7. Loeffridus van der Haar, die naar Utrecht vertrok en aldaar nog
in 1577 leefde. [177]
Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544 schijnt te blijken,
dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen
door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.