BIJGELOOF VOORHEEN EN LATER

daartusschen lasschen.

Het is slecht, of eigenlijk in het geheel niet te bepalen, wàt

bijgeloof is, indien wij de tegenstelling niet vermelden van geloof

en ongeloof.

Het geloof zelve wordt nog in veel soorten verdeeld.

Immers in het dagelijksch leven, verwart men gelooven meestentijds

met meenen, met iets voor waar houden, waarvoor men geene gronden

kan bijbrengen.

In het stoffelijke, gelooft men, wat men met de zintuigen bemerkt,

wanneer geen zinbedrog ons misleidt, en

In het geestelijke eindelijk, is het aan iedere gezindte bekend, wat

door geloof verstaan wordt.--Bij de Christenen behoort dit geloof,

dit aannemen van iets, wat men niet ziet, tot hunne Godsdienst, en

wel in die mate, dat hunne Godsdienst veelal hun geloof genoemd wordt.

Het ongeloof staat natuurlijk tegenover geloof; zoowel in het

geestelijke als in het stoffelijke nu, heerscht ongeloof.--Zoo is

b. v. in het stoffelijke, hij ongeloovig, wanneer hij niet aanneemt,

dat het zoo is, en het toch wezenlijk bestaat, zonder het met zijne

zintuigen te hebben bemerkt.

Bijgeloof is het geloovig, het met volle overtuiging aannemen van

hetgeen wezenlijk niet is. Bijgeloof is meestal eene nog sterkere

overtuiging, dan een waar geloof, doch het is en blijft altijd een

wangeloof, een onjuist geloof, een geloof, waarbij de mensch zich

zelven bedriegt [284].--Wij zullen wel niet behoeven aan te toonen,

dat men ook hier weder in het stoffelijke en in het onstoffelijke

bijgeloovige kan zijn.

Het voornaamste bijgeloof van lateren en zelfs nog van onzen tijd,

is een overblijfsel, van de mythologie onzer voorvaderen, waarover

hiervoren breedvoerig geschreven is.

Toen wij de aandacht onzer lezers op de mythologische daadzaken in

het heidendom bepaalden, maakten wij bijna ook op iedere bladzijde,

de schaduw daarvan nog in onze dagen aanwezig, bekend.

Eigenlijk gezegd, was de mythologie onzer vaderen voor hen nog

geen bijgeloof, het was eene natuurleer, een wangeloof--doch het

voortbestaan in het Christendom van de onwaarheden, die hunne

mythologie bevattede, dàt werd voor den Christen natuurlijk bijgeloof.

Teregt vinden wij dan ook vermeld [285]. Onze voorouders hadden,

als alle volkeren van den Indisch-Germaanschen stam, een duister

Godsdienstig geloof aan een goed en een kwaad beginsel; doch, gelijk

het in de kindsheid der barbaarsche volken gaat, waar het geloof aan

een eenig God is verduisterd, stelde men zich die beginselen voor als

krachten, als persoonlijke krachten, als krachten van bovennatuurlijke

wezens, waarvoor de zwakke mensch moest bukken.--In hunne sagen werd

gesproken, van de helden, van het voorgeslacht; en de verbeelding

verhief die voorouders tot goden.--Hetgeen men waarnam en niet kon

verklaren, werd aan de werking dezer Azen toegeschreven.--Bij iedere

aanraking, van den eenen volksstam met den anderen, vermeerderde

allengskens het bijgeloof; maar toch te midden van dat bijgeloof,

bleef er nog eenig geloof over, aan een magtigsten God. Wij hebben

u dien God reeds als Wodan doen kennen, en Wodan was het, die in het

laatst der dagen, alle goden aan zich zou onderwerpen. De goden der

wereld, en de aardgeesten voerden wel strijd, tegen den God des hemels,

eindelijk zouden zij echter toch het onderspit moeten delven.

In één woord, alles hetgeen door de menschen gedaan en verkregen werd,

werd door het volksgeloof aan de inwerking der Goden, toegeschreven.

Toen het heidendom voor het Christendom moest wijken, bleven echter de

toovenaars en heksen bestaan. Toovenaars waren de menschen, die met de

booze geesten of goden in verbinding stonden en die als overblijfselen

van de heidensche priesters konden worden beschouwd, terwijl de

heksen, die vrouwen waren, doen denken aan de wigchelaarsters in de

mythologie. Deze heksen nu hadden het vermogen, de menschen op velerlei

manieren te kwellen en nadeel toe te brengen, geen wonder dus, dat

de jonge Christenen, door oppervlakkigen Godsdienstijver gedreven,

met groote woede en toorn, somtijds tegen die gewaande toovenaars en

heksen vervuld werden, wanneer er aardsche rampen voorvielen, die

zij aan de toovenaars en heksen, en hunne verbinding met de booze

geesten toeschreven.

Toen de Noord-Duitschers en Denen pas tot het Christendom bekeerd

waren, hadden booze wraakoefeningen tegen zoogenaamde heksen meermalen

plaats, weshalve paus Gregorius VII (die regeerde van Ao. 1073-1085)

zeer ernstig aan zijne geestelijken in Denemarken schreef, dat zij

dat volksbijgeloof toch zouden tegenwerken, enz.

In de middeneeuwen, nam zelfs het geloof aan hekserij ontzaggelijk

toe, en geen wonder! de steeds toenemende beschaving en de meer en

meer aangroeijende ondereenmenging van verschillende volken bragt

te weeg, dat er onderscheidene kunsten en uitvindingen werden

ontdekt; de drukpers nu was er nog niet, om de volken het geheim

dier uitvindingen kenbaar te maken, en wat het volk niet begreep,

was een wonder of tooverij en de uitvinder eener nuttige zaak, werd

niet zelden vervolgd als heks en toovenaar.

Het zou ons verbazend wijdloopig doen worden, de duizendtallen

voorbeelden aan te halen, van de slagtoffers om tooverij en

hekserij.--De vervolging was weldra tot eene ongekende hoogte

gestegen.--Meest alle rampen en plagen werden aan tooverij

toegeschreven, en de beschuldiging van tooverij ging zelfs zóó ver,

dat vorsten en geestelijken, de beschuldigingen van hekserij niet

konden ontgaan!

Ontelbaar zijn dan ook de menschen geweest, die hunne beschuldiging met

het leven moesten boeten. Een paar voorbeelden, slechts. In het kleine

bisdom Bamberg werden in vijf jaren tijds 600 menschen om tooverij

ter dood veroordeeld, meest verbrand, en in hetzelfde tijdsverloop

telde het niet veel grootere bisdom Würzburg 900 offers [286].

Maar, vraagt mij welligt iemand, werd dan iedereen, die van tooverij

beschuldigd was, zonder vorm van proces veroordeeld, werden er

geene pogingen aangewend, de ongelukkige beschuldigden van den dood

te redden?

Ja mijne lezers er werden pogingen daarvoor in het werk gesteld,

doch hoedanig waren zij? Ach zij bragten zoo zelden redding voor

de beklaagden aan! Ja de pijnbank was er, en die dan van tooverij

en hekserij beschuldigd of verdacht waren, werden op die pijnbank

gebragt. Onder de smartelijkste folteringen werden zij ondervraagd. De

pijniging hield meestal aan, totdat zij tot de bekentenis waren

gebragt, en daar eene bekentenis genoegzaam werd geacht, wanneer

zij op de vragen slechts een toestemmend antwoord hadden gegeven,

is het daaruit gemakkelijk te begrijpen, hoevele duizenden onder

de felste folteringen het »Ja" hebben uitgeroepen, om eenigen tijd

verligting te erlangen, op de vragen, of zij op bezemstokken door de

lucht hadden gereden, of zij katten waren geweest, enz. enz. [287]."

Ja er waren nog andere proeven, zooals het ordal, de vuur-, de

water- en naalden-proef, doch het behoorde bij al deze tot de hooge

zeldzaamheden, indien zij ten gunste der beklaagden uitvielen. Geen

wonder! men vergde in deze, bijna altijd wonderen van de Godheid,

en na de wreedste pijnen reeds in de »proef" doorstaan te hebben,

werden zij meestentijds naar den houtstapel geleid en verbrand! O de

proeven ter bevrijding der ongelukkigen, zij waren zoo slecht gekozen!

Van tijd tot tijd echter stonden er groote mannen op, die het

durfden wagen openlijk hunne stem te verheffen, ter bestrijding van

het venijnig serpent, dat men tooverij en hekserij noemde. Durfden

wagen? Ja voorzeker er behoorde moed toe, tegen dit bijgeloof met open

vizier te velde te trekken, in dien tijd, toen bijna ieder onder de

magt van het ellendig gedrocht zich bewoog.

De eerst bekende groote man, die het bijgeloof heeft bestreden,

was voor zoover wij weten, paus Gregorius de VII in de elfde

eeuw.--Ofschoon het wel degelijk te vooronderstellen is, dat in de

drie volgende eeuwen dit niet zonder tegenspraak van velen heeft

geheerscht, zoo vinden wij echter eerst kort na de uitvinding der

boekdrukkunst, en de daardoor veroorzaakte meerdere bekendheid van

gevoelens, onderscheidene personen, die het geloof aan hekserij en

tooverij bestreden.

De beroemde regtsgeleerde Alciatus, leerde reeds, »dat het beter

was, de heksen nieskruid te geven, dan haar ten vure te doemen"

daarmede zoo het schijnt doelende, op zijne overtuiging, dat zij,

die zich verbeelden onder de magt van booze kwellingen te staan,

meestal krank naar ligchaam en ziel waren.

Onze groote Rotterdammer Desiderius Erasmus, stelde de geheele zaak

der tooverij in een bespottelijk daglicht [288].

In 1512 verscheen er te Gent een boekje in het licht, bevattende 2

kluchtspelen nl. de klucht van Homulus en Hanske van der Schilde. Dit

boekje had een morele strekking, het bestrijden der tooverij; een ander

boekje heeft tot titel: tooveren, wat dat voor een werk is, beschreven

door Jacob Vallick, pastoor te Grossen 1559. Het bijgeloof, wordt

daarin bestreden, op gronden van Godsdienst en Zedekunde. Johannes

Wier, in 1515 te Grave geboren, later lijfmedicus van den Hertog van

Cleef en Berg, was echter de eerste, die volledig de vooroordeelen in

deze bestreed. Hij had op zijne reizen onderscheidene executien van

zoogenaamde heksen gezien. De edele man had het voornemen opgevat,

de vooroordeelen van zijnen tijd grondig te wederleggen. Hij schreef

eene verhandeling over de giftmengers en de toovenaars, waarin hij

bewees, dat die twee zaken wel degelijk vaneen gescheiden moesten

worden, en toonde aan, dat de regters van zijnen tijd, dit niet deden.

Vele regters erkenden hunne dwaling, en betuigden hem hunne

dankbaarheid, voor zijn uitmuntend betoog. Hierdoor aangemoedigd,

schreef hij nog tot aan het laatst van zijn leven, ter verdediging

der zoogenaamde heksen.

Cornelis Loos van Gouda werd aangezocht een zeker boek van Wier

te wederleggen, doch door het lezen van zijn geschrift overtuigd

wordende, werd zijn geschrijf een eere schrift op zijn boek. Men

weigerde te Keulen het manuscript te drukken, en Loos werd gedwongen

onderscheidene stellingen te herroepen en niet zonder vele pogingen

ontkwam hij eene vervolging [289].

Bij al deze gunstige geschriften ter bestrijding van het bijgeloof,

schreef zekere Martinus del Rio het groote boek: Onderzoek naar de

tooverij, dat in 1599 uitkwam, en waarin het bestaan van toovenaars

verdedigd werd. Del Rio ging zelfs zoo ver, dat hij beweerde, dat

de verlichte Wier zelf een toovenaar was, en hij hen daarom in zijn

geschrijf verdedigd had.

In Reijnald Scott een verlicht engelschman, vond del Rio echter een

geduchten bestrijder, doch het bijgeloof woedde echter nog steeds

met hevigheid voort. In Engeland vatte een Jacobus I de pen op,

om de voorstanders der verlichting Wier en Scott te wederleggen en

in Duitschland werd de heksengeschiedenis, door het gezag van den

regtsgeleerden Carpzovius in wezen gehouden.

Op het laatst der 17de eeuw, begonnen de regeringen de vervolgingen

wegens tooverij, wel meer na te laten, doch het volk bleef niet

minder bijgeloovig dan vroeger, ofschoon het weder krachtige en

bekwame strijders vond in Adam Tanner en Frederik Spee. De laatste

had als Jezuit, menige veroordeelde heks, in hare laatste levensuren

moeten bijstaan. Getroffen door hetgeen hij gezien en gehoord had,

schreef hij zijn boekje: Waerborg om geen quaat halsgeregt te doen,

een lief boekje, dat door onzen bekenden Amsterdamschen predikant

Balthazar Bekker hoog geroemd en geprezen werd. Het geschrift van

den Jezuit Spee, werd in onze taal overgebragt, door N. B. A., zijnde

N. Borremans, Remonstrantsch predikant te Oudewater.

Doch, wat werden die edele menschenvrienden, in hunne pogingen om de

waarheid te verkondigen, gedaan? Frederick Spee zond zijn boekje om

zich voor vervolging te behoeden, naamloos in het licht. Borremans,

vertaalde het onder de letters N. B. A. en Balthazar Bekker, die in

zijne betooverde wereld, het bijgeloof aanrandde, werd in 1692 van

zijn predikantsplaats ontzet, als onregtzinnig [290].

Ik verzoek den lezer nog eens kortelijk met mij eenigen tijd terug te

gaan, tot naar het midden der 16e eeuw en daar nog eens het bijgeloof

en hare gevolgen kortelijk herhalen. Het ligt echter niet in ons plan,

dat bijgeloof stap voor stap te volgen, immers dit onderwerp zou een

ruimte beslaan, als voor deze geheele plaatsbeschrijving bestemd is.

Wij voeren u dus in gedachten terug tot in het regeringstijdvak

van Karel de Vijfden, waarin wij de ter doodbrenging van eene heks

zullen schilderen.

Allerwege ontwaart men brandstapels, die de ongelukkige toeven, die

van tooverij beschuldigd zijn. Zie daar nadert men met zoodanig een

slagtoffer den houtmijt! Ach het is eene vrouw en zij is echtgenoot

en moeder, want hij, die zich onder den stoet bevindt, hij met dien

zonderling wreede trek op het gelaat, met van woede glinsterende oogen,

die dreigend staren op de leiders van de zoogenaamde heks, hij prevelt

verwenschingen, voor de beschuldigers zijner »liefdevolle gade." Is

zij ook moeder? Ja, ja, zie naast de veroordeelde draagt een andere

vrouw een schreijende zuigeling, en geleidt een achtjarige knaap, en

terwijl de vlottende menigte nu langzaam voortgolft naar de plaats waar

het doodvonnis zal voltrokken worden, ontwaakt de ongelukkige »heks"

met aan razernij grenzende wanhoop uit den stillen waanzin, waarin

zij gedompeld was! want zij ziet de houtmijt vóór zich, die weldra

met hare assche een vormloos zaamgestorte massa zal uitmaken! Mijne

kinderen gilt zij, groote God, mijne kinderen! de zuigeling en de

knaap omvattende, o uwe moeder omklemt u nu voor het laatst, zij

drukt u na dezen immermeer de vurige kussen op uwe wangen. Zij zal

haren lieven zoon niet meer ter schole leiden, hare zuigeling niet

meer voeden met het moederlijk voedsel! en gij echtgenoot, kermt zij,

ach, zie niet zoo dreigend in deze bange ure, wij zien ons weder,

dáár, waar wij niet meer aldus gescheiden zullen worden, zorg voor

onze kleinen, voor de telgen van onzen gelukkigen echt, omhels mij

zoo als ik hen omhels.--God! God! ik moet van u en hen scheiden......

Hier zonk de ongelukkige bewusteloos ineen, door smartgevoel

overstelpt. In dezen toestand wordt zij op den brandstapel geplaatst,

aan den paal gebonden, men brengt het vuur met de drooge twijgen

in aanraking, en weldra kronkelen zich de woeste vlammen, om de in

onmagt zijnde vrouw! Het vuur wekt echter spoedig de ongelukkige uit

hare bezwijming, en wanhopend wringt zij zich op den brandstapel,

door ligchaamspijn en boezemwee overstelpt--toch zoekt zij nog naar

de plaats vanwaar zij hoort kermen, gade dierbare gade, vaarwel tot

wederzien bij God in den hemel! vanwaar zij hoort smeken, moeder,

lieve moeder, o kom bij mij!

O deze smartvolle ontboezemingen wat verschilden zij van de

uitroepingen der volksmenigte. Voort, voort met de heks, want zij

heeft met bezemstokken door de lucht gereden, wij hebben haar in de

gedaante eener kat gezien, zij heeft onweders en ziekten verwekt,

en de kinderen betooverd, zóó zóó, verbrand haar, verbrand haar!

Weldra waren de laatste levensvonken van de ongelukkige echtgenoot en

moeder uitgebluscht, en.... het bijgeloof had een offer meer geëischt

en genomen!!

Zulke treurige executien, hadden in de tijden waarvan wij schrijven

menigmaal plaats, op honderde manieren gevarieerd, zonder onderscheid

van kunne of ouderdom. Geen wonder ook, wij hebben het reeds

aangetoond, de proeven aangewend tot bevrijding eener aangeklaagde

»heks," zij gelukten bijna nooit in het voordeel der laatsten.

Maar eindelijk daagde er toch lichte aan den horizont: er werd eene

proef ontdekt, die altijd de vrijspraak voor de beschuldigden van

tooverij moest ten gevolge hebben, eene proef, die ook geen pijn

veroorzaakte, eene proef even onschuldig als zeker, de heksen moesten

zich namelijk laten wegen op de stadswaag te Oudewater.

Waarom vraagt ons welligt iemand moesten de heksen gewogen worden,

waarom moesten zij te Oudewater gewogen worden en wie is de uitvinder,

de bedenker van deze proef, die zooveel invloed op het bestrijden

van het bijgeloof ten gevolge moet hebben gehad? Wij zullen een en

ander zoo beknopt en duidelijk mogelijk ter neder schrijven.

De heksen, die in het volksbijgeloof door de lucht konden rijden,

hadden volgens gevoelen van hare beschuldigers en vervolgers geene

ligchaamszwaarte, somtijds meende men zelfs, »dat zij nog minder

dan niets wogen." Werden zij dus ter schale geleid, en bevond

men, dat zij zoo zwaar wogen, dat het met de natuurlijke proportie

haars ligchaams overeen kwam, en dat kon nimmer missen, dan werd aan

dezulken te Oudewater een certificaat gegeven, dat haar bij de minste

beschuldiging van tooverij vrijwaarde, tegen alle mogelijke vervolging.

Waarom zij nu te Oudewater moesten gewogen worden en wie de bedenker

dezer weegproef was, hiervan kunnen wij het volgende berigten:

Van oudsher had de waag te Oudewater een bijzonder goeden naam om hare

juistheid in het wegen; maar bovenal ook om het juiste en eerlijke

gewigt in deze waag aanwezig zijnde en gebruikt wordende. Immers,

ten bewijze strekke hiervoor, de ordonnantie van keizer Karel de V,

waarbij hij ten jare 1547 aan die van Gouda gelastte, hun gewigt

met dat van Oudewater te laten »ijken" zouden wij in onze dagen

zeggen. [291] Hieruit blijkt dus, dat die vorst voor deze waag reeds

eenige voorliefde had, en men houdt dan ook algemeen den keizer,

voor den bedenker van deze weegkuur, ofschoon het echter niet met

zekerheid te bepalen is, ten minste onder de oude geschriften ter

gemeente secretarie berustende, vinde ik dienaangaande geen licht

verspreid. Het is echter bijna zeker, dat Karel de V wel de bedoelde

persoon zal zijn, die dat gebruik ingevoerd heeft, en het ontbreekt

dan ook niet aan schrijvers, die dat zonder eenige bedenking aannemen.

Laat ons nu overgaan, meerdere bijzonderheden omtrent de aloude

weegkuur te Oudewater zooveel mogelijk uit oude stukken aan te voeren.

Wij hebben hiervoren reeds gemeld, dat er in het tijdvak dezer

heksenbeschuldigingen, door den pater jesuit Spee, een werkje ter

bestrijding van het bijgeloof geschreven was, ten titel voerende:

Waerborg om geen quaat halsrecht te doen, en dat dit boekje in onze

taal werd overgebragt door N. B. A., zijnde N. Borremans, eertijds

Remonstrantsch predikant te Oudewater.

In de voorrede van deze vertaling, vermeldt de heer Borremans

eenige gissingen, omtrent den oorsprong van dit weegregt alhier,

en deelt daarin tevens de volgende bijzonderheden mede, door een

der burgemeesteren van Oudewater dier eeuw, aan Borremans zelf

geschreven, die zijn verzoek aan dezen magistraats-persoon omtrent

eenige bijzonderheden van de waag en de gewogen wordende, in zekere

vragen had doen geworden.

Na vermeld te hebben, dat er vele zoogenaamde heksen van de stiften

Keulen, Munster en Padeborn sedert keizer Karels tijd, reeds gewogen

waren en nog werden, vinden wij daarop t. a. p. aangeteekend:

»Dat daar noit ymand uit een van die plaatsen gekomen was, of zy

hebben alle eenstemmig verklaart, dat zy in hun land t' onregten van

Tovery beschuldigt wierden: en zoo zy geen bewys bekomen konden, van

dat ze in de Stads Waege t' Oudewater gewogen waren, en hun gewigte

met de gelegentheid hunnes Lichaems overeen quam, dat zy gevaer

liepen van in hun Land om lyf en goed te raaken: 'T zeggen van die

luyden was doorgaans, dat die in hun Land voor Tovenaers gehouden

wierden, welken minder woegen. De overleden Secretaris de Hoy hadde

hem verhaalt, dat in zynen tyd zeker persoon, uit de bovendeelen in

't Land daar hy woonde, door eenen, daar hy mede in geschil geraakt

was, in 't geruchte was gebragt, van een Tovenaar te zyn, en dat

hy geraden wiert, om zich van de gezeyde laster te suyveren, naer

Oudewater in Holland te reysen, en hem aldaar in de Stads Schale te

laeten wegen, en dat hy daar gekomen, het zy door bottigheyd, het zy

door vreeze, of door quade onderrigtinge, wederom gekeert was na zyn

Landt, zonder gewoogen te zyn, maar dat hy in zyn Vaderland komende,

en niet konnende toonen, dat hy gewogen was (zulx vermoedelyk voor

bewys van schuldigheid genomen zynde, als of hy te licht bevonden

waare) zoo is 't gerugt voort geslagen tot den Regter van de plaats,

die gezogt had deze Persoon in hegtenis te nemen, maar hy gewaerschouwt

was 't ontvlugt. Daer na in 't Land, daar hy gevlucht was, geraakt

zynde by een persoon, die te vooren hier ook met eenen anderen in

zodanige gelegentheid geweest was, heeft den selven bevoolen met hem

herwaarts aan te reysen, gelyk hy ook t' Oudewater gekomen, en in

de Stads wage, op die reyze en wyze als verhaelt is, gewogen zynde,

weder was na huys gekeert, en in zyn Vaderland, daar hy van daan

gevlugt was, het bescheyt van aldaer gewogen te zyn vertoont hebbende,

was hy weder in zyn geheel en in de volle bezittinge zyner goederen,

die by den Regter al waren aengeslagen, hersteld geworden.

»Op de 2de Vrage seit de Burgemeester, dat geen seker gewichte gestelt

is, wat iemand wegen moet, maar dat het daarop aan kwam, dat het

gewicht met de natuurlyke geschapentheid des lichaams overeenkomt.

»Op de 3de Vrage, van waar dit zyn oorsprong heeft, seyt hy, dat

hem zulks onbekent zy, maer dat egter blykt, dat hunne Stads wage

in die buiten landen zulken aanzien hadde, also 't verscheide malen

gebeurt was, dat die geenen, welken verzochten gewogen te worden,

met bysondere Voorschryvens hunner Stad of plaats gekomen zyn.

»Echter word daarby gezegt, dat Keyzer Karel zulk Voorregt aan de Stad

Oudewater, uit oorzaak van hunne beproefde Oprechtigheid in desen,

en van seker bedrog, in een nabuurig dorp ontdekt, geschonken heeft,

immers dat zulks het algemeen zeggen is."

Teregt merkt Ds. Kits van Heyningen, dan ook dien ten gevolge op: [292]

»Men ziet uit bovenstaand berigt, dat de waag te Oudewater niet alleen

veel bekendheid had, en voor officieel getuigenis diende, maar, dat

ook de proef zeer onschuldig was. Had men een bepaald gewigt gesteld,

dat iemand op zekeren leeftijd wegen moest, terwijl een ligter zijn,

dan zoodanig gesteld gewigt voor bewijs van schuld gold, de proef

ware wel niet pijnlijk, maar toch gevaarlijk geweest. Nu daarentegen,

was 't genoeg, wanneer het gewigt, met de gewone gesteldheid des

ligchaams in overeenstemming was. Men grondde die bepaling zeker

op het volksgeloof, dat onder andere meeningen ook deze koesterde,

dat een heks of toovenaar geen gewigt had."

»Intusschen was het voorregt aan de waag gegeven, den waagmeester

zelven niet geheel onverschillig. Wie gewogen werd, betaalde

natuurlijk het waaggeld en schoon de som zoo groot niet was, bij

de meerdere waarde, die het geld in dien tijd had, was zij toch een

emolument geweest, dat bij zijn post gerekend werd, indien zij niet,

omdat een ieder er iets van hebben moest,--en dat is sinds dien tijd

nog weinig veranderd,--zoo versplinterd was geworden. Men leze de

volgende authentieke bepaling van:

»Leges te betalen bij die geene, die in der Stede Waach, uit

beschuldiging van Tovery gewoogen worden."

Schepenen G 1 : -- 16 : -- / --

Secretaris G 2 : -- 18 : -- / --

Bode G 0 : -- 12 : -- / --

Waachmeester G 0 : -- 12 : -- / --

Vroedvrouw G 0 : -- 12 : -- / --

Samen G 6 : -- 10 : -- / --

Wat er de laatste bij deed, wier vermelding op de rekening eenige

bevreemding wekken kan, zal worden opgehelderd uit de volgende

extracten uyt de Registers van de Judiceele en Dagelyksche Acten der

Stede Oudewater.

Alvorens echter daartoe over te gaan, zij het ons vergund mede te

deelen de

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 126 / 178 题