Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en
wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de
onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein,
elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling
nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding
nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden
beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.
De ontleding van planten tot laag veen gaat niet dan met hulp en
medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er
toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede
eenig deel daaraan neemt.
Planten alzoo, die aan, op of in het water leven en tot ontbinding
overgaan, worden laag veen met behulp der lucht, die in het
water opgelost is, met behulp van het water zelf; en eindelijk
door medewerking van de aarde, omdat de ontbonden plantenstof
zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst,
vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is,
ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond,
belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.
Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede
alluviale grondsoort, tot de
Humus of Bouwaarde,
't welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van de
Derrie.
Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht
eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht
benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang
haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels
worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang,
en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van
die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.
Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de
diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en
na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond of
humus gevormd.
Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus
met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van
een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal
ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij
de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal
moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren,
als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht
niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage
wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote
veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt
en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.
Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot de Derrie. Moeten
wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek,
en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder
bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap
stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men,
dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel
aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu
de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij
de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid,
alligt daaraan herkennen.
Zoo zal dus op Uiterwaarden in de lagere plaatsen derrie kunnen
ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt
en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich
intusschen de grond door leven en dood van planten en dieren, en met
een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar
hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene
wijle bij het IJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.
IJzeroer.
Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van
ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit
ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer
met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit
zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de
planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke
stoffen verrotten", zegt de heer Staring [4], »kan dit laatste--het
ijzer-oxide--een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt
daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen
in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in
gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het
ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats
heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men
ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het
omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat,
over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den
invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van
kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit
zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met
de dampkringslucht komende, troebel wordt en de bij de landbouwers
zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.
Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water,
dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest
zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in
water de oerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of
veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt
wel beweerd, maar is geenszins bewezen."
Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan
van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op
de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat
aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit
met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken
van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige,
kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt." [5]
Menigvuldig--wij zeiden het reeds--is dat ijzeroer, welks wording
ons thans niet duister meer is, in Oudewater's gronden aanwezig. Bij
de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de
Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid
ijzeroer aan.
In Papekop gebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste
zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen
zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op
te boren.
In de Linschoten behoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele
slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter
plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het
water met plekken van eene roodachtig bruine kleur afgezet, die,
laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken
zullen vermeerderen.
Ook in onzen Hollandschen IJssel bij Goejanverwellesluis zag ik
zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat
zulks »salpeterigheid" was.
Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor
houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig" zijn, des winters
bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs
hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om
te betreden.
Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking
al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn
dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.
Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk
werkman, zou blaauw zand--diluviale gronden?--steeds met ijzer gepaard
gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het
gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.
Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken
eene niet onbelangrijke rol in de vorming van Oudewater's alluvium
spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder
geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus
te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:
Rood zand.
Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons
alluvium aanwezig is?
Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten
naastenbij 3 uren afstands van Oudewater liggende rivier de Lek. Zij
toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich
in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in
den handel als "lekzand" voorkomt. Menige overstrooming dier rivier
van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het
water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.
Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te
willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende
watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van
vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën
van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit
de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken
worden, maar geen zand.
Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen van België en
Duitschland slaan.
De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd),
en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de
vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons
zeer eenvoudig toe: dezelfde stroom of stroomen die het zand naar de
Noordzee voerden, hebben het rood zand te Oudewater gebragt. Beide
is het van denzelfden oorsprong, door dezelfde stroomen aangevoerd,
uit dezelfde bergen van België of Duitschland ontstaan, en zooals
voorheen de rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulks
thans nog mede.
Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger
den bodem van Oudewater doorsneden; want zonder zulke rivieren had
de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.
Vervolgen wij echter:
Zakwater.
Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des
waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is
men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat
wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere
vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen,
het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.
Rivier- en Zeebezinking.
Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo
even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend
kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het
begin der rivierbezinking te verplaatsen, werwaarts wij hem zullen
volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte
schets daar tusschen te lasschen van: