zooals wij nu reeds gemeld hebben, hebben die van Oudewater met

de Delftenaars insgelijks een overeenkomst gesloten, dat zij ter

wederzijden vrij zouden zijn, van dit exue regt te betalen en wel reeds

op den 4 Maart 1427, waarbij die van Oudewater aan Delft beloofden:

»Dat sy tot genen dagen aan erfenissen, nog aan besterfenissen, die

hare poorteren en inwoonderen in het regtsgebied van Oudewater mogten

aanbesterven, belasten, nog beswaren en sullen, met enig pond geld

van hen te eijssen, of te nemen, ten waar dat ter de Burgemeesters

van der stede wegen van Delft voor en eerst van haar poorteren van

Oudewater eysschede en namen."

Dit eerste vrienschapsbetoon van Oudewater en Delft is, dunkt ons,

hiermede behoorlijk gebleken.

II. Het tweede punt, dat wij te bewijzen hebben is, dat die van

Oudewater bij uitspraak van hunne gewigtige en twijfelachtige gevallen

in geregtszaken bij die van Delft mogten te rade gaan.

De voor zijne eeuw zeer kundige Mr. Simon van Leeuwen getuigt, dat

meerdere steden gewoon waren onderling in dergelijke gevallen te rade

te gaan. Zoo raadpleegde de stad Woerden, die [309] van Gouda even

als de laatste zulks weer deed [310] bij die van Leiden, Weesp deed

het [311] te Amsterdam, terwijl Oudewater bij [312] die van Delft te

rade ging, en Delft wederom [313] advys inwon te 's Hertogenhosch.

De Heer van Kinschot heeft in zijne beschrijving van Oudewater twee

zoodanige advyzen van bladz. 62 tot en met bladz. 66 medegedeeld. Het

laatste was een advys van de heeren magistraten der stad Delft, dato

den 13 September 1610, en de eerste was van den 2 Februarij 1595 en

kortheidswille schrijven wij alleen de laatste over--het luidt aldus:

Eersame Discrete Voersienighen Heeren ende goede Bontghenoten:

»Wy hebben gevisiteert het processie voor uwer l. wtstaande tusschen

Baert Jacobsz eyscher, op ende tegens Pieter Harmensz. van Cendenoort

gedn., in welcke zaecke wy bevinden het poinct daer inne te bestaen,

off Adriaan Goossensz. des verweerders ofte gedaegdes huysfrouse

Grootevader zoo wy verstaen in den jare XVc. Liiij. by titule

van Coope vercreghen hebbende van Pieter Cornelisz. Burgher tot

Dordrecht, de vyertel lants die by den gedn. an den eysscher vercoft

is, In deselve Coope mede gehadt heeft de werff alhier in questie,

want indien Adriaen Goossensz. in deselve coope van de vyertel lants

mede gehadt soude hebben de werff in questie, soo soude ons advys

zyn, dat dezelve werff den Eyscher behoort geadiuceert te worden met

Condemnatie van Costen, en mette Intreste ofte schade van 't ontberen

van dyen vanden dach vande Coop aff, ontseggen hem zynen vorderen eysch

van alle 't gundt daer op geplantet is, Maer indien beuonde wordt,

dat Adriaen Gossensz. Dselve werff vercreeghen heeft nyet wt Crachte

van de Coop van de vyertel lants, maardat sy ofte eenighe andere,

van des gedes. voorsaeten, ofte de gedn. seluer by andere titule

de voorsz. werff vercregen soude hebben, soo soude ons advys zyn,

dat men den eyscher zynen Eisch en Conclusie behoort te ontsegghe

ook met Condemnatie van Costen.

hier mede

»Eersaeme Wyse Discreten Voorsienighe heeren ende goede bondtgenoten

beuelen wy uwer E: in de bescherminge Gods des heeren Al machtich

geschreven tot Delft den ij february Ao. XVc. XCV.

(Lager stond:)

Die alle uwer E. goede Vrunden en bondtghenooten Schoudt, Burgemren:

Schepenen en: Raeden der Stad Delff en ter Ordonnan. van henluyden

geteyckent by my,

(was getekend)

J: GROENHOUT.

1595.

(de superscriptie was)

Eersaeme, Wyse Discreten seer voorsienighen heeren ende

bondtghenoten

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 127 / 178 题