»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is," schrijft de Heer
Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene
pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het
jaar van derzelver stichting aanduiden." [168]
Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht,
doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel
gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen
zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij
meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het »waarschijnlijk"
van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.
Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers,
weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde,
als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen
over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,--in
groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte"
praalkerkjes bouwt--men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon
en verheven gebouw daarstellen,--dan lag men eerst den grondslag van
den westelijken toren en de oostelijke apsis, en wat men zelf niet kon
en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,
dat het deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als
men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude
vereerd worden.
Brengen wij nu, de »waarschijnlijke" oudheid der kerk in verband,
met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de
kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt die
waarschijnlijkheid reeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen
dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek--in de schaduwe
harer transen--op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten,
dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der
toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim
50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren
reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken,
dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.
Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw,
dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum,
door van Kinschot vermeld, dat er reeds voor (hoe lang) het jaar 1329
vier altaren in de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van
het jaar harer stichting--1003--al meer en meer aanneembaar [169],
doch, dit dan waar zijnde, dan mag Oudewater zich beroemen, binnen
zijne muren te hebben, een der oudste kerken van Nederland.