De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro,
bearo (bar, beer) genoemd.
In het nabijgelegen Barwoutswaarder treft men, zoo als wij zien,
bar aan.
Barwoutwaarder is aldus: woud waar eene heidensche vereeringsplaats
was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie
en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.
Wat is echter Schagen bij Linschoten en het Schakenbosch bij
Oudewater? Het antwoord is zeer kort. Schagen, Schaken acht men te
zijn afgeleid van sacrum. [66] De vertaling van Schakenbosch (sacrum
nemus) zou alsdan zijn
Heilig Woud [67].
Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.
Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte,
vergaderde hij hen in een heilig bosch.
Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op
de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch
bij Voorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts van Nijmegen);
3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de
plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden,
en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de
sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland,
waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel
bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen
Roomburg en het Praetorium ging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk
zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers
gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand
bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu
de naam Schakenbosch bij Oudewater.
Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk 's Gravenhage of aan
Voorschoten de eer, dat daar dat heilig woud eertijds zijne trotsche
kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele
heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen
een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het
bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat van
Voorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bij Oudewater, dat,
naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom
verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende
plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat dit
alles bosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door
ledige vakken.
Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren
reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich
uitstrekte,--indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder
ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek
van Gorkum tot aan het zeestrand en (let wel) over den Rijn tot aan
Haarlem zich uitstrekte,--dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bij
Haarlem van Leiden beginnende, zoo digt en donker was, dat men die
twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de
aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat
wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte
van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.
Hier nog bijgevoegd Schagen en Wulverhorst in de nabijheid, alsmede
Barwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout,
zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze
aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte
de stoute verklaring van Lud. Smids [68], dat vroeger Suidholland,
het Sticht van Utrecht en Rijnland enkel bosch en meer waren, en
het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn
einde. [69]
Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor,
die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als
's Gravenhage.
En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen
rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden,
en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het
u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet
zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen,
van gedaante verwisseld; dat zij ons voere over de wijde klove van
vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!
Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met
ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een
valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen
schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het
verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste
dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de
malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak
en vlierstruik tegen, gedragen wordende op den adem der frissche
atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het
is morgen.
In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en
zijne muze hem toefluisterde:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,
En maakt van 't stof zich los en vrij,
Dat hem met tragen boei wil teuglen
Als waar zijn vlucht slechts hoovaardij!
Dan stijgt hij boven zonnewegen,
Wat wet van zwaartekracht regeert,
En zweeft den eeuwgen vader tegen
Wiens grootheid hij met knieling eert;
Wiens wijsheid hem verstomd doet buigen,
Wiens almacht hem ontzachlijk is,
Maar van Wiens liefde 't luidst getuigen
Die stemmen vol geheimenis,
Die uitgaan in de stille wouden,
Wier niet te ontraadslen wonderkracht
Eene eeuwige eenheid blijft behouden
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . [70]
En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur,
spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte
verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor
ons liggende Schakenbosch.
Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de
voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die
in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen
wij hiervoor liever een anderen tijd: nu een morgenuur daar in het
woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch
in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen
de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende
rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.
En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij
staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel
een weg. [71] Een waterstroom door een bosch, welk eene pracht! Wat
teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie,
die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water
zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels
en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons
oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke
wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.
Zoodanig woud moest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren
van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de
kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten
van onschuldige offers.
Zulk een stroom moest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten
woonden en zijne bekoorlijke nimphen.
Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen
gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte
drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat
het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door
het gekras van raven en gehinnik van paarden.
Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor
die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik
der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste
dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het
binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen,
doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in
onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed
zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den
eenigen Maker van dit alles!
Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen
van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter
beven op de bladstelen, bemoste ruwe wilgentakken en fiere beuken,
nooit door den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde
een prachtig natuurdak vormende, in welks geheimzinnig, ruischend
loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen,
en door hetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als
ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige
overeenstemming heerscht van een somber licht.
Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet
speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder
het statig
. . . . lommer was de somberheid van 't graf:
Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladert
Beschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadert
Van heide en woudmoeras, die als een zwart gewaad
Het kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;
Een strakke duisternis, die d' afstand wech doet vloeijen,
Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,
Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid--
Een onbewogen zee van louter donkerheid.
Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar
boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend
doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende
over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om
den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart,
als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere
heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven,
ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.
En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig
boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu
wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen
van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van
dit oord in strijd zijn.
En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen
wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten
vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij
het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het
ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws
verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.
Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in
de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en
de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven
hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in
verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat
kleine stuk bouwland genoemd wordt, zal hij u zeggen welligt: vriend,
dat is het Schakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. En
wij zeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen
offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan
is het of de tijdgeest fluistert: vergankelijkheid!!! En wij herhalen
in begeestering:
't Schakenbosch is nu verdwenen
Met zijn digtgeweven kruin;
Godenbeelden, offersteenen,
Liggen lange reeds in puin.
Nimmer zal men meer vergadren
Onder 't lispelend geblaart,
Want zij zijn niet meer, die vadren,
Zoo vol moeds en zoo vermaard.
't Schakenbosch waarin de heiden
Zijnen goden offers bragt,
Opdat alle ramp en lijden
Steeds mogt wijken door hun magt.
Ach, dit Schakenbosch zoo prachtig,
Ook aan feestvreugd vaak gewijd,
Is verdwenen, doch de naam nog
Lispelt van verganklijkheid.
Geen frameeën meer, geen schilden
Hangen aan den trotschen eik,
En de lijkasch dezer »wilden",
Werd vereend met de IJsselslijk.
Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk
begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.
Waar nu woonden die? Treft men bij Oudewater daarvan nog een spoor aan?
Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook
hunne hoven hadden.
In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring--Opsporing van
Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.--worden wij met
zeer vele hofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland,
die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de
andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning,
door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden. [72]
»Die tempelhoven," zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat
het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is
mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud,
gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelf even als het hof in het
Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die
hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en
in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar."
Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het
schakenbosch hier. Immers
het Papenhoef
een steenworp van Oudewater en ongeveer 15 minuten van het land
liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte
toen--kunnen wij haast met zekerheid zeggen--een deel uit van het
heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die
twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking
nemen. Had het meerbekende schakenbosch bij Voorschoten dus eene
hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisseling hoef voor hof
kan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, dat oo
dikwijls oe geschreven werd. [73] Papenhof of hoof zal dus Papenhoef
zijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier
dus zal het tempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren
van het heidendom daar gewoond hebben.
Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer
ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor
aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats
ook tot een christelijk einde ingerigt (langs het Papenhoef ligt de
Kerkwetering) en werd alsdan het Papenhoef. [74] Dit althans is zeker:
de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het
Christendom over.
Zeer treffend ligt in het oude Barwouts of Barboswaarder insgelijks
een Hofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons,
behoeft niet te worden gezegd.
Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven
tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij
als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het
kunnen ophelderen, of aldus Vollenhoven, Schoonhoven, Zevenhoven,
Achttienhoven en vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór
het Christendom aldaar opklimmen."
Wat het nabijgelegen Schoonhoven aangaat, deelen wij zoowel den
schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van
het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bij Schoonhoven
aanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)
Ook Achthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt,
en hetwelk in onzen omtrek (bij Montfoort) ligt, was, indien wij
het hiervoren over Montfoort geschrevene nagaan, alligt eene plaats
heugende van het heidendom.