b. DE TUF-, DUIF- OF CEMENTSTEEN AAN DEN TOREN.
Als vrij zekere stelregel kan men aannemen, dat wanneer men aan
een oud gebouw, duifsteen aantreft, het dan ook zeer oud is. Alle
schrijvers, die de aandacht hunner lezers op den duifsteen aan oude
gebouwen vestigden, zijn dit zelfde gevoelen toegedaan--en wel in
die mate, dat men er de gevolgtrekking nevens maakt, dat de Romeinen
meestal den omtrek van dusdanig gebouw eenmaal ter hunner woonplaatse
verkozen hebben.
Zoo was b. v. het Duifhuis bij Rotterdam--naar zijne steenen aldus
genoemd--eene Romeinsche sterkte, de heidensche kapel te Nijmegen is
van duifsteen gebouwd en was de vroegere heidensche kapel te Utrecht,
insgelijks van denzelfden steen opgetrokken. [141]
De geleerde Berkhei heeft o. a. van den duifsteen nagegaan en
geschreven, dat men hem veel op kerkhoven vindt, omdat onze voorzaten
gewoonlijk hunne lijken met deze soort van steen dekten en de Gothen
er van bouwden.
Ds. Heldring zegt, omtrent zijne beschrevene voorvaderlijke
begraafplaatsen, waarin insgelijks duifsteen werd aangetroffen, dat
zij deels Bataafsch en deels Romeinsch waren--de blaauwe urne bewees
het eerste, de duifsteen enz. het laatste. [142]
Doch hoe nu duidelijk gemaakt, vraagt zich welligt iemand,
dat men juist altijd duifsteen aan dusdanige oude monumenten
aantreft.--Luister:
Gebakken metselsteenen waren ten tijde der Romeinsche overheersching
nog niet uitgevonden, en al ware dit zoo geweest, dan had men immers
in ons land nog geen steen-ovens--de duifsteen echter kwam in onzen
bodem in natura voor--en nog een bestanddeel van den grond uitmakende,
was hij zacht en kon alzoo gemakkelijk in die gedaante gebragt worden,
die men verkoos.
Wordt het dus niet belangwekkend, mijne lezers, dat gij u aan de
beneden-westzijde van het torengebouw, van de aanwezigheid eener
aanmerkelijke hoeveelheid duifsteen kunt overtuigen, en wij u daarbij
kunnen mededeelen, dat voor ruim 50 jaren de geheele kerk in haren
beneden omtrek nog uit duifsteen bestond, zoo ook een verbroken
portaal aan de zuidzijde van laatstgenoemd gebouw? [143]
En zoo is het, het aanwezig zijn van den cementsteen aan den toren,
doet dit gebouw, eene veel hoogere oudheid erlangen, als men tot
hiertoe meende.
In het breede zouden wij ons in eene volgende rubriek kunnen ophouden
over de beteekenis der hemelstreken in het heidendom, en waarom men in
het christendom bijna immer tot regel had aangenomen, de Godshuizen,
oost en westwaarts te bouwen--ook hier zouden wij tot verrassende
resultaten komen, doch om meer dan eene reden kunnen wij hier er niet
over schrijven.
c. DE HOOGE LIGGING DER KERK.
De kerk-symboliek, die zich zoo treffend door geheel de kerk
laat bespeuren, speelt reeds in de verhevene ligging eene groote
rol,--Tertulliaan zeide reeds: de kerk moet hoog liggen. Gaat dus
opwaarts ter kerke, Sion toch ligt ook op eene hoogte, en klimt dan
met Salomon ten offer. [144]
Nog is de hooge ligging der kerk, voornamelijk aan de oost-en zuidzijde
zeer opmerkelijk. Ongetwijfeld echter vertoonde zich dezelve in
de eerste tijden na hare stichting nog meer verheven. Allengs
toch verhoogde men al meer en meer de straten, zoo zelfs dat het
in den tijd waarin wij leven, bij de arbeidslieden volstrekt geen
zeldzaamheid heet, een halve Ned. el diepte onder de tegenwoordige
straat nog eene geplaveide straat aan te treffen. De standplaats der
kerk bleef echter meer dezelfde, en daarom moet de opgang eertijds
nog aanmerkelijk hooger geweest zijn.
d. WIEN WAS DE KERK EERTIJDS TOEGEWIJD.
Het is ongetwijfeld ieder onzer lezers bekend, dat het bij de
roomschgezinden gebruikelijk is, kapellen en kerken aan zekere
heiligen toe te wijden, of, om den gebruikelijken term te gebruiken,
een heilige tot patroon der kerk te kiezen. Welnu, natuurlijk is zulks
ook met deze kerk het geval geweest en als van zelf doet zich dus de
vraag op: wie was de patroon van deze kerk?
»Men zegt", aldus vinden wij bij van Kinschot [145] aangeteekend,
»dat, eerst St. Willebrord en daarna de aartsengel Michiel de patronen
daarvan zouden geweest zijn."
Naar onze meening zijn voor het gevoelen van den eersten de volgende
redenen aan te voeren:
a. Dat St. Willibrordus eerste patroon der parochiekerk geweest is,
schijnt ons hieruit te blijken, dat hij in ons land het evangelie
verkondigd heeft, zijn standplaats Utrecht was en hij dikwijls in de
environs ging prediken.
b. Oudewater lag digt bij Utrecht. In dit oord woonde heidenen,
en het was door zijne waardlanden vooral ligt te genaken.
c. Aangenomen dus eens, en het wordt hoogst waarschijnlijk, dat
hij hier gepredikt heeft, dan zal men later, zich zijne prediking
herinnerende, na zijnen dood hem alligt tot kerkpatroon gekozen hebben.
d. Zekere torenklok,--die den volke het geheele uur verkondigt, is
aan twee zijden versierd met een bisschopsafbeelding, onder iedere
waarvan staat
St. Willebrordus.
Ook dit doet aan zijn patronaat denken.
e. Van waar halen Kinschot en zoo velen de meening, dat deze ijverige
geloofsheld later de patroon zoude geweest zijn. Deze sage pleit
welligt nog het sterkst voor het algemeen gevoelen.
Doch moeten wij omtrent St. Willebrordus' patronaat nog eenigzins
twijfelachtig de schouders ophalen, bepaald weten wij, dat zulks
omtrent den aartsengel Michiel niet het geval is; wij gaan het
aantoonen.
Het feest eens kerk-patroons wordt bij de roomschgezinden met
plegtigheid gevierd en de opkomst naar de kerk van de leden eener
zoodanige gemeente, is op dien dag natuurlijk groot. Vreemdelingen
kwamen dan, vooral eenige eeuwen geleden, op dien dag hunne waren
ten verkoop aanbieden, en hierdoor ontstonden de kermissen.
Voor eenige jaren nu--stadgenooten weten dit--was alhier de
kermis-aanvang nog des Maandags na St. Michielsfeest [146] en alzoo
kan hieruit reeds met zekerheid St. Michiel als voormalige kerkpatroon
worden aangemerkt.
e. BOUWORDE EN CONSTRUCTIE VAN KERK EN TOREN.
De bouworde van beiden is, zooals met een oogopslag aan de spitsbogen
en versierselen te zien is, der schoone en symbolische gothiek gevolgd.
Wat hare constructie aangaat, zij zou eigenlijk verdeeld moeten worden
in drie voornamen klassen en wel:
1. Hare oorspronkelijk constructie.
2. Dezelve na de reformatie en,
3. Na het jaar 1858 of zoo als zij zich nu vertoont.
Indien--en wij nemen aan het vrij exact te doen--indien wij de kerk en
haren oorspronkelijken staat in den geest bezochten, dan zouden wij
tevens haar beschrijvende, de symbolische beteekenis van het geheel,
zoowel als van hare onderdeden niet kunnen voorbij gaan, om dat het
gelijk een weefsel is en een geheel uitmaakt; de beperkte ruimte echter
waarover wij te beschikken hebben, is eene der redenen, waarom wij
het niet doen, te meer daar wij ook hiervoren reeds beloofd hebben,
zoo veel mogelijk uitsluitend op een meer geschiedkundig terrein
te blijven.
Als zoodanig dan stellen wij ons voor, de leemten eenigzins aan
te vullen, die de Heer van Kinschot, de constructie van de kerk
beschrijvende heeft gelaten, eenige der veranderingen aan te stippen,
die na zijnen dood de kerk onderging en de naamlijst der predikanten,
op zijn voetspoor te completeren tot op onzen tijd.
Op bladz. 30 en 31 [147] lezen wij omtrent hare constructie:
»De parochie kerk hier ter stede is al vrij aanzienlijk, en met twee
choren voorzien. Het eerste (was) aan het H. Sacrament, het andere
aan de H. Maria toegewijd...
»Zij staat kort bij en aan de rivier de IJssel, is van eene groote
ruimte, rustende op zestien pilaren in twee reijen verdeeld, en had
voorheen drie kruizen wulfsels, die in het jaar 1732 vertimmert zijn.
»In deze kerk hebben reeds vóór het jaar 1329 vier altaren gestaan,
zijnde toen door Diderik Kiel en anderen een vijfde daar bij gesticht,
waar bij nader mogelijk nog meerdere gekomen zijn, die met eenige
vicarijen en inkomsten voorzien werden."
»Aan den torenmuur is een kas van een groot oud orgel, wier deuren van
binnen met bisschoppen en andere roomsche geestelijken, in knielende
en biddende gestalte beschildert zijn.--Dit orgel, door deszelfs
oudheid onbruikbaar geworden zijnde, heeft men in het jaar 1645 een
kleiner naast den toren, ter zijde het oude geplaatst."
Was de geheele kerk, zoo als wij reeds ter neder schreven aan
St. Michiel gewijd, zoo werden echter ook de altaren, »naast den
almogenden Godt" aan zekere heiligen toegewijd.
De Heer van Kinschot maakt gewag van vijf altaren,--dit getal is echter
later minstens nog met een vermeerderd. Wij kunnen dit met zekerheid
bepalen, dewijl wij de verschillende namen dier autaars duidelijk,
als in deze kerk aanwezig geweest zijnde, hebben aangetroffen.
Laat ons het aantoonen.
De twee choren, zagen wij aan het H. Sacrament en de H. Maria gewijd.
Oude, in ons bezit zijnde pergamenten [148]--die wij ieder oudheid
minnaar met genoegen willen toonen--maken gewag van een St. Cornelis
autaer [149] en van een St. Jans autaer [150]. Zeker stuk [151] op
het gemeente archief aanwezig, maakt gewag van een St. Jacobs autaer
en het ten jaren 1329 door Diederik Kiel enz. gestichte, was ter eere
van den almogenden Godt en de H. Catharina. [152]
Van meerdere altaren dan de zes hier genoemde, vinden wij geen melding
gemaakt, en wij zouden die ook bezwaarlijk in onze gedachten in de
kerk te regt kunnen brengen.--Voor de zes genoemde wagen wij het.
1. Het hoofd-altaar (aan het H. Sacrament) bevond zich ongetwijfeld,
in de oostwaarts uitstekende groote nis of apside.
2. Daar naast stond volgens de sage, ter noordzijde van het
H. Sacrament altaar, insgelijks een autaar, dat volgens Kinschot aan de
H. Maria gewijd was en trouwens zeer in de geest der kerksymboliek is.
3. Een derde altaar zal hoogstwaarschijnlijk aanwezig zijn geweest
in de tegenwoordige catechiseerkamer, ten zuidoosten der kerk, te
meer daar wij ook met eenige zekerheid de voormalige sacristy daarin
denken.--Nog op dezen dag bezit die »kamer" een fraai gothisch gewelf.
4. Ook de tegenwoordige consistorie, ten noorden der kerk, waarin
ons insgelijks de gothische bouwkunst nog frappeert, zal een altaar
hebben omsloten.
5. Vroeger was de kerk een kruiskerk, zoo als gemakkelijk in Rademakers
kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden op het plaatje de
kerk en toren voorstellende, te zien is.--Het zuidelijk uitspringende
gedeelte is reeds lang verbroken, doch ook daarin denke men zich met
gerustheid een altaar--en ten
6. Bevond zich in de kerk, aan de westelijke zijde, nog een doopkapel
waarin welligt het St. Jans autaer zal aanwezig geweest zijn.
Laat ons bij het laatstgenoemde nog een weinig toeven.
Waarom nu mijne lezers stond daar aan de westelijke zijde zoo veel
mogelijk van het hoofdaltaar verwijderd de doopkapel?--Vele redenen
had men hiervoor o. a. deze.--De kerksymboliek gedoogde niet, dat de
nog ongedoopte kinderen, tot het eigenlijke kerkgebouw zouden toegang
hebben; heidenen als zij waren, werden zij dus westwaarts herwaarts
gebragt, om zoo te kunnen over gaan tot de rei der christenen,
die in de oude kerken toen meestal baden met het aangezigt naar het
mysterieuse oosten.
Zeer opmerkelijk waren de veelhoekige zijden dezer kapel en
voornamelijk was dit in haar dak op te merken--hoogst waarschijnlijk
was zij achthoekig--toen men dezelve in 1858 verbrak, speet het
ons later, dit toen niet te hebben nagegaan,--een steenen duif, het
symbool van den H. Geest, aan het gewelf vóór de afbraak aanwezig,
doet ons nog meer aan de doopkapel denken [153] te meer daar acht
stralen van de duive uitgaan.
Twijfelt men nog aan de waarheid, dat daar de doopkapel was, zie dan
nog meerdere gronden.
Uitgenomen, dat het nu al meer en meer duidelijk wordt, dat het
St. Jans autaar daarin aanwezig zal geweest zijn, te meer als wij aan
St. Joannes Baptist denken, die hier door St. Jan moet worden verstaan,
vond men bij het amoveren dezer kapel, in hare bevloering, ongeveer
drie palmen met zand overdekt, een fraai doopvont, van blaauwe steen;
in den omtrek was hetzelve achthoekig, hoewel het eene ronde vochtholte
bezat. [154]
Nadat wij u hebben opmerkzaam gemaakt op het getal acht in onze
doopkapel, vermelden wij u ook de symbolische beteekenis er van.
De meeste of liever vele doopvonten, geachte lezer, waren eertijds
achthoekig, omdat het getal acht, de acht zaligheden aanduidt en ten
tijde van St. Ambrosius was het reeds een symbool van 's menschen
wedergeboorte door het doopsel. Doch genoeg van de doopkapel, laat ons
nu nog de muur- en gewelf-schildering kortelijk onze aandacht wijden.
»Reeds ten tijde van Karel de Groote, was het beschilderen der
kerkwanden, met leerzame en stichtende beelden, bepaald voorschrift
en in de eigenlijke middeneeuwen lezen wij, dat, men in de kerken,
bijna geen enkele witte plek kon aantoonen. [155]"
Ook in onze kerk trof men ten vorige jare o. a. in de apsis, sporen
van muurschildering aan, zoo ook in de gewelven der doopkapel, doch
in beiden is men met zoo veel ruwheid te werk gegaan, dat men niets
hiervan heeft kunnen copieren.
Voorts bevonden zich nog voor de reeds meermalen genoemde reconstructie
aan de zuidzijde in het verwelf der kerk eenige wapenschilden met
een jaartal.
Het geheel had ongeveer de grootte van eene Nederlandsche el
breedte en lengte--eigenlijk waren de voornoemde wapens slechts
eenvoudige schilden, zonder strengen heraldische eigenschappen:
een dezer schildjes toch was beschilderd met metselaars, een andere
met timmermans een derde en vierde naar het ons voorkwam--het
was door oudheid onduidelijk--met smidsgereedschappen en
boogschutterswerktuigen. Het omschrift was in Gothische letters aldus: