De paarden zijn de eersten die onder dit hoofdstuk moeten
optreden. Deze toch werden bijzonder vereerd.
Tacitus, die bij allen in dankbare herinnering moet blijven--Tacitus,
van de Germanen sprekende [76], verhaalt, dat het hun eigen was om
uit paarden vermaningen en voorzeggingen uit te vorschen. Sommigen die
glanzend wit waren en nooit door menschelijken arbeid besmet, werden
op algemeene kosten in heilige bosschen onderhouden. Zij werden voor de
heilige wagens gespannen, begeleid door de priesters of de voornaamsten
des volks, die zeer aandachtig hun hinneken en brieschen nagingen. Aan
geene voorzegging werd meer dan aan deze geloofd, niet slechts bij het
volk, maar ook bij de overheden en priesters. De laatsten hielden zich
zelven voor de dienaren--de paarden voor de medewustigen der goden.
Zooals vermeld is, zagen wij in Roozendaal, dat, gelijk bewezen
werd, tot het Schakenbosch zal hebben behoord, zoodanige plaats waar
de Rossen zouden zijn onderhouden. Uitgenomen deze nog, waren deze
dieren den ouden zeer dierbaar. Het ros toch, dat met zijn meester in
den strijd was geweest, kommer en ontbering, leed en vreugde met hem
genoten had,--dat werd ook de eer aangedaan op denzelfden houtmijt
met het lijk zijns meesters te worden verbrand. [77] Ook dit zullen
wij nader gelegenheid hebben op Oudewater toe te passen.
Overigens was dit dier voor het offeren en bij de offermaaltijden
zeer in aanzien.
Verder behooren tot de dierendienst welligt nog het zwijn, wijl
zoo vele evertanden bij offerplaatsen gevonden werden. Ook op het
Juulfeest slagtte men een ever, zooals hiervoren werd aangetoond;
terwijl de os en de hinde welligt ook daaronder zullen kunnen
gerangschikt worden. Ook aan de katten van Freija, de bokken van
Thor, het veranderen der heksen in katten, het ijzeren veulen, de
nachtmerrie der rossen en den kop van dit dier als voorbehoeding,
zij onder dit stuk gedacht.