terwijl beneden de schilden stond:
ao dni xvc ende 111 [156]
Wat de beteekenis dier schilden aangaat, wij houden het er voor, dat
de afbeeldingen der gereedschappen van die verschillende bedrijven
zoovele gilden vertegenwoordigen,--en dat die gilden, de kosten
der gewelfschildering gezamelijk hebben bekostigd. Trouwens, dat de
gilden toch zulks meer deden a. m. D. g. hiervan zou menig voorbeeld
zijn aan te brengen. Nu wij dit dan weten, kan het, dunkt ons geen
verwondering baren, de gereedschappen huns bedrijfs op een verwulf
tot aandenken van hunnen Godsdienstigen ijver te vinden.
Neemt men nu wijders in aanmerking, dat wij in van Kinschots Oudewater
bladz. 31 lezen: »aan de toornmuur is een kas van een groot oud orgel,
wier deuren van binnen met bisschoppen en andere Roomsche geestelijken
in knielende en biddende gestalte beschildert zijn" enz., dan kunnen
wij bijna veilig bepalen, dat zich ook hier bijna »geen enkele witte
plek zal vertoond hebben."
De kunstkenner en kunstminnaar zal helaas echter bij een bezoek in
deze kerk niets meer van deze schilderingen aantreffen, alles wat
wij er van beschreven is verdwenen en spoorloos verdwenen. [157]
Van de oude orgels zelve, waarvan Kinschot gewaagt, is mede niets meer
te zien, doch onder eenige aanteekeningen ons van een vriendelijke
zijde geworden, vinden wij o. a. »De orgelkas en wapenborden in de
prot. kerk, die na de revolutie in 1795 van hun plaats zijn genomen,
werden, voor zoo ver zij niet door de eigenaars waren gehaald, den
29 Mei 1800 publiek verkocht!"
In 1838 werd echter weder een orgel aan de westelijke zijde der kerk
gebouwd, dat in hooge mate sierlijkheid met aangenaam toongeluid
vereenigt.
Dit orgel is vervaardigd door onzen bekwamen Rotterdammer de Heer
Kam--het is voorzien van twee clavieren en vrij pedaal terwijl zijn
geheel niet weinig tot verfraaijing der kerk toebrengt.
De ingangen der kerk ten tijde harer stichting waren de volgende:
twee aan den toren en wel aan de noord- en zuidzijde, zoo als nog te
bemerken is, hoewel zij niet meer gebruikt worden.
Voorts was er een aanwezig aan de zuidzijde der kerk, het portaal
daarvan is verbroken, doch de ingang bestaat nog--terwijl de ingang
ten noorden, eveneens nog in aanzijn, waarschijnlijk wel van hare
stichting zal dagteekenen. [158]
De tegenwoordige ingangen ten oosten, mag men volstrekt niet als van
hare stichting dagteekenende, beschouwen.
De beschrijving der vroegere en tegenwoordige gedaante onzer schoone
kruiskerk, mag ik niet eindigen, zonder aan de grafmonumenten van
eenigen de aandacht mijner lezers te hebben bepaald.
Het eerst laten ook wij in aanmerking komen, de grafmonumenten, van
wijlen onzen beroemde stadgenoot de Heer Rudolph Snellius van Rooijen.
Op de grafzerk, die eertijds zijne asche drukte, stond volgens
Rademaker [159] een Latijnsch en Duitsch omschrift, waarvan het
laatste aldus luidde:
Hier leit begraven
Rudolphus Snellius van Rooijen
in sijn leven Professor Matheseos
in de Universiteit van Leiden
sterft den 2 Maart Anno 1613. [160]
Naar wij vermeenen is deze steen thans verlegd en aanwezig in het
oostelijk gedeelte der kerk, in plaats van "in de noordzijde der
kerk in den 12 regel het 11 graf"--waar hij vroeger aanwezig was,
het zou dus later eenige verwondering kunnen baren zijne grafzerk
[161], in het oostelijk en zijn monument in het noordelijk gedeelte
der kerk aan te treffen.
Dit monument is wel der vermelding waardig--het is bevestigd
aan een pijlaar, van verschillenden marmersteen daargesteld, en
naar de Ionische bouworde vervaardigd, terwijl het geheel door 's
grooten geleerden wapenschild wordt gedekt en door weenende kinderen
vastgehouden.--Het volgende omschrift is daarin te lezen:
PIAE MEMORIAE
VIRI CL.
RUDOLPHI SNELLII A ROYEN,
PATRICII VETERAQUINATI;
QUI ANNO M. D. XLVII. V. OCT. NATUS
IUVENTUTIS PARTEM
DOCENDIS MARPURGI IN HASSIA LITERIS
ET ARTIBUS CUM LAUDE EXERCUIT,
AETATEM RELIQUAM
IN ACAD. LEYDENSI.
TUM MATHESEOS TUM HEBRAEAE LINGUAE
PROFESSIONE, CUM CURA, FIDE,
ET BONO PUBLICO EXEGIT:
BIS RECTORATU HONORIFICE FUNCTUS,
ILLmis. DUOBUS MAURICIIS,
PRINCIPI AURIACO
ET LANTGRAVIO HASSIAE,
OB ARTIUM QUAS AMABANT
PRAESTANTIAM CARUS,
TANDEM LEYDAE ANNO AETATIS SUAE
SEXAGESIMO SEXTO II. MART.
DEO ET NATURAE CONCESSIT.
HOC PATRIAE LOCO,
UBI CORPUS HUMARI IPSE VOLUIT,
MONUMENTUM QUOD PATRI DECREVERAT
FIL. WILLEBRORDUS
PATERNAE VIRTUTIS HAERES ATQUE DECUS,
EJUSDEM FILIUS RUDOLPHUS,
AVO PONENDUM CURAVIT.
(Luidende in 't Nederduitsch aldus:)
Ter Godvruchtiger Gedachtenisse
van den zeer Doorluchtigen Heer
RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROYEN;
die, na geboren uit een adelijk geslacht
te Oudewater in 't Jaar 1547 den 5 October,
daarna een gedeelte zijner Jeugd
te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen der
Talen en Kunsten met Lof besteed hebbende,
en het overige van zijnen Leeftijd
op de hooge School te Leiden,
als Hoogleeraar der Wiskunde, en
Oostersche Talen, met vlijt, trouw
en algemeen nut hebbende doorgebragt,
na dat hij twee malen het Rectoraat met roem bekleed had;
en de achting van twee doorl: Mauritsen:
den Prins van Oranje
en den Landgraaf van Hessen,
om zijne uitmuntende kennis in die kunsten,
die hun vermaak waren, gewonnen had,
eindelijk te Leiden, in den Ouderdom van 66 Jaren,
op den 11 Maart, aan God en de Natuur den tol betaalde;
heeft op deze plaats van zijne Vader-Stad,
alwaar de overledene wilde begraven zijn,
het gedenk- en Eereteken, het welk deszelfs Zoon:
WILLEBRORDUS SNELLIUS,
Volle erfgenaam en Opluisteraar van zijns Vaders
deugden, voor zijnen Vader hadt geschikt,
deszelfs Zoon RUDOLPHUS SNELLIUS
voor zynen Grootvader laten oprigten.
Op het zuider-choor, in den 4 regel, het 6 graf, stond voor ongeveer
drie jaren nog het volgende grafschrift. [162]
MORS JANUA VITAE.
THEODORUS TROMPER GULIELMI CONSULIS FILIUS, VETERAQUINAS,
PATRIAE A SECRETIS, CUM UXORE SUA MARGARITA
ARMINIA, IMMORTALITATIS EXUVIIS SUB HOC
SAXO DEPOSITIS, EXPECTANT RESURRECTIONEM. NATUS
EST AO. M. DC. XXXII. DIE 25. APRILIS. OBIIT ANNO
M. DC. LXXIII. DIE 7. MAII. NATA M. DC. XXXVI. DIE
16 OCTOB. OBIIT ANNO M. DC. LXXVI. DIE 20 MART.
(Dat is:)
DE DOOD IS DE POORTE DES LEVENS.
Dirk Tromper, Zoon van den Burgermeester Wilhelm Tromper, Oudewatenaar,
Geheimschryver van zyne Vaderlijke Stad, en deszelfs Huisvrouw
Margariet Arminia verwachten hier, onder deeze zark, het Sterfelyke
hebbende geeindigd, eene zalige opstanding. Hy werd geboren in
't Jaar 1632 den 25 April: en stierf in 't jaar 1673 den 7 Mei. Zy
zag het levens licht in 't Jaar 1636 den 16 October: en sloot voor
't zelve hare oogen den 20 Maart des Jaars 1676.
Op het hooge- of midden Choor, in den 6 regel, het 6 graf, vondt men
op de graf-zark, dit opschrift:
DEO TRINO ET UNI OPT. MAX.
SACRUM
ET AEVITERNAE MEMORIAE
ORNATISSIMI CORNELII JACOBI
VANDER HOEF J. V. L.
QUI POSTQUAM SOSPES EX GALLIIS REDIISSET. PIE IN
COMPLEXU MATRIS ET AMICORUM OBDORMIVIT, IPSIS
KALENDIS MARTII M. DC. III. HIC RESURRECTIONIS DIEM
EXPECTAT: VIXIT (DEMPTIS OCTO DIEBUS) ANNOS XXIV
MARGARETA WILLHELMI, MATER DEFUNCTI. HOC MORTALE
IMMORTALIS OBSERVANTIAE MONUMENTUM, DILECTO
EHEU! FILIO, MAESTA CUM LACHRYMIS POSUIT' VIXIT
ANNOS XXIV. DIEB-, XIIX. MEN 9. [163]
(beteekenende in 't Nederduitsch, als volgt:)
Den Eenen, Drievoudigen, besten en grootsten
God Toegewyd, en
Ter Eeuwige Gedachtenisse van
den zeer voortreffelijken Heer
CORNELIS JACOB VANDER HOEF,
Licentiaat in de beide Rechten,
Die, na dat hy uit Frankryk behouden was te rug gekomen, Godvruchtiglyk
in de armen zyner Moeder en Vrienden ontsliep op den 1 Maart van 't
Jaar 1603. en hier den dag der weder-opstandinge verwacht. Hy leefde
24 Jaar min 8 dagen. Margareta Wilhelmsdr., des overledenen Moeder
heeft dit verganklyk gedenkteeken van hare onsterfelyke liefde aan
haren teeder beminden zoon, met betraande wangen, laten oprigten.
Leefde 24 jaar, 9 maand: 18 dagen.
Op het voorzeide hooge choor, in den 4 regel, het 3 graf, zag men
eertijds op eene grafstede uitgehouwen de onderstaande gedenkwoorden:
NOBILI AC STRENUO,
D. JOHANN GIBSON EQUITI,
APUD MAG. MAGNAE BRITANNIAE REGEM
MILITUM VICE TRIBUNO,
ET APUD INLUSTR. BELGII ORDD.
CENTURIONI.
B. M. CONJUX MAESTA M. H. L. M. Q.
J. P. EXCESSIT ANNO AERAE
CHRISTIANAE M. DC. XXXV. AETAT. LV.
(Dat is:)
Den Edelen en Dapperen Heer,
Johann: Gibson, Ridder,
Lieutenant Colonel
onder de legertroepen
Van den grooten Koning van Groot-Britanje,
en Kapitein ten dienste
der Hoogm: Heeren Staten Generaal.
Des zelfs bedrukte Vrouw, heeft
haren Zaligen Gemaal met
innige droefheid, en zoo als 't betaamde, dit gedenkteeken
Laten oprigten.
hij Stierf in 't jaar 1635, volgens de Tydrekening der
Christenen, Oud 55 jaaren. [164]
Toen men echter in meergenoemde jaren de kerk vermaakte, werden wij
door het beitelen op de kalk eener pilaar aan de zuidzijde der kerk,
het volgende opschrift in gothische letters en cijfers gewaar.
Int jaer XVc en XXIIIJ op Sint-Jacobs dach, sterf heer Jan
Jacobz... Mert? Int jaer M vierc ende LXXXI op St. Mathijs dach sterf
Dirck van Zijl Int jaer XVc en XXIJ den XIIJe Junij sterf Daniel
van Zijl Int jaer XV en IIII de XXVe Novembris sterf Jacob Huygz.
Int jaer XVc en XIIII te XIIJe Novembris sterf Roelof Jacobzoen
Int jaer XV en XXXVI op Sinte Bartholomeus dach sterf Claes Wouters
Aecht Wouter Claeszoens weduwe sterf Ao XVc en IIJ (of IIIJ) den XIX
dach in Mei.
Vier wapenschildjes in de vier hoeken van den zachten steen uitgehouwen
voltooiden dit geheel.
Terwijl op den muur ten noorden der kerk het volgende zigtbaar werd.
Ao XVc de XXX te dach maert sterf Katrijn van Zijl.
Ao XV en XIJ den IJ te dach junij sterf Jan van Zijl.