De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg.--Aanstootelyke wyzen
van straföeffening.--Onverschrokkenkeid der Negers.--Verschillende
zoorten van Gier-vogels.--Gekuifde Arenden.--Beschryving van eene
Indigo-Plantagie.--Kaneel-Appel.
In weêrwil van de herhaalde nederlagen der muitelingen, vernam men den
15den Augustus, op Paramaribo, dat zy eenen aanval gedaan hadden op
de Plantagie Berg-en-Daal, of den blaauwen Berg, anders ook genoemd
Parnassus-Berg, gelegen aan het bovenste gedeelte van de Rivier
Surinamen; en dat zy, zonder eenige daad van wreedheid te plegen,
het geen maar al te veel hunne gewoonte was, alle de Negerinnen van
daar hadden weggevoerd, schoon op eenen korten afstand een wachtpost
geplaatst was. Op deeze tyding zond men een hoop jagers af, om hen
te agtervolgen; en byna ter zelfder tyd deed men door zeven honderd
Negers het beruchte cordon, of den verschansten weg, maken, welke reeds
zedert lang ontworpen was. Deeze weg moest verdedigd worden door leger
wachten, wier post was de Plantagiën voor nieuwe overrompelingen te
beveiligen, en het wegloopen der slaven te beletten.
De Plantagie Parnassus-Berg is gelegen aan de westzyde der Rivier
Surinamen, die door de kronkelingen, welken zy vervolgens maakt,
op deezen afstand honderd mylen van Paramaribo af ligt. Dewyl het
gezicht van deeze Plantagie aller aangenaamst is, biede ik 'er den
Lezer eene afteekening van aan, als mede van de Savane der Joden,
een dorp of gehucht, in eene rechte lyn meer dan veertig mylen van
deeze hoofdstad der Volkplanting, en meer dan zestig mylen te water
af gelegen. De Joden bezitten aldaar eene zeer fraaije Synagoge,
in welke zy hunne Godsdienst-plechtigheden verrigten. Zy hebben 'er
ook scholen en huizen van opvoeding, want deeze plaats wordt door
verscheiden aanzienlyke huisgezinnen van hunne natie bewoond. Deeze
zelfde lieden genieten in Surinamen byzondere rechten en voorrechten,
die hun door KAREL II. vergund wierden, toen deeze Volkplanting aan
de Engelschen toebehoorde; en deeze voorrechten zyn zoo groot, als
zy die ergens bezitten.
De Rivier Surinamen is, van de stad Paramaribo, of liever van het
Fort Amsterdam af, even als de Cottica en Commewyne, door fraaije
Suiker- en Koffy-Plantagiën omzoomd; en 'er ontspringen uit dezelve
verscheide kreeken of kleine Rivieren, als de Paulus, de Para,
de Cropina, en de Pararaca; maar hooger dan Parnassus-Berg, vindt
men niets, het welk eene Plantagie genoemd mag worden. De Rivier is
ook op deezen afstand niet meer bevaarbaar, zelfs niet voor kleine
vaartuigen, uit hoofde van de vervaarlyke rotsen en watervallen,
die haar verstoppen, naar maate zy tusschen zeer hooge bergen,
en ondoordringbaare bosschen doorloopt. Deeze natuurlyke bolwerken,
schoon zy de liggingen verrukkelyk maken, beletten echter de bezitters
der Volkplanting, om ontdekkingen te doen, die hun misschien hunnen
arbeid door onmeetlyke schatten vergoeden zouden,
Zoo al de muitelingen zoo veele wreedheden op de Plantagiën niet
meer pleegden, zy waren in de hoofdstad tot eene aanstootelyke hoogte
gestegen. Ik hoorde aldaar onöphoudelyk het geklater der zweepslagen,
en het gekerm der Negers. Onder de eigenaars, die op het vervolgen
hunner slaven byzonder vuurig waren, bevond zig zekere Mevrouw
SP--N, wier Plantagie in de nabuurschap van die van den heer DE GRAAF
gelegen was, en welke ik op zekeren tyd met schrik uit haar raam het
onmenschelyk bevel hoorde geven, om eene jonge Negerin voornamelyk
op den boezem te geesselen, een schouwspel, waar in zy een byzonder
genoegen scheen te scheppen. Den indruk, die deeze vertooning op
mynen geest gemaakt had, willende verzetten, ging ik tot vermaak
een eind weegs om ryden; en het eerste voorwerp, het welk zig aan
myn oog vertoonde, was eene andere Negerin, ook jong zynde, die byna
naakt boven van een zolder, op een hoop gebroken flessen neder viel:
't is waar, dit was een ongeluk, maar dit ellendig schepzel had zig
zoo schroomelyk bezeerd, dat zy zig in eenen even deerniswaardigen
staat bevond, als de eerstgemelde.--Myn lot verwenschende, keerde ik
aan de haven-kant myn rydtuig om, alwaar ik het verdriet had, om twee
Engelsch-Americaansche matroosen, die op de voorplecht van hun schip
met elkander vochten, in het water te zien vallen en verdrinken. Op een
ander Americaansch schip ontdekte ik eenen kleinen scheepsjongen, die,
met een byl gewapend zynde, zig boven uit de mast tegen een Sergeant
en vier soldaten zeer lang verdedigde; deeze waren genoodzaakt hem
te dreigen van op hem te zullen schieten, zoo hy zig niet overgaf,
het geen hy eindelyk deed. Men bragt hem dus aan wal, door twee zyner
medgezellen vergezeld, en met een wacht van twee gelederen soldaten;
men geleide hen alle drie naar het Fort Zelandia, alwaar zy, volgens
des Capitains eisch, en om dat zy zig geduurende hunnen dienst hadden
dronken gedronken, elk de fire cant ontfingen; daar in bestaande,
dat zy met twee bambous-rieten op de schouders werden afgerost, tot
dat dezelve opgezwollen en geheel zwart waren. De Capitain trachte
echter dit zoort van willekeurige straföeffening te wettigen, uit
hoofde der noodzakelykheid, en om dat de Americaansche matroosen en
scheepsjongens de onstuimigste menschen zyn, wanneer zy dronken zyn,
schoon 'er geene de minste reden tot twist aanwezig is: men kan hen
onder de beste zeelieden der weereld rekenen.
Des anderen daags morgens, my bezig houdende met de gevaaren en
kastydingen, waar aan het volk van lageren rang is bloot gesteld,
te overwegen, hoorde ik eene groote meenigte voor by myne wooning
loopen. De nieuwsgierigheid deed my opstaan, en my in aller yl
aankleeden, om te verneemen, wat 'er gaande was. Ik vernam toen
drie Negers, geketend en door eene talryke wacht omringd, welke in
de Savane hunne straf gingen ontfangen. Hun stout en onbeschaamd
voorkomen trok myne aandacht zoodanig derwaarts, dat ik, in weêrwil
van myne afkeerigheid voor dergelyke vertooningen, besloot te
gaan zien, wat het gevolg van dit alles wezen mogt.--Men las het
vonnis, in plat Hollandsch opgesteld, het welk deeze ongelukkigen
niet verstonden. De eerste wierd veröordeeld, om met een byl het
hoofd te worden afgehouwen, vermits hy een slaaf gedood had, die
op de Plantagie van zyne meesteresse bananen was komen steelen. De
waarheid der zaak was, dat hy dien moord op uitdrukkelyken last van
deeze vrouw gepleegd had; maar toen de misdaad ontdekt was, liet zy
'er haaren slaaf voor opdraaijen, om haaren goeden naam te behouden,
en de kosten van boete en schadeloos-stelling uit te winnen. De arme
keerel leide zyn hoofd met onverschilligheid op het blok neder, en
ontfing den dood in éénen slag. De tweede, die zyn medepligtige was,
wierd onder de galg gegeesseld. De derde, wiens naam NEPTUNUS was,
was een vry persoon, en een timmerman van zyn ambacht; maar, ter
gelegenheid van zekeren twist, den Opzigter der Plantagie Altona,
aan de Para Kreek, gedood hebbende, wierd hy rechtvaardig veröordeeld
om het leven te verliezen. De byzonderheden van zyne misdaad en straf
zyn merkwaardig. Deeze Neger, die jong en wel gemaakt was, een schaap
gestolen hebbende, om 'er eene vrouw op te onthaalen, door welke hy
bemind wierd, besloot de Opzigter, die van jaloersheid brandde, hem
te laten ophangen. NEPTUNUS, om dit voor te komen, schoot in een veld
van suiker-riet een snaphaan op hem af, zoo dat hy dood ter aarde
viel. Tot straf van deeze misdaad wierd hy verwezen, om levendig
gerabraakt te worden, zonder den genade-slag te ontfangen. Van den
inhoud van dit verschrikkelyk vonnis onderrigt zynde, plaatste hy
zig zonder tegenkanting op een sterk kruis, vervolgens strekte hy de
armen en beenen uit, welken men met touwen vast bond. De scherprechter
(zynde altyd een Neger,) nam de byl, en hieuw hem de linke hand af,
waar na hy, een yzeren koevoet in de vuist nemende, hem met verdubbelde
slagen de beenderen aan stukken sloeg. De touwen wierden vervolgens
los gemaakt, en meenende dat hy dood was, gevoelde ik my zelf als
getroost; maar toen de rechters op het punt waren om heen te gaan,
wierp de misdadiger zig zelf van boven neder van het kruis, en viel
in het gras, vervloekende zyne rechters als een hoop van gruwelyke
schelmen. Vervolgens met zyn hoofd tegen het kruis aanleunende,
verzogt hy aan de omstanders een pyp tabak, die onmeedoogend genoeg
waren, om hem zulks te weigeren, hem met den voet stootende, en op hem
spuwende, het geen echter eenige Americaansche matroosen vervolgens
beletteden. Hy smeekte toen, maar vrugteloos, dat men hem het hoofd
wilde afhouwen. Eindelyk, geen einde aan zyn lyden ziende, verklaarde
hy:--"Dat hy den dood verdiend had, maar niet verwagtte, dat men
hem zoo veele maalen zoude doen sterven. Met dit al, vervolgde hy,
gy bereikt uw oogmerk niet; ik lach in alle uwe folteringen, al moest
ik hier nog een maand zoo blyven liggen."
Dit gezegd hebbende, zong hy agter malkander, en met eene heldere stem,
twee liederen, by het ééne van welke hy aan zyne naastbestaanden en
vrienden vaar wel zeide, en by het andere aan zyne overledene vrienden
berigtte, dat hy spoedig in het gelukkig verblyf, door hen bewoond,
hun gezelschap zoude genieten. Toen hy geëindigd had, verhaalde hy
bedaard zyn rechtsgeding, met alle deszelfs byzonderheden.--"Maar,
zeide hy eensklaps tot de geenen, die hem omringden, ik zie aan de
hoogte van de zon, dat het byna agt uuren is, en het zoude my leed
doen, dat gy, door myn langer spreken, uw ontbyt zoudt verliezen." De
oogen toen naar eenen Jood, DE VRIES genaamd, gewend hebbende, zeide hy
hem. "Ei lieve, myn heer, wilt gy my betaalen de vyf guldens, welken
gy my schuldig zyt?--Om wat te doen, antwoordde de Jood?--Om eeten en
drinken te koopen; ziet gy niet, dat men my laat leven?" De Jood op
deeze woorden agter uit deinzende, lachte de ongelukkige misdadiger
hem opentlyk en van goeder harten in het aangezicht uit. Vervolgens
den soldaat aankykende, die by hem de wacht hield, en van tyd tot tyd
in een stuk droog brood beet, vroeg hy hem:--"Waar het by toe kwam,
dat een blanke geen ander ontbyt had?"--"Om dat ik niet ryk ben,
antwoordde de soldaat."--"Wel nu, ik wil u een geschenk doen, hernam
de Neger: neemt de hand, die men my heeft afgekapt; eet die tot op
het been toe af; verslind vervolgens myn lichaam, tot dat gy verzadigd
zyt; gy zult dan een ontbyt gedaan hebben, het welk u voegt." Hy deed
deeze schimprede met een schaterenden lach gepaard gaan; en ging op
die wyze voort, geduurende de drie uuren, dat ik aldaar verbleef. [35]
Het is verbazend, dat iemand de kracht heeft, om dergelyke folteringen
door te staan; voorzeker kan hy dit niet doen, dan door eene vermenging
van woede, hoogmoed, verachting, en de zekerheid, dat hy zyne vervolgers
en beulen spoedig ontkomen zal.
Ik heb de byzondere omstandigheden van zulk eene straföeffening, die
geen daad van wreedheid van eenig byzonder persoon was, breedvoeriger
verhaald, om een voorbeeld te geven van de ongemeene gestrengheid
der Surinaamsche wetten.
Verder moet ik alhier een toeval verhalen, het welk slechts een
oogenblik op myne verbeelding werkte, maar van een langduuriger
uitwerking had kunnen zyn by iemand, die 'er de oorzaak niet van wist,
welke ik echter zeer gemakkelyk ontdekte. Des namiddags omtrent drie
uuren, myn geest nog vervuld zynde met het aandoenlyk toneel van des
morgens, ging ik naar de strafplaats toe, alwaar myn oog het eerst
viel op het hoofd van den gestraften Neger, het welk boven op een
paal gestoken was, en heen en weder waggelde, als of hy nog geleefd
had, en my eenig teeken wilde geven. Ik bleef oogenblikkelyk staan,
en niemand in de Savane ziende, alwaar zelfs geen wind genoeg was,
om een blad te doen ritselen, erken ik, dat ik my gevoelde, als aan
den grond vast gehecht, en een tyd lang geen moed had om voorwaarts
te gaan. My vervolgens myne zwakheid verwytende, van naar iets van
dien aart niet te durven naderen, en te onderzoeken, welke de reden
van een dergelyk verschynsel wezen mogt, bespeurde ik zulks zeer
schielyk door het vliegen van een Giervogel, die zig op dit hoofd kwam
nederzetten, als wilde hy my een dergelyken buit betwisten. Hy had hem
reeds één zyner oogen uitgepikt, toen hy op myne eerste aannadering
wegvloog; en by dit wegvliegen met de pooten tegen dit hoofd stootende,
veroorzaakte hy deeze schielyke beweging. Ik moet by dit alles voegen,
dat de ongelukkige NEPTUNUS, nog by de zes uuren na het ondergaan
van zyne straf geleefd hebbende, uit mededogen van den soldaat,
die de wacht hield, een slag met de kolf van den snaphaan kreeg,
waar van ik de teekens nog zag.
Zommige Schryvers vergelyken den Giervogel by den Arend; maar die
van Surinamen heeft dezelfde hoedanigheden niet: hy is in de daad een
roofvogel, maar in plaats van zig te voeden met de dieren, welken hy
doodt, leeft hy niet, dan van krengen. Dienvolgende verschynt hy veel
op de kerkhoven, en de plaatsen, waar men doodstraffen uitoeffent;
het geen zyne reuk zoo klaar aanduidt, dat de Negers hem tingy fowlo,
den stinkenden vogel, noemen. De Giervogel in Guiana heeft de grootte
van eene gewoone kalkoen. Zyne vederen hebben eene donker gryze kleur,
uitgenomen de vlerken, die zwart zyn. Hy heeft een vooruitstekende,
sterke en kromme bek, een gespleten tong, een langen hals, en zeer
korte pooten. Behalven het straks gemelde voedsel, eet hy dikwils
slangen, en zelfs alles wat hy vindt, in zulk eene meenigte, dat hy
somtyds moeite heeft om te vliegen.
De vogel, genaamd de Koning der Roofvogelen, is in Surinamen niet
zeer gemeen, schoon de Indianen 'er zomtyds één of twee te Paramaribo
brengen, uit hoofde van deszelfs ongemeene fraaiheid. Hy is grooter,
dan eenig zoort van kalkoenen. De huid van zyn kop en hals, die geene
vederen hebben, is gemengd van eene scharlaken, violet en bruine
kleur. Hy draagt een halsband van lange en dik op elkander zittende
vederen, waar in hy zoodanig kan ingedoken zyn, dat men naauwlyks
zyn kop ontdekt. Deeze vogel leeft insgelyks van bedorven vleesch,
slangen, rotten, padden, en zelfs van drek.
Onder de roofvogelen in de Surinaamsche bosschen telt men den gekuifden
Arend, een zeer wild en sterk dier. Zyne vederen zyn zwart op den rug,
maar geelachtig naar de stuit; zyn borst, buik, dyën, en zelfs zyne
pooten, zyn wit met zwarte vlakken; het overige van zyn lichaam is
geheel bruin, en de klaauwen volmaakt geel. Deeze vogel heeft eene
platte kop, vercierd met een kuif van vier vederen, twee lange en
twee korte, die hy naar willekeur verheft of laat vallen.
Den 24sten, zynde den geboortedag van den Prins van Orange, gaf de
Colonel FOURGEOUD aan de gezamentlyke Officiers een middagmaal van
gezouten ossen en varkens-vleesch, van puddings van garste meel, en
gedroogde visch. Dewyl JOANNA steeds by haar besluit bleef volharden,
nam ik op dien zelfden dag, in tegenwoordigheid van haare moeder
en andere nabestaanden, de verbintenis aan van de goede Mevrouw
GODEFROY;--"van haar aan niemand dan aan my te verkoopen. Deeze
Mevrouw schonk, by haaren dood, niet alleen aan haar haare vryheid,
maar ook een stuk land om te bebouwen, waar op men voor haar eene
gemakkelyke wooning zoude stichten, waar over zy de vrye beschikking
hebben zoude." Mevrouw GODEFROY gaf my vervolgens myn briefje van
negen honderd guldens te rug, en deed aan JOANNA een geschenk van
eene beurs van twintig goude ducaten, en twee fraaije stukken Indisch
linnen. Zy raade my tevens, om aan den Raad een verzoekschrift in te
leveren, tot dadelyke vrymaking van myne JOHNNY.--"Eene noodzakelyke
plechtigheid, zeide zy my, het zy ik een borg vond, het zy niet, en
zonder welke zelfs in het eerstgemelde geval niets verrigt zoude zyn."
Beiden betuigden wy onze oprechte dank-erkentenis aan deeze uitmuntende
vrouw, en door vreugde zynde opgenomen, ging ik by den Gouverneur
des avonds ter maaltyd, en bood hem myn verzoekschrift aan, het
welk in goede orde was opgesteld. Zyne Excellentie nam het aan,
met het hoofd schuddende, en my de hand drukkende; maar hy erkende
my rond uit:--"Dat hy volkomen overtuigd was, dat myn zoon slaaf
zou sterven, ten waare ik de borgtocht, die de wet vorderde, vinden
konde, 't geen niet gemakkelyk was." Na derhalven veel moeite en
tyd verloren te hebben, na meer dan vyf honderd guinies betaald te
hebben, had ik nog de onuitspreekelyke smarte, om hem, van wien ik
vader en eigenaar tevens was, misschien aan eene eeuwige slavernye
te zien bloot gesteld. JOANNA zelve had toen niets meer te vreezen,
het geen my een groot genoegen deed.
Te midden echter van eene zoo billyke neêrslagtigheid, deed zich eene
gelukkige hoop juist ter snede op. De beruchte Neger GRAMAN QUACY,
van wien ik reeds gesproken heb, kwam uit Holland aan, en had de
tyding verspreid, dat men, door zyne tusschenkomst, eene wet gemaakt
had, volgens welke alle slaven, zes maanden na hunne ontscheping in
Texel, vry zouden zyn. De eigenaar konde nochtans dien tyd voor zes
andere maanden verlengd krygen, na verloop van welken geen uitstel
meer, zelfs voor geen enkelen dag, zoude worden toegestaan.--In myne
ziel nu overtuigd zynde, dat ik vroeg of laat, en zoon, en moeder,
in Europa brengen zoude, was myn hart uittermaten getroost.
Alvoorens het verhaal van myne reize te eindigen, zal ik omtrent
deezen GRAMAN QUACY eenige byzonderheden opgeven. Het zal genoeg
zyn voor het tegenwoordige te zeggen, dat de Prins van Orange, niet
genegen zynde hem de kosten uit zyn beurs te betalen, en hem veele
geschenken te doen, hem te rug zond, gekleed in een scharlaken en
blaauwen rok, om welken een breed goud boordzel gelegd was; hy had
een witten veder op zyn hoed; en hy geleek dus naar een Hollandsch
Generaal. Die goedheid van den Prins maakte deezen Koning der Negers
zeer hoogmoedig, en nu en dan zelfs zeer onbeschaamd.
De Gouverneur der Volkplanting gaf den 27sten, een zeer kostbaar
festyn aan zyne vrienden, op zyne Indigo-Plantagie, eenige mylen
agter zyn paleis gelegen. Hy deed my de eer aan, om my daar by te
verzoeken, en ik had het genoegen, om het maken van Indigo te zien,
waar van ik de behandeling thans zal opgeven.
De Indigo-plant is een knobbelig heester-gewas, dat van zaad
voortkoomt, by de twee voeten hoog groeit, en in den tyd van
twee maanden zyn volkomer wasdom verkrygt. Deeze plant vordert een
vrugtbaaren grond, en men moet het onkruid zorgvuldig uitwieden. Men
ziet dezelve doorgaans, vier of vyf dagen, na dat het zaad in den
grond geworpen is, uitkomen. Het zyn in het begin knobbelige stronkjes,
voorzien van kleine takjes, die verscheiden paaren van bladeren dragen,
en altoos met een ongelyk blad eindigen. Deeze bladen zyn eirond,
glad, zagt in 't aanraken, aan de boven-zyde van eene donker groene
kleur, aan de beneden-zyde bleek groen, ongetand, en aan eene byna
onzigtbaare steel vast gehecht. De bloem behoort onder het zoort van
die geenen, die tot een peul of schil groeijen, en hangt aan eene zeer
korte steel. Wanneer de bladen van de bloem zyn afgevallen, groeit
der zelver hart in de lengte, en wordt een peul, die langwerpig, krom
gebogen, glad, helderschynend, puntig uitloopende, bruin van buiten,
en wit van binnen is, en zeven of acht pitten bevat, die door een
klokhuis van elkander zyn afgescheiden. Elke pit vertoont een kleine
rol, grys of olyfächtig van kleur, en een lyn lang.
Zie hier de manier, op welke deeze plant tot Indigo bereid wordt.
Wanneer men alle de takken heeft afgesneden, bindt men dezelven
tot schoven of bossen, legt die in een groote kuip vol water, en bedekt
dezelven met zwaare stukken hout, die tot perssen dienen. Alles op die
manier zynde gereed gemaakt, begint de gisting zeer spoedig; in minder
dan agtien uuren schynt het water te koken, en de verwstof der plant
naar zig trekkende, verkrygt het zelve eene blaauwe violet kleur. Tot
dien staat van gisting gekomen zynde, laat men het water in een tweede
kuip overloopen, die zomtyds minder groot is; en dan zuivert men het
zorgvuldig van alle stukjes hout, welken men weg werpt. De stank,
die dit water opgeeft, maakt deeze bewerking zeer ongezond. Dit
water, in de tweede kuip overgegoten zynde, wordt met houten spadels
omgeroerd, tot dat het kleurend gedeelte zig afscheidt, en tot kleine
bolletjes zamenloopt, die naar den bodem zinken. Het water herneemt
dan op deszelfs oppervlakte zyne natuurlyke doorschynendheid; en men
giet het nog eens, tot aan dat gekleurd zinkzel, in een derde kuip,
ten einde de stukjens Indigo, die 'er nog in vervat zouden mogen zyn,
mede naar den grond zinken; waar na men dit water weg giet, en het
zinkzel of de Indigo wordt gelegd in vaten, die geschikt zyn, om 'er
in te droogen. Het raakt alzoo alle verdere vochtigheid, die 'er nog
in mogt zyn, kwyt; het krygt aldaar de gedaante van kleine vierkante
langwerpige brooden, van eene fraaije lichtblaauwe kleur, en is dan
tot de vervoering geschikt. [36] Men kweekt de Indigo-Fabrieken in
deeze Volkplanting weinig aan. Ik weet 'er de reden niet van, want de
koek, welke zy voortbrengt, wordt verkogt voor vier guldens het pond;
beste Indigo moet ligt, hard, en brandbaar zyn.
De aankweeking van deeze plant is in Surinamen begonnen door zekeren
DESTRADES, die zig een Fransch Officier noemde, en het zaad daar
toe uit St. Domingo medebragt. Dit had eerst in later tyd plaats,
dewyl ik zelf deezen armen keerel nog gekend heb, die zig op Demerary
met een pistool-schoot het leven benam.--Dewyl de omstandigheden van
zynen dood vry merkwaardig zyn, kan ik myne geneigdheid, om dezelve
kortelyk te verhaalen, niet wederstaan. Deeze man, zig in schulden
gestoken hebbende, maakte het overschot van zyne bezittingen tot
geld, en vluchte uit de Volkplanting van Surinamen weg. Zig in de
Spaansche bezittingen met verboden handel hebbende opgehouden, wierd
al het geen hy bezat vervolgens in beslag genomen. Geen uitkomst meer
hebbende, vervoegde hy zig by één zyner vrienden op Demerary, die de
menschlievenheid had om aan hem eene vryplaats te verleenen. Hy had
daar van slechts eenigen tyd gebruik gemaakt, toen eene verzweering
aan zynen schouder doorbrak; maar hy weigerde bestendig alle hulp,
en om zich te laten bezichtigen. Het ongemak wierd met dit al erger,
en zelfs gevaarlyk; maar DESTRADES bleef 'er altyd by met het bedekt
te houden. Eindelyk geraakte op zekeren dag het geheele huis in
ontsteltenis, toen men hoorde, dat 'er een schietgeweer in zyne kamer
afging. Men trad binnen, en vond hem, met zyn besten rok aangekleed,
maar zwemmende in zyn bloed, met een pistool, het welk by hem op den
grond was gevallen. Toen ontkleedde men hem, en tot groote verbaazing
der tegenwoordig zynde lieden, ontdekte men de letter V (voleur: dief:)
op dien zelfden schouder, welken hy niet had willen vertoonen.--Dus
eindigde het leven van eenen man, die eenige jaaren lang te Paramaribo
met roem geleefd had, en aldaar over het algemeen geacht was.
Na het eeten verliet ik de Plantagie van den Gouverneur, en begaf my,
in het rydtuig van zyne Excellentie, tot aan den oever der Rivier,
alwaar ik een overdekt vaartuig met agt riemen vond, om my naar de
Plantagie Catwyk aan de Commewyne te brengen. De heer GOETZÉE, een
Hollandsch Zee-Officier, die eigenaar van deeze fraaije Plantagie was,
had my op dezelve genoodigd. 'Er ontbrak geen vermaak, van welk zoort
ook, in dit aangenaam verblyf. Men hield aldaar paarden, rydtuigen,
vaartuigen, die altyd gereed lagen; maar het geen alle vermaak bedorf,
was de onmenschelykheid van Mevrouw GOETZÉE, die, om de geringste
misslag, haare slaven deed zweepen: by voorbeeld, een jonge Neger,
JACKY genaamd, wierd, om dat hy de glasen niet naar haaren zin
gespoeld had, door haar veröordeeld, om des anderen daags een zeker
getal zweepslagen te ontfangen; maar de arme keerel vond middel om zig
aan haaren wrevel te onttrekken. Dien zelfden avond nam hy afscheid
van alle de Negers op de Plantagie; vervolgens ging hy in het bed
van zynen meester leggen, nam de tromp van een jachtgeweer in zynen
mond, en den trekker met één der toonen van zynen voet overhaalende,
maakte hy op die manier een einde van zyn leven. Dit schot alles in
rep en roer gemaakt hebbende, werden twee groote Negers gezonden,
om te vernemen wat 'er gaande was, en zy vonden den jongeling dood
en mismaakt liggen op het bed, het welk geheel bebloed was. De beide
slaven gaven bericht van dit voorval, en kregen last om het lyk uit
het vengster te gooijen; maar noch de eigenaar, noch de eigenaresse,
en zelfs geen ander mensch, wilde, eer dat ik kwam, in de kamer gaan,
schoon dezelve anderzints aangenaam en gemakkelyk was. Het geen de
meesters van den huize in deeze omstandigheid het meest verschrikte,
bestond daar in, dat hun geliefd kind in dezelfde kamer sliep, waar
dit voorval gebeurde, maar zy stelden zig spoedig gerust, toen zy
vernamen, dat aan het zelve niets was wedervaren.
Ik had nog geen veertien dagen op deeze Plantagie doorgebragt, toen
eene slavin, YETTEE genaamd, naakt wierd uitgekleed, en door twee
sterke Negers op eene verschrikkelyke wyze gegeesseld. De uitvoering
der straf geschiedde voor de deur van 't huis, en de ongelukkige had
de huid byna geheel ontveld. Haare misdaad bestond in gezegd te hebben:
"dat haare meesteresse eenige schulden had, zoo wel als zy". Vyf dagen
daar na verwierf ik echter, dat de ketenen, die men haar aan de voeten,
en boven de lendenen had vast gemaakt, wierden weggenomen: maar zekere
Mevrouw VAN EYS, voorgewend hebbende, dat deeze slavin haar onbeschoft
had aangekeken, was oorzaak, dat Mevrouw GOETZEE, in die zelfde week,
de kastyding liet herhaalen, en wel op zulk eene manier, dat ik niet
geloove, dat het arme schepzel 'er van heeft kunnen opkomen.
In zoo veele onmenschelyke wreedheden een weerzin hebbende, verliet
ik Catwyk, in het vast voornemen, om het zelve nooit wederom
te zien. Niettemin was ik in gezelschap van den heer GOETZEE, op
verscheide andere Plantagiën, aan de Rivieren Cottica en Peréca. Op
de Plantagie Alia, onder dit getal behoorende, haalde men my op eene
beleefde wyze over, om aan een meisjen, het welk geboren wierd,
een naam te geven, en ik noemde haar Charlotta; des anderen daags
morgens, onder het ontbyt, wierden alhier zeven Negers strengelyk
gegeesseld.--Ik begaf my vervolgens naar de Plantagie 's Gravenhage,
alwaar ik eenen jongen mulat, DOUGLAS genaamd, ontmoette, die geboeid
was, en ik herinnerde my met aandoening, dat zyn ongelukkige vader voor
deszelfs dood hem van de slavernye niet hadde kunnen bevryden. Door
zulk eene reize vermoeid zynde, kwam ik spoedig te Paramaribo te rug,
alwaar ik by myne aankomst vernam, dat LAURENS, de kamerdienaar van
den Colonel FOURGEOUD, overleden was, en dat men hem begraven had,
eer hy nog volkomen dood was.--Geduurende myne afwezigheid hadden
dertien van onze soldaten, om dat zy in een herberg beschonken waren
geraakt, door de spitsroeden geloopen, en stokslagen ontfangen. Zy
waren zoo afgerost, dat weinigen van hun in Europa te rug kwamen,--Men
had een Hollandsch matroos, en een jong meisjen van het geslacht der
Quateron-Negers, aan den oever der Rivier vermoord gevonden.--By myne
te rug komst, op het plein zynde gaan wandelen, wierd ik geroepen
door den ST--K--R, die my op de derde verdieping gebragt hebbende,
tot my zeide:--"zoudt gy wel gelooven, dat één van myne Negers laatst
van deeze hoogte afsprong, om eene geringe kastyding te ontgaan;
maar dewyl hy door zynen val slechts eene ligte bedwelming bekwam,
wreef men hem sterk aan de slapen van het hoofd, en hy kwam weder
spoedig by: toen, om hem te straffen, dat hy zyn persoon, die de
eigendom van zynen meester was, in zulk een gevaar gebragt had, en
myne vrouw had doen verschrikken, zond zy hem naar 't Fort Zelandia
om aldaar door een frisschen Spanso-bocko zyne misdaad te boeten".
De kastyding, die deezen naam draagt, is één der verschrikkelykste;
zy wordt op de volgende wyze uitgevoerd.--Men bindt den veroordeelden
de handen, en laat hem de kniën tusschen de armen doorgaan; men legt
hem vervolgens op de ééne zyde, en houdt hem zoo als een hoen in
malkander gewonden, door middel van een paal, waar aan men hem vast
maakt, en die men in den grond steekt. In die gesteldheid kan hy zig
even min bewegen, als of hy dood was: dan slaat hem een Neger, met
een bos knobbelige tamarinde-takken gewapend, tot hy hem de geheele
huid heeft van één gereten; hy keert hem vervolgens naar de andere
zyde om, slaat hem op gelyke wyze, en de grond is op de straf-plaats
van het bloed doorweekt. Wanneer dit is afgeloopen, wascht men den
armen keerel, om de versterving van het vleesch voor te komen, met
citroen-sap, waar in buskruid ontbonden is. Na dit alles zendt men
hem naar zyn hok te rug, alwaar hy mag zien, hoe hy genezen wordt.
Is het nu wel te verwonderen, ik moet het herhalen, dat de slaven
opstaan tegen meesters, die hen zoo wreed behandelen!
De manier nog niet beschreven hebbende, op welke de muitende
Negerslaven de Plantagiën aantasten, meene ik geene betere gelegenheid,
dan de tegenwoordige, daar toe te kunnen vinden.
Na zig den geheelen nacht in de naby gelegene struiken verborgen
te hebben gehouden, komen zy, by het aanbreken van den dageraad
daar uit te voorschyn, vallen de Europeanen onverhoeds aan, en
vermoorden ze allen. Zy plonderen en verbranden vervolgens het huis
van den eigenaar. By het heengaan nemen zy alle de Negerinnen mede;
zy beladen dezelven met hunnen buit, en behandelen haar met de grootste
onbeschoftheid, indien zy den minsten tegenstand durven bieden.
Ik zal de aandoenlykheid van den lezer door deeze treurige verhaalen
niet meer afmatten, hebbende ik hem 'er reeds te lang mede bezig
gehouden. Ik hoopte daar door de wreedäarts te doen bloosen, en de
zaak der menschelykheid te bevorderen.
Ik heb reeds gezegd, dat ik, den 24sten Augustus, een verzoekschrift
aan den Gouverneur had ingeleverd, om mynen zoon vry te maken. Mitsdien
zag ik, den 8sten October, met zoo veel vreugde, als verwondering,
het volgende aangeplakt. "Indien iemand gerechtigd is, om zig te
verzetten tegen zeker gedaan verzoek, om de vryheid te bekomen voor
een kind, behoorende tot het geslacht der Quarterons, genaamd JOHN
STEDMAN, zoon van den Capitain STEDMAN, kan dezelve zig aanmelden
tot den 1sten January 1777.". Zoo dra ik dit bericht gelezen had,
liep ik naar den heer PALMER, om hem dit nieuws mede te deelen. Hy
verzekerde my, "dat dit eene enkele plechtigheid was, gegrond op de
veronderstelling, dat ik de noodige borgtocht bezorgen zoude, waar
op men ongetwyffeld staat maakte, overeenkomstig de vrypostigheid,
waar mede ik myn verzoekschrift aan den Gouverneur der Volkplanting
had ingeleverd". Niet in staat zynde een enkel woord uit te brengen,
ging ik naar JOANNA toe, die my al glimlachende antwoorde, dat ik aan
de vryheid van onzen zoon niet moest wanhoopen. In deeze oogenblikken
van neerslagtigheid verliet ik deeze beminnenswaardige vrouw nooit,
zonder dat zy my eenigen troost gegeven had.
Byna op deezen zelfden tyd vernamen wy, dat in de Utrechtsche
nieuwspapieren een zeer scherp geschrift stond tegen den Colonel
FOURGEOUD, waar by men met het zenden van afgezanten, door hem aan de
Oucas- en Sarameca-Negers gedaan, den spot dreef. Schoon hy van die
zoogenaamde bondgenooten niets te verwagten had, en dat zyn volk op
dit oogenblik byna geheel versmolten was, wilde hy echter de geenen,
die nog gaan konden, niet geheel werkeloos laten. Hy kleedde derhalven
zyne soldaten op nieuw, (voor de eerste maal na het jaar 1772,) en hy
gaf hun nieuwe sabels, enz.; vervolgens zond hy hen om aan den mond van
de Cassipory-Kreek, aan het bovenëinde van de Cottica te gaan legeren,
zynde alleenlyk door Onder-Officiers vergezeld; maar de Officiers
van hoogeren rang, kregen spoedig bevel om hen te volgen. Den 7den,
onthaalde hy ons ter maaltyd, en liet eindelyk een gebraden ossenharst
opdisschen, welke men hem van Amsterdam gezonden had, op zoodanige
wyze gereed gemaakt, als ik reeds beschreven heb. Op het nagerecht
zag ik eene vrucht, die men in Surinamen noemt Kaneel-appel, aan een
boompjen groeit, en in de tuinen van Paramaribo, meenig-werf gevonden
word. Dezelve is met een zoort van groene schubben geheel bedekt,
en gelykt naar een jonge artichok.
De schil van deeze vrucht is byna een halve duim dik. Het vleesch
smaakt als dikke room, waar in aangebrande suiker geroerd is. Het
is zoo zoet, dat zommige lieden het al te laf oordeelen. Derzelver
breede, harde en zwarte zaaden zitten in dit vleesch.
My hebbende gereed gemaakt om weder eenen dadelyken dienst te beginnen,
en daarënboven eene groote meenigte wyn, sterke dranken, en allerleije
zoorten van ververschingen, my door myne vrienden toegezonden,
ontfangen hebbende, beval ik JOANNA, en mynen zoon, aan de zorge
van de goede Mevrouw GODEFROY aan. Dit was dus de zevende veldtocht,
die thans een aanvang nam: ik verlangde de onderneming, welke wy met
eenen zoo standvastigen yver voortzetteden, zoo mogelyk, tot genoegen
van de inwooners deezer Volkplanting te doen afloopen. Ik bevond my
toen zoo wel, ik was zoo opgeruimd van geest en wel gemoed, als op
den dag zelven, toen ik, met de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD,
op het vaste Land van America ontscheepte.