»En wat ik al gaarne bijwoon of niet--men zal mij al zeer
ligt bij een Christelijk feest aantreffen.
Ook vindt gij mij ligt bij eene begrafenis, als als ik
mijn medemensch ten grave breng. Hoewel mijne ziel dan
geene vreugde vindt, zoo is er toch nog eene gedachte
in die ure, welke mij met een zachten vrede vervult, het
is de gedachte: deze is dan ook wederom ten einde van
zijne loopbaan gekomen, heeft gestreden en geleden en is
den laatsten kamp te boven."
Ds. Heldring.
Het kwam ons niet ongepast voor, eenmaal aan de begrafenisplegtigheden
der heidenen bezig zijnde, nog iets weinigs daarvan te herhalen en
ook nu weder daarna te zien wat wij nog in onzen tijd als gewijzigde
heidensche overblijfselen daarvan te beschouwen hebben.
Bij de heidenen zagen wij, als iemand het tijdelijke met het eeuwige
verwisseld had, hem dronken ter eere brengen en bezoeken.
Ook in onzen tijd komt men dikwijls ten sterfhuize om den doode te
zien, en al brengt men hem nu geen dronken meer toe: de stille traan,
heenbiggelende over de heete wang, en uw gezegde: »hij was groot en
regtschapen" zegt niet minder.
Bij de heidenen had men reeds een lijk-aanvoerder, die met de
regeling der begrafenis belast werd, Chrene bedar genaamd. Hierin zijn
onze woorden grienen, huilen voor Chrene, en bidder voor bedar. De
overeenstemming is zeer opmerkelijk.
Boerenbegrafenissen zijn alhier nog het meest eigenaartig en het
meest met het grijs verledene instemmende.
Ook Hofdijk maakt hiervan gewag. Zie slechts wat hij op bladz. 75
van zijne »Historische landschappen" zegt, over eene begrafenis der
ouden schrijvende:
»Ware het nu spade schemering en niet slechts dalende zonne, zoodat
u de aloude dragt en het voorkomen der Germanen niet in het oog viel
en gij slechts de donkere gedaanten langs u voorbij zaagt gaan--gij
zoudt gelooven eene gewone dorpsbegrafenis te hebben aanschouwd.
»Ook thans nog treft u de overeenkomst van het eerwaardig gebruik",
en Buddingh, het zelfde onderwerp beschrijvende, meldt in dezer voege:
»dat men bij begrafenissen ook steeds veel prijs stelde (vroeger en
ten platten lande meer dan thans in de steden) op het beijeren, op
het bombam van klokken, ten einde daardoor den duivel te verschrikken
of van het lijk te houden, schijnt wel eenigzins ons vermoeden te
bevestigen, dat men ook in het heidendom dat bombambeijeren, hetzij
dan van klokken of hoedanig ook, gekend hebbe." Hoe dit zij: ook in
Oudewater worden nog zelden de klokken voor lijken van stedelingen,
minder zelden voor gestorven buitenmenschen geluid. Als er dan hier
een doode is en de familie of betrekkingen willen de begrafenis naar
aloud gebruik doen plaats hebben, dan wordt hij, zoo men dat noemt,
eerst overluid, hetwelk zich daardoor opmerkt, dat men driemaal met
eene klok klept die ligt van klank is; daarna gaat men met groote
klokken aan het luiden, en bij mannelijke dooden is de plegtigheid
nu vooreerst hiermede gedaan.
Is het echter eene vrouw, die gestorven is, dan klept men nog eens
na het luiden ter onderscheiding. [112]
Zooals reeds werd opgemerkt, gaat men dan den doode bezoeken, en onder
het klokkengelui wordt het lijk daarna begraven. Dit klokkengelui
begint voor de buitenmenschen zoodra men aan de grens der gemeente
is, waar omstreeks het lijk van den wagen wordt genomen en de stad
doorgedragen. Ook zij die het lijk vergezellen, volgen dan loopende
achter de baar. [113] Bezie dezen optogt nu wat nader. Zie, daar gaat
nog, als ten tijde van het heidendom, de lijkaanvoerder of bidder;
ter zijde van dezen loopt [114] een agent van policie, dan volgen
de dragers met de zwarte lijkbaar, en daarachter de nabestaanden,
vrienden en geburen, de mannen met rouwfloers om den hoed, soms tot
aan de kniën van achter afdalende, de vrouwen insgelijks in rouwgewaad
met regenkleeden over het hoofd, waarachter hun aangezigt soms bijna
geheel wegschuilt.
Het gebruik dezer regenkleeden is zeer oud. Eeuwen en eeuwen terug
droeg men die immer in het dagelijksch leven: zoodanig hoofdkleed
was toen gebruikelijk. Men ziet het reeds eenigzins op de teekening
eener vrije vrouw uit de 10de eeuw, en de afbeelding eener bejaarde
vrouw uit de 15de eeuw [115] heeft dit veel duidelijker. Hoe de wijze
van kleederdragt ook veranderde: dan, als men in rouwe gedompeld was,
behield men dit en behoudt men dit nog tot in onzen tijd. [116]
Terwijl wij dit opmerken, zijn wij reeds het kerkhof genaderd,
het stoffelijk overschot wordt in de groeve nedergelaten, en nadat
men nog eenmaal heeft gezien in het graf, dat weldra de asch des
dierbaren afgestorvene zal bevatten, verlaat men den Godsakker,
onder luid geween of verborgen smarte, zooals men hem betrad. Weder
aan de grens der stad gekomen, houdt men nu met klokkenluiden op,
en bidder en agent verwijderen zich.
Men denke echter niet dat men nu zonder bidder is; neen, van den
eersten dag dat het lijk er was, wordt naar aloud gebruik de eerste
buurman, naar de stad of beter naar het kerkhof aan wonende, tot
groefbidder benoemd. Die belast zich dan met de meeste werkzaamheden
aan de begrafenisplegtigheden verbonden, en bij dien aan huis wordt ook
het "vetje" of doodmaal gehouden.--"Doodmaal!" zegt gij welligt, "dit
had ook, zooals hiervoren bleek, reeds in het heidendom plaats!" en
uwe aanmerking is teregt.
Prikkelt dit welligt uwe weetgierigheid hiervan iets meer te weten,
zoo luister:
»Wat de begrafenismaaltijden en lijkburen onder het heidendom waren,"
zegt Buddingh, bladz. 147, »schijnt ons toe, te blijken door hetgene
Aug. Schrader, Germ. Myth. 1843 (uit Boltens »Gesch. der alten
Ditmarsen", I, 315, enz.) aanhaalt, welke laatste berigt, dat het
heidendom gewoon was, na het ter aarde bestellen der asch aan ieder
die deze plegtigheid hetzij uit aanverwantschap of nabuurschap had
bijgewoond, een hoorn of houten schaal met bier of andere dranken
gevuld, aan te bieden, die men eerst ter eere der goden, daarna ook
van den afgestorvene ledigde."
Bij al het voorgaande wat wij reeds van de begrafenisplegtigheden
voorheen en nu met elkander vergeleken en de treffende overeenkomst
zagen, komt de zaak dat de buren er bij waren in aanzien. Den buurman
toch zagen wij reeds groefbidder; de buurman spant niet zelden zijne
paarden voor den lijkwagen; bij den buurman vindt ook het lijkmaal
plaats, en waarin bestaat dit--bij de heidenen, zagen wij, in bier;
en waarin nog--in brood en bier.
»Het heidendom," dus zegt Buddingh nog, »schijnt echter een duidelijk
onderscheid gemaakt te hebben tusschen dezulken die aan eene ziekte,
en anderen die in den oorlog of een gevecht overleden of gevallen
waren. De eersten werden in het Noorden Bior (ons Piers) genoemd." Het
verschil is hiervoren reeds aangetoond, doch indien het dus waar is
(waaraan wij niet twijfelen) dat een buiten het gevecht gestorvene,
piers genoemd werd, dan verklaren wij daaruit tevens ons Oudewatersch
spreekwoord: »hij is zoo dood als een pier".
Grootendeels en nu voorloopig genoeg, hebben wij de mythologie
van Oudewater en omtrek beschreven. Voorloopig genoeg, zeggen wij:
hoe ligt toch zal het plaats kunnen hebben, dat, bij het vermelden
van historische feiten, daarin nog mythologische daadzaken zijn
doorweven, die dus met elkander een geschiedkundig geheel zullen
uitmaken. Alleenlijk noemen wij nu de heksenwaag.
Bij het schrijven over de natuurleer onzer vaderen, hopen wij, zaken te
hebben aan het licht gebragt, die eeuwen hier in dit belangwekkend oord
plaats hadden en eeuwen daarna met een onzigtbaren sluijer tijdens het
Christendom waren bedekt, en toch hebben wij het gewaagd dien sluijer
op te ligten en rond te zoeken in den mythologischen chaos van weleer.
Mogen deze woorden--hopen wij--niet euvel worden opgenomen! Indien wij
toch, vóór er iets van de Mythologie dezer belangwekkende plaats in
het licht was, door bestudeerden ons de aanmerking hoorden maken met
een spottenden trek op het gelaat; hoe het mogelijk was? Oudewater
mythologisch te beschouwen; dan moet er wel een dikke sluijer over
heen gespreid zijn geweest.
Omtrent vele facta hiervoren vermeld, zal men ongeloovig de schouders
ophalen, en als zoodanig getroostten wij ons reeds vele aanmerkingen
van onbevoegde beoordeelaars. Bijna alles echter wat vermeld is,
schreven wij meest op het gezag van geleerden, en wij maakten
voor Oudewater en omtrek de toepassing, verkregen--wij durven het
zeggen--door langdurige studie en scherp onderzoek; en wij passen nu
gerust de woorden van Hofdijk toe ook op dit oord: »Zoo gaat het oude
heidendom, al is het ook met gemaskerd, met dikwerf gansch verhuld
gelaat, nog altoos onder ons rond." Men neme echter in aanmerking, dat
de vermelde daadzaken brokstukken, niet dan hier en daar verspreidde
bouwstoffen zijn van het gebouw, dat verdwenen is--eene mythologie
van ons land. Velen hebben reeds met verbazende inspanning hunne
krachten aangewend, die bouwstoffen uit het stof der eeuwen op te
rakelen, echter niet om de mythologie weder in te voeren, zooals met
pedante dwaasheid wel gezegd werd, doch om leven, zijn en denken,
nader te leeren kennen van ons roemrucht voorgeslacht waaraan wij
zooveel verpligt zijn.
Dit was dan ook eene onzer drijfveeren, bij deze beschrijving,
en wanneer later velen uit ons vaderland door het opduiken van
mythologische overblijfselen uit het oord hunner bewoning--al is
het ook in het oog van velen belagchelijk die in kinderspel enz. te
zoeken--wanneer velen dan hunne bouwstoffen hebben aangebragt, dan
vindt men welligt door schifting, wrijving en vergelijking daarvan
onderling, het grootste gedeelte weder der mythologie onzer vaderen,
die men voor altijd dacht opgelost in den onstuimigen en woeligen
tijd-oceaan.
Hierdoor zal men dan ook nog betere contrasten kunnen zien tusschen
heidensche godendienst en Christen Godsdienst; dan zal het duistere
van het heidendom, dat viel en diep viel, al sterker en sterker
afsteken bij het lichtende Christengeloof; dan zullen wij ons nog meer
dankbaar gevoelen omtrent de eerste predikers van het Christendom in
ons dierbaar vaderland.
Alzoo gingen wij dan door met de mythologische beschrijving, met den
ijver van dit onderzoek immers kwam, zooals wij zagen, ook allengs
de overtuiging van het nut daarvan. De fragmenten die wij opmerkten,
leerden ons zien wat heidensch en verderfelijk is in onzen tijd, en
mede wat onmiskenbaar verhevens tevens zij hadden die in den nacht van
ongeloof omdoolden en zich nog niet konden verwarmen aan de koesterende
stralen van het gezegende Christendom; die fragmenten leerden ons
oordeelen over het geheel dat verloren is,--deden ons eindelijk zien,
dat deze plaats of gepaster dit oord reeds vóór de invoering van het
Christendom in ons vaderland, bewoond werd door onze voorouders van
Germaanschen stam. Welke echter de namen onzer voorouders in deze
oorden waren, zij ons vergund onder ons geschiedkundig gedeelte te
beschrijven, dat nu aan de beurt is.