DRIETALLEN.

Sol.--Mond, Tyr, Lun.--Hertha, Frowa, Frau.

Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon

en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha

(de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.

Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt,

zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, dat Lin

in Linschoten wezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds

vroeger werd gedacht. Ter zake nu:

Sol- of Zonvereering.--Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren

beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet

noodig zijn hier langer bij stil te staan.

Mond, Tyr, Lun.--Was de opvatting van den naamsoorsprong in Montfoort

juist, dan liet de maanvereering daarin een spoor na. [83]

Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god des tijds

werd hij Tyr (Tijs) genoemd.

De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan

aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning

had.

Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij

het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen,

enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.

Ook te Linschoten zagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij

Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,

LIN in het Noorden vereerd werd--onder dien van Lun, Lunia, bij de

Saxen, en dat Luna met Lina en LIN verwant is, wordt insgelijks bij

hem vermeld. [84]

Hertha.--Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord

te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat

wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook

zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in

ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.

Hertha, Freija, Frowa, Frau.--Reeds heeft men hiervoren gezien, dat

de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa

en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.

Tydeman teekent o. a. van deze aan [85]: De gemalin van Odin was

Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze

naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen

door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster,

weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en

zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke

onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd," enz.

Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha

ook Freija, Frowa, Frau was. [86]

Tusschen Oudewater en het dorp Linschoten ligt in de boerenbuurt

Linschoten eene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd;

en dit woord leiden wij van Frau, en wel:

a. om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.

b. omdat aan een der beide boorden van het water de Linschoten eene

vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus

voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest,

en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was

die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam

daarvan gekregen hebben.

c. Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, was Lin

er eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in de Linschoten.

d. Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.

Wodan, Thora en Freija.

In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.

Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij in Oudewater en

omtrek niet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld

in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn [87],

Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze

dagen na.

Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat hun trechten toegewijd

waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aan Haastrecht, [88]

dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden

toegewijd zien.

Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou

den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom

laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig

blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen,

zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van

dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds

tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen

nu, die ook in den omtrek van Oudewater nog dikwijls daarop worden

aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors

hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet

denken. [89]

Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken. Uit den zeer

grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent

zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:

Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien

gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken

eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan

hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit

onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun

echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde,

en nog twee malen stooten. [90] Indien gij dan naar de reden van dit

gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: "Wat reden? dit hoort

zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!"

Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.--Luister; het drinken

op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van

heidenschen oorsprong. Zij--de heidenen--dronken reeds de bruine meede

of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond

en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking;

voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en

gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef--het laat zich zeer wel

begrijpen--wederom het langst bij de boeren aanwezig. [91]

Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust,

dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen,

oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de

navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.

In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet

op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te

behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is,

en deze geschiedenis nu is de onbeschreven geschiedenis.

Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook

deze was immers voor Oudewater en omtrek de onbeschreven geschiedenis.

En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen

zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijn aan de plaats met den omtrek

der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.

Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingen

vooreerst echter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom

alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.

Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen,

te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef,

eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende

mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te

willen volgen.

BEWIJZEN, DAT DE PLAATS EN OMTREK WAAR NU GROOTE KERK EN TOREN STAAN,

WELLIGT EERTIJDS AAN HEIDENSCHE EERDIENST GEWIJD WAREN, ER ECHTER

STELLIG EENE HEIDENSCHE BEGRAAFPLAATS WAS.

a. De ligging aan den IJssel.

"Eerst zij nog opgemerkt, dat bij de meeste heiligdommen,

eene gewijde tempelbron, kom of ander water was, dat tot

reiniging diende."

Mr. van den Bergh.

Reeds poogden wij den lezer een begrip te schenken van waterbevolking

en watervereering, zoowel van elders als van dit oord, en waarover men

gelieve te zien bladz. 77-99, als ook hier van toepassing kunnende

zijn. En hoewel alles, daar vermeld, reeds pleit voor genoemde

eeredienst, zijn er, deze uitgenomen, nog meerdere bewijzen van

stroomvergoding alhier aan te brengen, en wij zullen die ook aanvoeren,

nadat wij eerst iets gezien hebben, van hetgeen daaromtrent elders

wordt aangetroffen, zullende dit weder stof tot vergelijking voor

ons aanbrengen.

Het valt ons al dadelijk op, dat zoovele steden waar men voorvaderlijke

gedenkteekenen heeft gevonden, juist aan rivieren gelegen zijn. Hoe

komt dat, geachte lezer?--Zeker, de aanslibbing der rivieren maakte

het oord spoedig voor bewoning geschikt, en de rivieren verschaften

onderling verkeer en welvaart; doch welligt zal de stroomvereering

insgelijks daarmede in verband kunnen worden gebragt.

Immers, zij hadden voor die eerdienst zoodanige gehechtheid,

dat de critische van den Bergh zich er aldus over uitlaat: [92]

»Deze eerdienst was zoo diep bij hen ingeworteld, dat die nimmer

geheel is uitgeroeid kunnen worden, niettegenstaande de Christelijke

geloofspredikers aanhoudend ten sterkste daartegen ijverden en deze

dienst als heidensch en vloekwaardig afmaalden en ook vele wetten

daartegen gerigt zijn. Men meene echter niet, dat zij het water zelf

als eene godheid vereerden: zij beschouwden het als de verblijfplaats

der goden en daarom heilig, bijna gelijk als de omtrek der heiligdommen

gewijd was."

Uitgenomen nog een aantal geleerden, spreekt ook de heer Tydeman

[93] in dezer voege. Verder merkt hij op, dat, onder de rivieren,

vooral de Rijn, de Rhoer en de Vecht in aanzien stonden, terwijl men

dacht--aldus vervolgt hij--dat zij door goden werden bewoond, wier

rang zich naar de grootte en voortreffelijkheid dezer stroomen schikte.

Voornamelijk in de bogten der wateren was het, dat men offers aanbragt

en de mythologische plegtigheden verrigtte.

In Westphalen wijzen de overleveringen nog meeren aan, van welke men

gelooft, dat zij grondeloos zijn [94], met andere onderaardsche meeren

gemeenschap hebben, of waarin op sommige tijden een dof onderaardsch

geluid wordt gehoord. Dikwijls waren deze gewijde wateren met bosch

omzoomd of door een prachtig woud gedekt.

Het groote gewigt, dat men aan deze waterdienst hechtte, toonde zich

vooral ook daarin, dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren

of meeren gebouwd werden; dat er bij een heiligdom of bij een gewijd

offerwoud geen put, enz. mogt ontbreken.

Nog zeer veel zouden wij kunnen aanhalen. Uit het aangevoerde is

nogtans reeds voldoende gebleken, dat de riviervergoding bij de ouden

in groot aanzien was.

Wat kunnen wij nu toepassen op den IJssel, waaraan de kerk gebouwd is?

Er werd aangetoond:

a. De omtrek der heiligdommen was geheiligd. Welnu, de IJssel hier

als heiligdom beschouwd, was dus de omtrek geheiligd en daarom eene

plaats van vereering.

b. Vooral de Rijn was in aanzien. Men denke dat de bevallige

IJsselstroom een tak des statigen Rijns was.

c. Dikwijls waren de gewijde plassen met een prachtig woud gedekt. De

lezer wete, dat het schakenbosch er bij lag.

d. En ten slotte: dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren

gebouwd werden, is juist hetgeen wij voor onze plaats wilden beweren,

in zoo ver namelijk dat wij hier door kerk, plaats van heidensche

vereering verstaan.

Hier nog bijgevoegd, dat de plaatsen van heidensche vereering dikwijls

in die der Christenen overgingen, en men wordt te meer genoopt,

te zeggen, dat hier zoodanige overgang zal hebben plaats gehad.

Het is en blijft vooralsnog gissen, en wij herhalen dus: welligt was op

die plaats een heidensch heiligdom. Stelliger bewijzen nogtans zullen

wij aanvoeren, dat die plaats eerst eene heidensche begraafplaats was,

waarin later de Christen zijne lijken begroef.

b. In den omtrek der Groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden.

»Id solum observatur, ut corpora clarorum virorum certis

lignis crimentur. Struem rogi nec vestibus nec odoribus

cumulant, sua cuique orma, quorundam igni et equus

adjecitur.--Sepulcrum cespes erigit."

Tacitus, de Mor. Germ.

»Levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht,

slechts in tweederlei woning: in die der werkzaamheid

en rust."

Ds. Heldring, Opsporing van Oudheden.

Al de heidensche volken, zegt Tydeman, stelden een buitengewoon

hoogen prijs op eene eerlijke en welvoegelijke begraafplaats. Deze

mogt niet verkocht of overgedragen worden. Ieder graf was als het ware

een altaar, waarbij men de afgestorvenen voortdurend moest huldigen;

en eene begraafplaats te schenden, was eene groote misdaad.

De plegtigheden nogtans waren bij de verschillende godendiensten

niet dezelfde.

Freijer beval het begraven der lijken in grafheuvelen.

Odin wilde dat men het lijk verbrandde en de asch òf in de zee wierp

òf in eene lijkbus in een ronden grafheuvel bijzettede. [95]

Bij Blommaert [96] vinden wij o. a. nog in dezer voege omtrent

heidensche begrafenisplegtigheden gewag gemaakt:

»Uit het geloof aen de Walhalla, waer niemand dan gesneuvelden werden

toegelaten, kwam de dood op het slagveld vereerend voor. Daerop te

vallen was de zaligste dood des Belgs." [97]

Hij beschouwde het leven als een proeftijd om tot de zael der

onsterfelijken, de verblijfplaats der goden en walkuren [98], te

geraken, en voor niets was hij meer beducht, dan, als eene vrouw of

een onvrije, door langdurige ziekte gefolterd op zijn bed te moeten

sterven en als deze naer de zael van Hela [99] te dalen. Door deze

begrippen geleid, bragten velen zichzelven, nadat zij vooraf de

wigchelarij daarover geraedpleegd hadden, met het zwaerd den dood toe

wanneer eene hevige ziekte hen overviel, ten einde alzoo regtstreeks

naer de goden te varen."

En zoo was het, genegene lezer:

Als een van Bato's kroost, na lang en smartvol lijden,

Zijn strijdbijl of zijn zwaard daar doelloos hangen zag,

Dan kiemde soms de lust van d'aard zich te bevrijden,

Dan slaakte hij den wensch: mogt ik het dezen dag!

»'t Is eervol," zei hij dan, »te leven of te sterven:

Te leven op de jagt, te sneuvlen op het veld;

Waarom, Walkuren[98]! moest ik deze gunste derven?

Groot, groot toch is het loon te sneuvlen als een held!"

Zie, daar treedt een priester nader

Met een langen, witten baard;

En de kranke zegt hem: »Vader!

Ik ben 't leven moe op aard.

Nimmer mogt uw uitspraak falen.

Blusch ik zelf mijn lichttoorts uit:

Toeven mij Walhalla's zalen,

Of neemt Hela[99] mij ten buit?"--

»Hoor" dus zegt de priester plegtig,

»'t Vooglenheir en 't heilig ros [100];

Vriend, de goden zijn geregtig,

Maak uw band met Midgard [101] los.

't Voegt den held als held te sterven;

Dappre, 't is de wil der goôn;

Hela zal u niet verwerven:

In Walhalla is uw loon."

Een lach omplooit zijn mond; hij neemt het duchtig wapen,

Het zware slagzwaard op, en zwaait het om zich heen;

Wat dof en hol gekraak! hij treft zich aan de slapen:

Het was der goden wil, zijn lichttoorts was gedoofd.

»Het lijk eens gesneuvelden vorsten," aldus vervolgt Blommaert, »werd

op een versierd bed gelegd, en in het beste gewaed of wapenrusting

gehuld, getooid met zwaerd en schild."

»En uitgestrekt en koud ziet men den held daar liggen,

Gekleed in wapendos, en naast hem schild en zwaard;

Als markbod was hij steeds de voorste in de wiggen [102],

Nu is hij in Walhal en beter dan op aard."

Zoo spraken dan welligt de vrienden en allen die hem kwamen bezoeken,

en die gedurende drie nachten en drie dagen [103] daar de lijkwacht

hielden. Men bragt den doode dronken toe, en hief liederen te zijner

gedachtenis aan.

Zoo bijv.:

Het was Alfadurs wil dat deze held ging scheiden;

Heft dus den horen op, wijl hij zich reeds verblijdt

Bij 't roemrucht voorgeslacht. Geëindigd is zijn lijden;

Heft, heft den horen op; hem zij dees dronk gewijd!

»Dan had eene uitvaert plaets. De doode, door zyn geslacht en gebueren

gevolgd, werd naer de begraefplaets gedragen, gewoonlijk (let wel)

in de nabyheid van het woud of de kerk der landstreek. Daer werd het

doodenmael gehouden, het lijk op een houtstapel tot assche verbrand

en deze, in eene lijkbus verzameld, werd met een zodenheuvel overdekt

of in den grond van het gemeen kerkhof bijgezet. Deze lijkbrand had

gewoonlijk des avonds plaets bij ondergaende zon, hetwelk microcosmisch

voor den dood van Baldur werd gehouden, en de plegtigheden, by de

begrafenis van Baldur gevolgd en zoo juist in de Edda beschreven,

zullen wel te dezer gelegenheid gevolgd zijn geweest. By den lijkbrand

van vorsten of uitstekende wijkingen verbrandde men op den zelfden

scheijerstapel met den held ook zijn paard, en hefte men lofliederen

ter hunner eere aan." [104]

En de dagvorstin zonk neder

En verloor zich achter 't woud,

En de bleeke maan steeg teder

Boven bosch en kreupelhout.

Langzaam vloot langs de IJsselboorden

't Water tot in de oceaan.

En in velerlei akkoorden

Hieven vooglen 't danklied aan.

Ziet, een lijkstoet treedt uit 't lommer,

En een ros bij toom geleid.

't Manlijk wezen tuigt van kommer,

Doch niet een die tranen schreit. [105]

Hoog, van uitgelezen twijgen, [106]

Is de houtmijt opgeregt;

Hoog zal dra de vlam ook stijgen,

Is het lijk er op gelegd.

Weldra spelen rosse vlammen

Dartel spel met lijk en paard;

Daarna wordt de asch des krijgshelds

Liefdevol bijeen vergaard.

En een grijsaard, oud van dagen,

Spreekt intusschen van den held, [107]

Hoe hij strijden kon en jagen;

Alles, alles wordt vermeld.

Allen blijven 't doodmaal vieren,

Allen die genoodigd zijn,

En mogt hun geen rouwfloers sieren,

Geener rouwe was in schijn.

Weer den horen volgeschonken,

Nog een lijkdronk ingesteld,

Ter gedachtenis geklonken

Van den afgestorven held.

"De heidensche begraefplaetsen--ten slotte--bestonden in grafheuvelen

voor enkele personen of voor een gansch geslacht, en in gemeene

begraefplaetsen."

Zien wij nu wat wij weder voor de punten onzer beschrijving hiervan

kunnen toepassen.

Dat men ook hier prijs stelde op eene heilige begraafplaats, bleek

reeds doordat dezelve aan den IJssel ligt. Dat men begroef in de

nabijheid van het heilig bosch, kan ook op deze plaats, als bij het

schakenbosch liggende, worden toegepast.

Het sterkste bewijs voor dit hoofdstuk is dit:

De heidenen verbrandden hunne lijken, en was het een persoon van

aanzien, dan werd ook het ros mede verbrand. En ook dit, geachte lezer,

is ons gebleken in het grijze Oudewater. Zoodanige voorvaderlijke

begraafplaats werd er ontdekt in den omtrek der kerk.

Ach, wie dacht er echter aan, toen men, eenige weken geleden, op dat

gedeelte der oude heidensche begraafplaats waar nu een kaaspakhuis

staat, in laatstgenoemd gebouw den bodem verlagende, men eene menigte

verbrande houtskoolbeenderen, waaronder de overblijfselen van een

paard, en asch ontdekte? [108] Ach, wie dacht er aan, herhalen wij, dat

men de rustplaats schond van--wie weet het--welken dapperen voorvader,

en men de beenderen verwijderde van zijn moedig ros, dat hem zoo fier

welligt rondvoerde door de digte drommen van moordende vijanden? Ach,

wie dacht er aan, toen het werkvolk de deels wel verschroeide doch nog

niet geheel verbrande dierenbeenderen--het moet uit de pen--verkocht

aan een beenderenkoopman: dat men overblijfselen verkocht eener

heidensche begrafenis?

Eerst toen een en ander reeds ontruimd en op elkander gereden was,

vernamen wij, dat zulks gevonden was, en toch, wij weten niet welk

gevoel ons overmeesterde toen wij daarbuiten op den aardhoop die

wezenlijk eerwaardige overblijfselen verstrooid vonden liggen; toen wij

van het vele een stukje geroosterd been en houtskool medenamen om die

zorgvuldig te bewaren. Welk gevoel overmeesterde ons het meest? Was het

de interessante ontdekking voor mijne geboorteplaats, of het gevoel,

overblijfselen te bezitten--hoe nietig ook--van hem die ook eenmaal

hier leefde en ontsliep met de zalige hope, om in Walhalla den nectar

te drinken uit de bekkeneelen van verslagen vijanden; van hem, wiens

lijk en strijdros eenmaal daar, in het tegenwoordige Oudewater, ten

voedsel dienden aan de rosse vlammen van den grooten houtmijt, hoog

opflikkerende langs de bevallige IJsselboorden? Wie zegt het? Zeker

altans, wij keerden zonderling aangedaan huiswaarts.

Vraagt gij, geachte lezer: Waar is de heuvel? waar de urne?--het

wederwoord is: de heuvel is reeds vroeger geslecht, welligt toen

de eerste hut of het eerste huis daarop gebouwd is. En de urne zal

waarschijnlijk òf verbroken òf welligt tot huiselijk gebruik zijn

ingerigt. Alleen de houtskolen en de beenderen bleven en werden onder

de dit jaar opgebrokene bevloering bedolven, dewijl de industrie

van het verkoopen der kalkachtige overblijfselen van dieren en,

helaas! ook van menschen toen nog niet zoo in gebruik was.

Wie zal het echter nu nog ontkennen hetgeen aan het hoofd dezes staat:

In den omtrek der groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden.

c. Het Helletje.

In den loop der mythologische schets is de godin Hela reeds menigmalen

ter sprake geweest, het is hier echter de plaats iets meer van deze

neder te schrijven.

Hela is de godin der benedenwereld. Zij doodt of vervolgt niet,

zij neemt slechts de zielen in bewaring der menschen die op hun bed

sterven, en houdt ze onverbiddelijk in hare woning vast. Zij is half

zwart en menschenkleurig, somtijds geheel zwart; zij reed op een

driebeenig paard rond, pest en ziekten verkondigend. [109]

Zij is de dochter van den boozen Loki en van eene reuzin. [110] Zij was

het die Baldur niet wilde laten gaan nadat hij met misteltein gedood

was, en zij staat alzoo met de dooden en begraafplaatsen in verband.

Overigens--zegt Buddingh [111]--schijnt in de water- en vuurdienst

een gebruik bij uitingen te hebben plaats gehad, waarvan wij meenen

dat ook ten onzent nog hoewel zwakke sporen aanwezig zijn, namelijk

dat men de dooden gaarne over een stroomend water, eene helrivier,

een meer of zoo iets heen voerde, hetzij dan naar het begrip der

ouden naar Chimle (den hemel) of naar het gebied der doodsgodin Hela.

Ook nu weder zullen wij bij vergelijking tot zeer interessante

gevolgtrekkingen komen.

Op het oude kerkhof, aan het zuidelijk gedeelte des torens, staat een

huisje, het Helletje genaamd. Bij al het voorgaande dat wij reeds

van dit kerkhof weten, herinnert dit Helletje zoo duidelijk aan de

beheerscheres der dooden, Hela, dat hier, o. i., geen twijfel over is,

te meer nog daar men, zooals werd aangehaald, de dooden zoo gaarne over

een stroomend water voerde; ook dit toch was de rusteloos stroomende

IJssel, waaraan ook het Helletje ligt.

De geachte lezer nu zal wel begrijpen, dat daar waar Hela dus hier

eertijds woonde, waar zij hare heerschappij over de dooden uitoefende:

de plaats Hela genoemd werd, en dat de woning of woningen, hier nader

gebouwd, den naam van de beheerscheres der dooden uit de Noordsche

Mythologie bleef behouden. Indien hij dit aanneemt, zooals wij dit

aannemen, dan hebben wij ook door dit vertoog een bewijs te meer

aangebragt, dat het kerkhof eene heidensche begraafplaats geweest is.

d. De begraafplaats der heidenen wordt het kerkhof der Christenen.

Het voorloopig laatste bewijs, dat de bewuste plaats vroeger eene

plek was waar het stoffelijk overschot der heidenen bewaard werd,

zal nu vermeld worden.

Alles, geachte lezer! wat hiervoren aangehaald is om te bewijzen

dat de bewuste plaats wezenlijk eene heidensche begraafplaats was,

wordt versterkt door de zaak die wij nu nog alleen kunnen beoordeelen,

dat die plaats een Christen-kerkhof werd.

Omtrent vele plaatsen uit ons dierbaar vaderland is dit reeds ten

duidelijkste gebleken.

En dit verwondere niemand. De ouden reeds, zagen wij immers dat

zoo veel eerbied betoonden aan het stoffelijk overschot hunner

dooden, en die eerbied was nog geenszins verflaauwd toen de ijverige

geloofsverkondigers ook hier het evangelie kwamen verkondigen. Deze

predikers nu moesten natuurlijk zooveel uitroeijen, dat met de kerk in

strijd was. Zouden zij hun nu ook de plaats niet laten waar de assche

hunner vaderen rustte en waar zij ook eenmaal hoopten te zijn? Neen,

ook hier werd zeer wijsselijk besloten, ten einde hen te spoediger voor

het omhelzen der nieuwe leer te bewegen, de oude rustplaats der dooden

te behouden. Daardoor had hij, de nieuw bekeerde, immers de zoete hoop,

bij zijne vaderen te rusten, die, wel is waar, in Walhalla ontslapen

waren; doch beider stoffe zou zich nader toch vereenigen, alhoewel

de Christenen het begraven van lijken invoerden. En het geschiedde:

de begraafplaats der heidenen werd ook in Oudewater het kerkhof der

Christenen, en de assche van heiden en de beenderen van Christenen

zijn beiden langs den IJsseloever vereend, en weelderig voedt zich het

spigtig kerkhofgras met de zwarte aarde die van beiden overbleef. Bij

het onwetend ontdekken der heidensche begraafplaats, hiervoren vermeld,

vond men ook een aantal menschenbeenderen. Men had er eerbied voor,

en zij werden weder in den grond bedolven onder de nieuwe bevloering.

Ach, smaken zij die rust, die stille rust, die wij eenmaal ook onze

assche toewenschen! Denke er zoo ieder over; wij zagen het immers:

levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht, slechts in

tweederlei woning: in die der werkzaamheid en rust.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 65 / 178 题