DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENS

te geven.

De toren is aan den voet--en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter

neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden

gebakken steen opgetrokken--dezelve is met drie stagien voorzien

en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante

heeft van een domtoren.--

De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens

van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt,

heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich

om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in

het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn."

Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en

een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met

een spits voorzien is.--Doch, dat er na 1610 een spits op den toren

geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat

de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met

een nok en zonder spits heeft voltooid;--en wel hierom. De toren in

het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats,

zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits

ongeveer drie streepen.--De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk

wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren

te moeten zijn.

In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks

1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor,

dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.

Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij

hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao 1610, uit de zeer

geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en

Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu

nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen--aan het plaatje van

Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt

ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis,

voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575,

doet den toren zonder spits zien.

Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij

doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest

is, tot voor 1575 opklimmen.

De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk

plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen

omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men

het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en

regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.

Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel

accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid

mogen twijfelen.--Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren,

of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van

Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn,

of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest,

dit is immers niet aan te nemen.

Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu

zich vertoont, de originele gedaante daaromtrent zal hebben behouden.

Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de

torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt

van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.

De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst

ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok

genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit

het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is

aangeduid.

Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia *

genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer *

me * fecit.

Dat is:

Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der

wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.

Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren

vijftien honderd.

De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame

beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.--Van

het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk

voorgekomen.--Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters,

daar van na te schrijven.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 87 / 178 题