De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van
de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het
eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds lang voor
die volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne
woonstede verkozen.
Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan,
en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die,
hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een
natuurleven leidden;--volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna
ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad
oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij
op de werktuigen waarmede.
Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge, zoo houdt
men toch Azië als het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte,
en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts' aangehaalden
»Aloude staat" volgen.
De Celten--zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europa en
ook van ons land genaamd--de Celten waren Scythische volkeren.
Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals
wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij in Azië en wel binnen en
buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd
werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter
oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en
Celten ontsproten.
De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee, vestigden zich
in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden
volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van
daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en
Klein-Azie.
In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa
òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den
oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander
eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.
En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking
van het werelddeel en het land dat wij bewonen.
Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uit Noord-Azië is
bevolkt geworden, zoo zie verder:
Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de
H. Schrift. Ook is het bekend, dat in Zuid-Azië reeds vroeg, zeer vroeg
kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren,
toen N.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid
begraven lagen.
Was Europa dus uit Zuidelijk Azië gepopuleerd, dan hadden zij ook de
kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten
nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke
bewoners weinig gemeen.
De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte
hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar
hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo
een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal
mistige Europa.
De Scytiers van Noordelijk Azië echter hadden daarvoor meerdere
geschiktheid. De sobere levenswijze die zij leidden, maakten hen
bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen
hebben.
Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers
welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden--over de
Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook,
ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden--hoe er
door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam,
die der Finnen, ontsproot--hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en
Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken,
Duitschland, Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte van Italië en
Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder
uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) in Klein-Azië
vestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa's bewoners
Celten waren.
b. Men moet zich eenigzins rekenschap vragen, wanneer ons land,
en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt
geworden.
Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd
onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.
Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderland is door de Celten
bewoond. De vraag is nu echter: waar en wanneer.
Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou
groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets
kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwording voortging; dáár dus
waar die wording plaats greep--en zij deed zulks in een groot deel
van onze provincien--was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en
moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig
drassige grond was toen althans niet bewoonbaar.
Ook de geduchte vijandin--de Noordzee hebben wij als eene groote
hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar
kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende
golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich
voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit:
dit zegt ons de geologie, en alzoo zal Oudewater en omtrek wel niet
voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.
Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop
door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus,
toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en
boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen
slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle
landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den
algemeenen naam van Celten of Voor-Germanen bestempeld, leefden daar
grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren,
elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden
werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen
door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden
uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig
denkbeeld van hunne levenswijze te vormen." [117]
En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins
geslaagd is zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze
te vormen?--Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale
steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,
die fluisteren u alsnog van dat geslacht 'twelk eenmaal uit Azies
noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij
Celten noemen.
De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in
gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën
vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang
gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten
staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer
van oudheidliefde gloeijend nageslacht. [118]
Zooals Lud. Smids meent [119], was het eene dame, Titia Brongersma,
die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan,
en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden
voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf
dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin
gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men
dat tijdvak veeltijds de steenperiode.
Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte
des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden
aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen
en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer
beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.
c. Daar, waar al van vroege, van Voor-Germaansche bevolking wordt
gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.
d. Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren
vreemdelingen, meestal Romeinen.
e. En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal
gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige
plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.
Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten
letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om
welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben;
wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven,
omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding
zullen bevinden.
Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.
Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische
bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen,
omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden
waren komen bezoeken.
Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de
Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van
slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en
zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit
moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden
zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper
volk te doen hadden.
Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp
eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na:
ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig
van ons land en het oord onzer beschrijving weten.
Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als
geschiedschrijvers dezer landen noemen.
Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten
wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit
geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens
iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.
Het waren geen Germanen of Galliërs, zeggen wij. De Romeinen toch
verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in
drie voorname deelen, van welke het Belgisch Gallië het noordelijkste
uitmaakte. De Belgen waren dus Galliërs. Nader heeft men dezen naam
alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie
betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen
ontdekken. [120]
Hoever en tot waar nu Belgisch Gallië en Germania inferior strekten,
is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals in
c. gezegd werd, niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het
oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele tot Gallië
doch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in
taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest
uit volkplantingen van deze volken bestonden. [121]
Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat
van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en
inzonderheid van den Rijn.
Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan
nalaten, het hier neder te schrijven:
Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks
50 jaren voor Christus' geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:
»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen,
en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd
wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren,
en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de
Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen,
loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers,
der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer
hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene
takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste
gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er
gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren
leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee."
De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die
onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:
»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee
meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam
en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver
van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij
dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn--daar hij ter
regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers
wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen
heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den
zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in
de gedaante van eene rivier in zee."
Daarna schreef Plinius secundus:
»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en
Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen
der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij
elkander liggen tusschen Helium en Flevum. Dus worden de monden
genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in
meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door
een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene
kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt."
Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog
aanmerkt:
»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om 't
gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg
over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil,
en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het
land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid
van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met
den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter
heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans
verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door
den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten."
Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden
staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal
zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende
gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig
geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen
te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.
Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten
van Peutinger.
Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers
aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne
legioenen te velde gingen, [122] werden er kundige lieden afgezonden
om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien;
het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en
de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en
de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores
en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders
moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen
aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de
noodzakelijkheid het vorderde.
Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten! hierop
kunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben
gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.
De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die
van Lugdunum naar Noviomagum voerden.
De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:
1) Van Lugdunum over het 2) Praetorium Agrippinae uit tot 3) Matelo,
4) Albamanis, 5) Niger Pullus, 6) Lauri, 7) Fletio, 8) Levæ fanum,
9) Carvo, 10) Castra Hercules, 11) Noviomagum.
Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende
schrijvers worden uitgelegd.
1. Lugdunum willen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van
Leeuwen als het tegenwoordige Leiden aanduiden. Menso Alting houdt
het echter voor Loegsduinen of Loosduinen.
2. Prætorium Agrippinæ is, volgens Bertius, Menso Alting en S. van
Leeuwen, Roomburg.
3. Matelo wordt door Bertius gehouden voor Koudekerk; Van Leeuwen
houdt het voor Rhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.