WOUDENDIENST.

Barwoutswaarder, Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bij

Oudewater.

"Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen

en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat

er toe hoorde te onderhouden."

P. H. Tydeman.

"Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick

geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van

beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die

zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte."

Goudsch Kronijkske.

Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom

heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden,

daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de

mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen

en den mensch om het leven gebragt. Geen oningewijde stond het vrij,

deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgegane overeenkomst zich

het gebruik dier gronden te veroorloven.

Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het

heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij

insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden,

want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet

opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend

groot en bevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op

zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen,

welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid

moesten voorbereiden.

Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de

tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en

hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene

feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden

tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname

prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid,

die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs

het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng

of met den dood gestraft.

Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende

op den grond of op onderliggende steenen.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 44 / 178 题