ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Inscheeping van het krygsvolk.--De Zurzaca, en Sabatille.--De

Papaija, en de Gember.--Het krygsvolk gelast om te

ontschepen.--Muiterye.--Onbetamelyk gedrag van een Capitain der

Oucas-Negers.--Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.--Nieuwe

byzonderheden betrekkelyk de Negers.

Des avonds van den dag van ons vertrek lieten wy het anker vallen by

de Plantagie Berkshoven, toebehoorende aan dien zelfden heer GOURLEY,

van wien ik op het einde van het voorige Hooftstuk gesproken heb, en

by wien ik den nacht doorbragt. Des anderen daags morgens vervolgden

wy onze reize, en ik nam afscheid van den heer PALMER. Ik bragt den

avond en den nacht van den 17den met den Capiten MACNEYL door; en den

18den, liet onze kleine vloot, bestaande uit myne vaartuigen, en de

genen, die van Maagdenberg en de Cottica kwamen, het anker vallen op

de rheede van Paramaribo, alwaar het krygsvolk, het welk onder myn

bevel stond, oogenblikkelyk aan boord ging van de Transport-schepen,

die ons aldaar reeds wagtten.

Zoo dra zy aan boord waren, ging ik aan wal, om 'er aan den Colonel

FOURGEOUD bericht van te geven. Vervolgens ging ik JOANNA en myn zoon

zien, welken ik, tot myne groote blydschap, volmaakt hersteld vond.

Des anderen daags keerde ik naar het schip te rug, om alles tot onze

reize gereed te maken.

Den 20sten, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD, op

wiens tafel ik tot myne verwondering zag opdisschen twee visschen,

van welken ik nog niets gezegd heb. De één word hier Haddok genoemd,

en gelykt veel naar onze wyting, schoon een weinig grooter en

witter van kleur. De andere draagt den naam van Separy, en gelykt

naar de aschkleurige roch. Op het nageregt zag ik een vrucht, die in

Surinamen den naam van Zurzaka draagt. Het is dezelfde, zoo ik meen,

die wy in Engeland noemen Soursap. Dezelve groeit aan een boom van

middelmatige grootte, waar van de schors grys is, en de bladeren gelyk

zyn aan die van den oranje-boom, maar aan paaren gerangschikt. De

vrucht is van eene spits toeloopende gedaante, en zwaarder, dan de

grootste peer: over het geheel heeft dezelve punten, maar die niet

steeken. Derzelver vleesch, het welk eene zeer harde schil rondom

zig heeft, is van eene mergachtige zelfstandigheid, zoo wit als

melk, van een zeer zoeten smaak met een aangenaam zuur vermengd, en

zaad-korrels in zig bevattende, even als een groote appel. Men vindt

ook een ander zoort van Zurzaka, [28] naar hop gelykende, maar die

van geen gebruik is. Op het zelfde nageregt, hadden wy ook nog eene

vrucht, Sabatille genaamd, welke aan een zeer zwaaren boom groeit,

waar van de bladeren gelyk zyn aan die van den Laurier-boom. Deeze

vrucht heeft de gedaante van eene zeer ronde persik; zy is van eene

bruine kleur, en met een zeer zacht dons overdekt. Men zoude derzelver

vleeschachtig gedeelte aanzien voor eene marmelade vol zaadkorrels;

maar het is zoo zoet en laf, dat veelen het niet eeten kunnen.

Den 21sten, ontfingen wy onze soldye, maar in papieren geld, waar

op wy een zeer merkelyk verlies leden. Ik ging oogenblikkelyk aan

Mevrouw GODEFROY een bezoek geven; ik stelde haar al het geld ter

hand, het welk ik in myn zak had, en niet meer dan veertig ponden

sterling bedroeg. Deeze uitmuntende vrouw drong by my op nieuw, maar

vrugteloos aan, dat ik mynen zoon en zyne moeder naar Europa zoude

mede nemen. JOANNA was onverzettelyk. Zy bleef 'er by van niet te

willen vertrekken, voor dat haare losprys volkomen was afbetaald. Wy

hielden ons dus, als wilden wy ons lot met eene volmaakte onderwerping

dragen; maar het geen wy 'er in ons eigen hart van ondervonden,

laat zig gemakkelyker begrypen, dan beschryven.

Onze vaandels wierden, den 23sten, in groote plechtigheid aan boord

gebracht. Het Fort Zelandia echter bewees aan dezelven geene de minste

eer; men deedt geen enkelen kanon-schoot, en zelfs wierd 'er op de

vestingwerken geen vlag opgeheist, het geen den Colonel FOURGEOUD

een onëindigen spyt deedt. Hy moest het echter alleenlyk wyten

aan zyne eigene achteloosheid; want hy had aan den Gouverneur geen

behoorlyk bericht van zyn vertrek gegeven. Al het krygstuig en verdere

goederen wierden ook ingescheept; en een Colonist, VAN HEYST genaamd,

deedt, op zyne eigene kosten, drie honderd flessen wyn, vruchten,

en onderscheidene eetbaare waaren, onder de soldaten uitdeelen.

Ik heb te meermalen van de gastvryheid en edelmoedigheid van de

inwooners deezer Volkplanting gesproken. Ik ondervond 'er in dit

oogenblik de blyken van, daar ik van myne talryke vrienden, versche en

ingelegde vruchten tot mynen overtocht ontfing. Onder de laatstgemelden

vond ik Papaijes, zynde de vruchten van den Papaijen-boom, het wyfje

namelyk, want het mannetje brengt geene vruchten voort, Deeze boom

groeit op tot de hoogte van byna twintig voeten. Zyne stam loopt

recht, is vol merg, en door een gryzen schors omgeven; zyne bladeren

maken aan den top een zoort van kroon; zy zyn uittermaten breed,

getand, en bedragen slechts een getal van veertien of zestien. De

vrucht groeit dicht by den top, en de bloem geeft eene aangenaame

geur van zig. De Papaije, tot haare volwassenheid gekomen zynde,

heeft de grootte en gedaante van een water-meloen; maar haar vleesch

is harder en vaster, en in het begin groen zynde, word zy naderhand

geel. Het binnenste gedeelte van dit vleesch is sponsachtig, zoet,

en onëindig vol met korrels. Men snydt deeze vrucht in verscheiden

stukken, wanneer zy volkomen ryp is; dan laat men ze koken, en zy

heeft de zelfde smaak als Engelsche raapen; maar men bedient 'er

zig voornamelyk van, om ze in suiker in te leggen, wanneer ze nog

jong is, te gelyk met haare bloemen, die zeer geurig en zeer gezond

zyn. Men had my ook ingelegde Gember gezonden; deeze is de wortel van

een zoort van riet, het welk nooit hooger groeit, dan twee voeten,

en waar van de bladen lang, smal en puntig zyn. Deeze wortels zyn

knobbelachtig, plat gemaakt, klein, en van verschillende gedaanten,

zeer veel gelykende naar aardäppelen, en ten naasten by van dezelfde

kleur van binnen, maar vezelachtig, veel zuur in zig bevattende,

en van een speceryächtigen en zeer heeten smaak. Men weet, dat deeze

wortel niet alleen eene goede ingelegde fruit verschaft, maar ook in

verscheiden gevallen een uitmuntend geneesmiddel.

Den 24sten July, toen wy zeilree lagen, gingen wy eindelyk gezamenlyk

zyne Excellentie, den Gouverneur der Volkplanting, begroeten, die

ons met de grootste beleefdheid ontfangende, aan onzen Oversten

te kennen gaf, dat, indien hy dit oogenblik had afgewagt, om zyne

vaandels aan boord te zenden, hy hun zekerlyk de eere bewezen zoude

hebben, die hy hun ontegenspreekelyk verschuldigd was. Toen wy in

het hoofdquartier waren te rug gekomen, zondt hy de gezamentlyke

Officiers der Compagnie mede plechtig derwaarts; om ons eene gelukkige

reize te wenschen. In alles wat plechtige wellevendheid betrof, was

de Gouverneur ontwyffelbaar onzen Colonel ver voor uit; en ik had

byna een hevigen twist met hem gehad, om dat hy aan zommigen zyner

gunstelingen iets in het oor had gefluisterd. De Officiers vervoegden

zig toen by de soldaten, die zedert den 18den waren ingescheept, en

het deerniswaardig overschot deezer fraaie Zee-krygsbende bevondt

zig nu eindelyk op een schip, het welk gereed lag, om des anderen

daags naar Europa te stevenen. De vergenoegdheid blonk op aller

aangezichten, één alleen uitgezonderd; en niets konde evenaaren aan

de opgetogenheid van algemeene vreugde, toen men den volgenden morgen

bevel gaf, om het anker te ligten, en in zee te steken.

Maar het lot had beschooren, dat de levendigste en meest gegronde hoop

nog eenmaal vervallen zoude. Op het zelfde oogenblik van het vertrek,

kwam een Schip de Rivier opzeilen. Het zelve bragt brieven mede, waar

by onze krygsbende gelast wierd, zig weder in de bosschen te begeven,

en in de Volkplanting te blyven, tot dat zy door nieuw krygsvolk, het

welk men tot dat einde uit Holland zenden zoude, wierd afgelost. Men

las vervolgens aan de soldaten, die op het dek van elk schip geschaard

stonden, de oprechte dankbetuigingen voor van zyne Doorluchtige

Hoogheid den Prins van Orange, voor den moed en standvastigheid, waar

mede zy de grootste vermoeijenissen en schroomelykste gevaaren hadden

doorgestaan. Maar dewyl hier op volgde het bevel om te ontschepen,

en dien afgryzelyken dienst voort te zetten, bemerkte ik nimmer

zoo veel neerslagtigheid, zoo veel misnoegen en wanhoop; terwyl ik,

die tot op dit oogenblik een volmaakt ellendeling was geweest, op

myn beurt de eenige was, wien de droefheid niet had ter nedergeslagen.

In het midden van dit droevig toneel, gelastte men een driewerf Hoezée,

het geen de soldaten van één der schepen volstrekt weigerden. De

Colonel SEYBOURG en ik (by ongeluk) kregen bevel, om hen daar

toe te noodzaken. Deeze Officier, voor zoo veel hem betrof, deedt

zulks met den stok in de hoogte, en het pistool in de hand. Zynen

gramstoorigen en oploopenden inborst kennende, was ik thans voor

de gevolgen hoogst beducht. Ik sprong oogenblikkelyk in de sloep,

die op zyde van één der schepen lag; aldaar sprak ik de genen aan,

die op het dek met het hoofd gebogen stonden, en ik beloofde twintig

glazen brandewyn voor al het volk, indien zy dit droevig geroep wilden

aanheffen. Vervolgens op het schip geklommen zynde, gaf ik aan den

Colonel SEYBOURG bericht, dat alle de soldaten thans bereid waren

aan zyne bevelen te gehoorzamen. Wy gingen dus weder in de sloep, en

by ons heengaan, hadden wy het genoegen het driemaal herhaald geroep

van Hoezée te ontfangen, het welk door de matroozen van goeder harten

gedaan wierd, waar by zig eenige zee-soldaten voegden, maar op zulk

een neêrslagtigen toon, dat het my onmogelyk is, zulks te beschryven.

De goedhartigheid van den Prins van Orange bleek echter op eene

doorslaande manier by deeze gelegenheid, want hy gelastte, dat het geen

deezen en geenen van het volk aan Artsen en Heelmeesters verschuldigd

waren, uit de kas betaald zoude worden. Van hoe weinig aanbelang dit

ook scheen, was dit geene kleinigheid voor verscheiden Officiers, en

betoonde in zyne Doorluchtige Hoogheid eene oplettendheid, die men by

de Vorsten niet altyd aantreft. Zy wisten bovendien allen, hoe veel

deel hy in het leed van zyne soldaten nam; maar hy konde hen daar van

niet bevryden, zonder het algemeen belang in de waagschaal te stellen.

Zoo al dit tegen-bevel ons volk met droefheid aandeedt, het gaf aan de

meeste Colonisten een groot vermaak. De voornaamste derzelven hadden,

eenige dagen te vooren, een verzoek-schrift aan den Colonel FOURGEOUD

geteekend en aangeboden, waar by zy hem verzogten, "nog eenigen tyd

met zyn volk te blyven, en het geen hy zoo roemryk begonnen had,

te volvoeren, door by aanhoudenheid de muitelingen te ontrusten

en te verstrooijen, het welk hun eindelyk geheel zoude t'onder

brengen". Zekerlyk had onze krygsbende, gezamentlyk met het krygsvolk

der Sociëteit en de Jagers, het grootste gedeelte van de bezittingen

der muitelingen in de Volkplanting vernield, en hen genoodzaakt zoo

ver heen te vluchten, dat de strooperyen en het wegloopen der slaven

ongelyk veel zeldzaamer waren, dan by onze komst. Het was ongetwyffeld

beter van dit middel gebruik te maken, dan eenen schandelyken vrede

te sluiten, gelyk men met de Oucas- en Saraméca-Negers gedaan had,

en waarschynlyk ook zoude plaats gehad hebben, indien men ons niet

naar Guiana gezonden had.

Ik kan niet nalaten, tot bewys van het onbeschaafd character der

laatstgemelden, een gesprek te verhalen, door my met één van hun

gehouden, terwyl ons volk, alvorens weder te veld te gaan, zig

te Paramaribo ophield. By den Capitain MACNEYL, die toen van zyne

Plantagie in de Stad te rug kwam, ten eeten zynde, kwam een Capitain

der Oucas-Negers, onze zoogenaamde bondgenooten, aan de vrouw van

't huis om geld vragen. Hy was zoo verveelend, dat ik in het Engelsch

den raad gaf, "hem een glas wyn te geven, en hem weg te zenden". My

gehoord hebbende, stelde hy my voor buiten te komen, en zyn stok

met een zilvere knop oplichtende, vroeg hy my: "Of ik de heer van

't huis was; en zoo niet, waar ik my dan mede bemoeide"? "Ik ben",

zeide hy, met eene donderende stem, "Capitain FORTUNE DAGO-SO; en

indien ik u in myn Land by de Oucas had, ik zoude den grond met uw

bloed bevochtigen". Ik antwoordde hem, myn sabel trekkende; "Dat myn

naam STEDMAN was, en dat, indien hy nog eenmaal zulke onbeschaamde

woorden dorst uitten, ik hem oogenblikkelyk een houw zou geven". Daar

op kraakte hy met zyne vingers, en verliet ons. Ik was over dit

voorval zeer te onvreden, en keurde zeer af, dat de Colonel FOURGEOUD

aan zulke roovers zoo veel achting betoonde. Des avonds, ter maaltyd

uitgaande, ontmoette ik den zelfden Neger, die eensklaps bleef staan,

en my zeide: "Massera, gy zyt een man, een braaf man; wildt gy eenig

geld aan Capitain FORTUNE geven"? Het op een barssen toon aan hem

geweigerd hebbende, kustte hy my de hand, en vertoonde my zyne tanden,

tot een blyk van verzoening, zoo hy my zeide; en hy beloofde my, om my

pistache-nooten ten geschenke te zenden, die echter nooit gekomen zyn.

Schoon ons verblyf in Surinamen eenigen tyd verlengd wierd, konde

onze dienst aldaar aan de Volkplanting van weinig nut meer zyn. Ons

getal was byna tot niet versmolten, en hoe zwak het ook was,

toen wy op nieuw ontscheepten, deedt men, op den 1sten Augustus,

nog negen Officiers, en meer dan één honderd zestig ongeneeslyke of

zieke soldaten, naar Holland vertrekken. Ik had toen de koorts, en

de Colonel gaf my dienvolgende verlof om mede scheep te gaan; maar

ik weigerde zulks, besloten hebbende, om, zoo mogelyk, het einde van

deezen tocht te zien. Ik maakte echter van deeze gelegenheid gebruik,

om eenige geschenken aan myne vrienden in Europa te zenden, bestaande

in twee fraaije Papegaaijen, in twee Aapen van een zeer merkwaardig

zoort, in eene voortreffelyke verzameling van fraaije Kapellen,

in drie kistjens met ingelegde fruiten en vleesch, welken ik aan

boord van het Schip Paramaribo deed brengen, en aan de zorge van den

Sergeant FOWLER aanbeval, die ongelukkiglyk één van de zieken was,

welken men naar Amsterdam zond.

De Majoor MEDLAR, die door vermoeienis ten eenemaal was uitgeput,

vertrok toen ook naar Holland. Ik nam in zyne afwezigheid zynen post

waar, en ik wanhoopte niet, om zelf t'eeniger tyd onze krygsbende te

rug te brengen, indien het getal van onze Officiers dagelyks zoodanig

verminderde. Onder de geenen, die overbleven, werden 'er egter twee

gevonden, die moeds genoeg hadden een huwelyk te wagen, en ieder met

eene Creoolsche weduwe trouwden.

Toen rust en stilte genietende, bekwam ik weder genoegzaame kragten,

om my, den 10den, naar Mevrouw GODEFROY te begeven, aan wien ik myn

verlangen te kennen gaf, om ten minsten JOHNNY STEDMAN vry te maken,

en ik verzogt haar, dat zy, door zig voor de gewoone somme van drie

honderd ponden sterling by den Raad tot borge te stellen, verklaaren

wilde, dat hy nimmer tot last van de Volkplanting van Surinamen

komen zoude. Maar zy weigerde het my stellig, schoon zy geen gevaar

hoe genaamd te loopen had, en het een niets beduidende zaak was,

alleenlyk om aan het voorschrift van de wet te voldoen. Ik konde niet

nalaten daar over myne verwondering te betuigen, die nochtans ophield,

toen ik vernam, dat deeze vrouw die zelfde gunst aan haaren eigen

zoon geweigerd had.

Ik kan van de slavernye niet spreken, zonder my eene schuld te

herinneren, welke ik aan den lezer nog niet heb afgedaan. Ik heb

reeds eenige byzonderheden opgegeven omtrent de manier, op welke

de slaven in dit Land verkogt en behandeld worden; maar ik gevoel,

dat ik nopens dit onderwerp niet uitgebreid genoeg geweest ben, en

ik verbeelde my voegzaam te zyn, dat ik alle de berichten, welken

ik omtrent de Negers bekomen heb, mede deele. Ik vleije my zaaken te

zullen vermelden, waar op men geene aandacht genoeg gevestigd heeft,

of die tot hier toe slechts onvolkomen zyn verhaald geworden.

Ik begin met de kleur der Negers, en ik houde my verzekerd, zoo als

ik reeds te vooren heb opgemerkt, dat zy geheel en al moet worden

toegeschreven aan de brandende luchtstreek, waar in zy leven, en aan

derzelver verhitten dampkring door die regelmatige winden, die over

eindelooze zand-woestynen heen waaijen, alvorens zy tot eenig bewoond

land komen. De Indianen van America, die onder denzelfden graad van

breedte woonen, ontfangen deeze verkoelde winden in tegendeel door

den Atlantischen Oceaan, en hebben eene koper-kleur; de inwooners

van Abyssinië, die dezelven al mede ontfangen, na dat ze door de

Indische Zee gematigd zyn, hebben geheel en al eene olyf-kleur. Zoo

ook aan het noordelyk gedeelte van de groote Rivier van Senegal,

verandert de kleur der huid van zwart tot bruin onder de Mooren,

gelyk zy aan den zuidkant doet onder de Kaffers en Hottentotten: ik

ben zelfs van gevoelen, dat de wolachtige hoedanigheid van het hair

der Negers een uitwerkzel is van die zelfde oorzaak. Ik heb meer dan

eens de opperhuid der Negers zien ontleden; zy is doorschynend en

helder, maar tusschen dezelve en de waare huid, vindt men een dunne

plaat of blad, dat volmaakt zwart is, en door strenge geesselingen

of door het mes weggenomen zynde, eene kleur doet te voorschyn komen,

niet minder dan die van de huid van een Europeaan.

Twee blanke Negers wierden in Surinamen, op de Plantagie Vossenberg,

geboren van ouders, die volmaakt zwart waren. De eerste van dezelven

was een meisjen, en wierd, in het jaar 1734, naar Parys gezonden;

de tweede was een jongen, en wierd geboren in 't jaar 1738. In 't

jaar 1794, heeft men in Engeland eene dergelyke vrouw gezien, genaamd

EMILIA LEWSAM, wier kinderen, schoon zy met een Europeaan getrouwd

was, allen Mulatten waren. De huid van diergelyke persoonen is zoo

wit niet als de onze; zy gelykt naar een kryt-kleur: zoodanig is ook

de kleur van hunne hairen. Hunne oogen zyn dikwils rood, [29] en zy

zien naauwlyks in de heldere zonneschyn. Zy zyn tot geenerhande zoort

van arbeid geschikt; en hunne verstandelyke vermogens beantwoorden

doorgaans, zoo men my gezegd heeft, aan de zwakheid van hun lichaam.

De uiterlyke gedaante der Africaansche Negers is, van het hoofd tot

de voeten, verschillende van die der Europeanen, schoon naar myne

gedachten, en alle vooröordeel ter zyde gesteld, van geene mindere

hoedanigheid. Hunne uiterlyke trekken, hunne platte neus, hunne

dikke lippen, hunne bolle wangen, kunnen ons mismaakt schynen; en

echter onder hen geheel anders beschouwd worden. Wy zyn genoodzaakt

hunne zwarte en schitterende oogen, hunne witte reijen tanden

te bewonderen. Een der voordeelen van de lichaams gesteldheid der

Negers bestaat daar in, dat men onder hen nooit een kwynend en bleek

persoon ziet, gelyk men zoo dikwils in Europa ontmoet. De rimpels, en

andere gevolgen van den ouderdom, zyn by hen ook zoo zichtbaar niet,

schoon ik echter toestemme, dat wanneer een Neger ernstig ziek is,

zyne zwarte kleur eene aller onaangenaamste bleeke olyf-kleur bekoomt.

De Negers zyn zekerlyk meer dan wy geschikt tot oeffeningen, tot

welken kracht van lichaam en knaphandigheid noodig is. Over het

algemeen wel gespierd en sterk van romp zynde, zyn hunne uiterlyke

ledematen fyner. Hunne borst is zeer schoon, maar zy hebben naauwe

heupen. Hunne dyen zyn dik en sterk; zoo ook hunne armen, boven den

elleboog; maar de gewrichten van hunne hand, en het onderste gedeelte

van hunne beenen zyn zeer langwerpig. Derzelver krom gebogene gedaante

moet men toeschryven aan de manier, op welke de moeder haar kind op

den rug draagt. Zy verwydert de beenen des kinds van elkander, zo dat

dezelve tegen haar midden drukken, het geen dit zoort van mismaaktheid

veröorzaakt, waar mede het kind niet geboren is: bovendien leert

zy aan het zelve het loopen niet, zy laat het in het zand en gras

kruipen, en het staat niet over einde, dan wanneer het 'er kracht en

lust toe heeft, het geen spoedig gebeurt. De houding der voeten wordt

echter door deeze gewoonte zeer verwaarloosd, maar door middel van

lichaams-oeffening en dagelyksche baden, verkrygt het kind die kragt

en vaardigheid, welken alle de Negers in den hoogsten graad bezitten.

Zy hebben nog eene andere gewoonte, die, naar hunne gedachten, zeer

veel tot bevordering van hunne sterkte en gezondheid toebrengt. In de

twee eerste jaaren, dat de moeder haar kind zoogt, doet zy het zelve

dikwils eene groote meenigte water inzwelgen, waar na zy het twee malen

daags zeer sterk schudt: zy neemt het ook by een been of by een arm,

en wascht deszelfs huid in de Rivier af. De meisjens worden op dezelfde

wyze als de jongens opgevoed. Tot eenen zekeren ouderdom gekomen zynde,

behoeven zy voor de mannen niet onder te doen, dan in grootte; zommige

zelfs winnen het hun af, in het loopen, in het vechten met de vuist,

in het danssen, in het zwemmen, en in het klauteren tot boven in de

boomen. Op die wyze kan men, door eene geschikte opvoeding, een stam

van Amazonen vormen.

Deeze sterk gespierde meisjens van de gezengde luchtstreek zyn

merkwaardig door haare vruchtbaarheid. Ik heb eene slavin gekend,

Esperanza genaamd, en tot de Plantagie van den heer DE GRAAF

behoorende, die in drie jaaren en in drie kramen negen kinderen had

ter weereld gebragt: de eerste keer vier; de tweede twee, en de derde

drie. De Negerinnen baaren haare kinderen zonder moeite, en, even

als de Indiaansche vrouwen, hernemen zy haare dagelyksche bezigheden

op den dag van haare bevalling zelven. Geduurende de eerste week, zyn

haare kinderen volstrekt als die van de Europeanen, uitgenomen echter,

dat men in de jongetjens eene zwartächtige vlak op zeker deel van het

lichaam ziet, waar na het in 't kort geheel en al van dezelfde kleur

wordt. De meisjens komen vroegtydig tot jaaren van huwbaarheid, maar

het is met haar, als met de vruchten van deeze luchtstreek, zy vallen

schielyk af. Verscheiden Negers bereiken nogtans eenen hoogen ouderdom:

ik heb 'er één of twee gezien, die meer dan honderd jaren oud waren;

en de Londonsche Kronyk van den 5den October 1780 maakt melding van

eene Negerin, LOUISA TRUXO genaamd, die toen te Cordua du Tucunna,

in Zuid-America, leefde, en honderd vyf-en-zeventig jaaren oud was.

Vindt men in de sterf-lysten één enkelen Europeaan, die zulk een

hoogen ouderdom bereikt had? En deeze vrouw had waarschynlyk, even

als de andere slavinnen, haare jeugd in moeielyken arbeid doorgebragt.

Ik heb in het gestel der Negers deeze byzonderheid steeds opgemerkt,

dat, daar zy geschikt zyn, om zwaaren arbeid in de heetste dagen van

den zomer te volvoeren, zy niet minder koude en vochtigheid verdragen

kunnen, beter dan een Europeaan, immers dan ik zelve op onze tochten

doen konde. Zy slapen den geheelen nacht, naakt in het vochtig gras

liggende, zonder dat 'er hunne gezondheid iets by lydt, terwyl ik

zeer gelukkig was, met des morgens by myne hangmat vuur te hebben,

en onze soldaten van huivering beefden, om dat zy 'er van verstoken

waren. Honger of dorst, pyn of ziekte, verdragen zy met zoo veel

lydzaamheid, als moed.

Ik heb hier vooren meer dan twaalf stammen van Negers genoemd, welken

ik allen kenne door de verschillende teekenen, die de genen, welke tot

deeze of geene stam behooren, op hun lichaam maken.--By voorbeeld,

de Coromantyn-Negers, die de meest geachte zyn, hebben drie of vier

sneden op elke wang.

De Loango-Negers, die het minst in aanzien zyn, onderscheiden zig, door

verhevene en vierkante beeldtenissen, naar dobbelsteenen gelykende,

op de armen, in de zyden, en op de dyen, te teekenen. Zy slypen ook

hunne voortanden puntsgewyze, het geen hen vervaarlyk maakt. Alle hunne

mannelyke kinderen zyn besneden, ten naasten by als die der Joden.

Onder de spelingen der natuur, behoort men te stellen het maakzel van

een byzonder zoort van Negers, Accorys, of tweevingerige genaamd, die

onder de Negers van Saraméca, aan het bovenste gedeelte der Rivier

van dien naam, woonen. Zy, die dit volk uitmaken, zyn merkwaardig,

uit hoofde van hunne allermismaaktste voeten en handen; de eerste

hebben vier zeer lange toonen, en de andere alleenlyk twee vingeren,

maar die naar de schaaren van een kreeft gelyken, of liever het

voorkomen hebben, als of zy door eene branding of ander toeval, een

lidteeken bekomen hadden. Deeze mismaaktheid zoude, wanneer zy zig tot

een enkel persoon bepaalde, weinig verwondering baaren; maar het is

ontwyffelbaar een vreemd verschynsel, wanneer men deeze byzonderheid

in een geheel volk ontmoet. Ik heb twee van deeze Negers gezien,

maar op eenen te verren afstand, om ze te kunnen afteekenen. Ik

begeere my dus by deeze gelegenheid niet tot getuige op te werpen;

ik verhaale alleen, wat my bericht is. De afteekening van een man,

die voeten en handen van dit maakzel had, is aan de Maatschappy der

wetenschappen te Haarlem gezonden. Ik heb daarënboven in een oud

boek over de ontleed- en heel-kunde, aan my door den kundigen OWEN

CAMBRIDGE van Twickenham bezorgt, een bericht gelezen, waar uit het

my gegund zy het volgend uittrekzel op te geven.

"In 't jaar 1629, na de zitting van St. Michiël, bragt men van de

plaats, alwaar de misdadigers ter dood gebragt worden, aan het

Geneeskundig Collegie, een lyk, tot het doen van ontleedkundige

vertooningen geschikt; en by toeval nam de bediende van het

Collegie het lyk van eenen schelm, die den zoon van den heer SCOT,

een heelmeester van goeden naam, in deeze stad, vermoord had. Zyn

aangezicht had nog een woest voorkomen behouden. Zyne hairen waren

zwart, gekruld, niet zeer lang, maar dik, en zwaar in één gevlochten:

zyn voorhoofd was niet hooger dan een duim. Hy had groote en vooruit

steekende wenkbrauwen, de oogen in hunne holte diep ingezonken, een

kromme neus, met een bult of dikte aan de punt, en een weinig in

de hoogte stekende. Eene zeer zwaare knevel bedekte zyne bovenste

lip, maar aan de kin had hy slechts eenige harde en zwarte hairen;

zyne onderste lip was drie maalen dikker dan gewoonlyk: zie daar

de gedaante van zyn aangezicht. Zyne grootste mismaaktheid echter,

die in de daad buitengewoon was, vertoonde zig aan zyne voeten,

die beiden gespleten waren, maar niet op dezelfde manier. De rechte

voet verdeelde zig in twee toonen, van vier tot vyf duimen lengte,

even als die van elk ander mensch, maar zoo groot, dat de helft van

dit gedeelte van den voet hem dragen konde; de nagels waren naar

evenredigheid. De linke voet was insgelyks in het midden gespleten,

maar deeze scheiding was ten hoogsten drie duimen lang. De helft

naar de binnen-zyde had de gedaante van een grooten toon met een

zeer zwaaren nagel, en gelykende naar die van dezelfde helft, aan

den rechten voet; de buitenste helft bestond uit twee andere toonen,

die zeer digt tegen elkander stonden. Ik heb gepast geöordeeld het

gedrochtelyk maaksel van dit mensch te beschryven, na eene naauwkeurige

beschouwing, in tegenwoordigheid van meer dan duizend lieden gedaan".

Ik weet weinig van de verschillende spraken der Africaansche Negers;

echter zal ik eenige spreekwoorden van de Coromantyn-Negers,

opteekenen, welken myn Neger QUACO, tot deeze stam behoorende,

my heeft opgegeven: ik moet tevens aanmerken, dat de Negers hunne

woorden zeer schielyk uitspreken, dezelven als uit de keel halende, het

geen zig niet gemakkelyk op het papier laat beduiden. Zie hier deeze

spreekwyzen met derzelver vertaaling: "Co fa ansyo, na baramon-bra:

gaat naar de Rivier, en haal my water".--"My yery, nacomeda my:

vrouw, ik heb honger".--Dit zy genoeg met opzigt tot de taal der

Coromantyn-Negers, zoo als men die op de kust van Guinée spreekt.

De taal der Negers in de Volkplanting van Surinamen verstaa ik

volkomen, want het is een zamenstelzel van 't Hollandsch, Fransch,

Spaansch, Portugeesch, en vooral van het Engelsch, het welk 'er de

grondslag van is, en waar van zy veel houden. Ik heb reeds gezegd,

dat de eerste Europeanen, die deeze Volkplanting bezaten, luiden van

onze natie waren; van daar koomt het waarschynlyk, dat de Negers zulk

een byzonderen lust tot hunne taal hebben. In deeze gemengde taal,

waar van ik reeds eene gedrukte spraakkunst gezien heb, eindigen de

woorden doorgaans met een klinkletter, even als in de Italiaansche en

Indiaansche taalen. Zy is zoo aangenaam, zoo welluidend, en zoo zacht,

dat de Surinaamsche inwooners van den eersten smaak 'er zig meestäl van

bedienen. Men kan over den aart der uitdrukkingen oordeelen door de

volgende voorbeelden:--"Goed eeten, wordt uitgedrukt door de woorden

swyty-mousso.--Buskruid: man sanny.--Ik zal u met al myn hart, en

zoo lang ik leef, beminnen: my saloby you, lango alla my hatty, so

langa me lyby.--Een aangenaam verhaal: ananassy tory.--Ik ben zeer

droefgeestig: me hatty brun.--Leef lang, zoo lang, dat uwe hairen

wit worden als catoen: leby langa, tay-tay, ta-y you wyry tam wity

liky caton.--Klein: pyky.--zeer klein: pykinini.--Vaarwel! ik sterf,

ik ga tot mynen God: adiossoo, cerroboay, my de go dede, me de go

na my gado". Men kan in deeze taal verscheiden woorden van bedorven

Engelsch opmerken, welker gebruik men in de hoofdstad begint agter te

laten, maar die altyd op de afgelegene Plantagiën gebruikt worden:

by voorbeeld, ik heb eene oude Negerin van de Plantagie Goed-Accord

aan de Cottica hooren zeggen: "We lobee fo lebee togeddere", om daar

mede te kennen te geven, wy houden veel van met elkander te leven;

en om dit zelfde denkbeeld te Paramaribo uit te drukken, zeide men,

"way louko fortanna marandera".

Het gezang der Negers is, zoo als dat der vogelen, welluidend, maar

zonder maat. Dikwils voeren zy een zoort van gezang op de volgende wyze

uit: één van hun geeft eerst een spreuk op, vervolgens zingt hy die,

en alle de anderen herhalen zulks gezamentlyk; dit afgeloopen zynde,

geeft men eene andere op, zingt en herhaalt die op dezelfde wyze.

Op die manier zingen de roeijers der vaartuigen, en zy houden 'er

vooral veel van zulks by maaneschyn te doen. Dit gezang onder hun

roeijen moedigt hun aan, en men hoort het op een vry verren afstand.

Het is bewezen, dat de Negers, wanneer zy eene goede opvoeding

ontfangen hebben, voor eene groote kieschheid van het gehoor vatbaar

zyn, en zig op de dichtkunst kunnen toeleggen. Onder de genen, die

in dit zoort van letteroeffeningen uitmuntten, behoort men vooral

te tellen PHILLIS WHEATLYE, een slaaf te Boston, in Nieuw-Engeland,

die de Latynsche taal leerde, en agt-en-dertig dichtstukken over

verschillende onderwerpen zamenstelde, die zeer cierlyk zyn, en in

't jaar 1773. in 't licht kwamen.

De sentimenteele brieven van Ignace Sancho, een Neger in dienst van den

Hertog van Montagu, zyn zeer bekend, en zouden de pen van een Europeaan

niet ontcieren. Wat de gave van het geheugen en van rekenen betreft,

om te bewyzen, dat de Negers dezelve in den hoogsten graad bezitten,

zal ik hier een brief bybrengen, door Dr. RUSH uit Philadelphia aan

één van zyne vrienden te Manchester gezonden.

"Met eenige inwooners van deeze stad reizende, en Maryland

doorkruissende, zegt de Doctor, hoorden wy spreken van de

wonderbaarlyke gevatheid in de rekenkunst, waar mede een Neger, THOMAS

FULLER genaamd, begaafd was; en wy lieten hem by ons komen. Iemand

van het gezelschap vroeg hem, hoe veele maanden, weken en dagen een

man van zeventig jaaren oud geleefd had? Hy beantwoordde de vraag in

anderhalve minuut. Die hem de vraag had voorgesteld, nam de pen op,

maakte de berekening, en zeide hem, dat hy zig zekerlyk vergist had,

en dat het door hem opgegeven getal te hoog was. Neen, Massera,

antwoordde de Neger hem wederom, dit koomt, dat gy vergeten hebt de

schrikkel-jaaren te berekenen. Wanneer de Americaan vervolgens de

minuten berekende, welke in deeze getallen begrepen waren, kwam zulks

juist uit met het getal van FULLER. Die zelfde Neger vermeenigvuldigde,

by eene andere gelegenheid, uit zyn hoofd, negen cyffergetallen met

negen andere". Ik heb 'er één gekend, die den Alcoran van buiten

kende. Welk een vermogen in menschen, die noch lezen, noch schryven

geleerd hebben! Alle deeze verhaalen zyn met dit al volkomen echt.

By het geen ik omtrent de Godsdienstige gevoelens der Negers heb

bygebragt, kan ik nog voegen, dat zy het aanzyn van een God vastelyk

gelooven: in wiens goedheid zy hun vertrouwen stellen, wiens magt

zy aanbidden, en wien zy een gedeelte van alle hunne levensmiddelen

opofferen. Zy vreezen den dood niet. Aan de Rivieren Gambie en

Senegal zyn zy byna allen van den Mahomedaanschen Godsdienst. Maar

de Godsdienstige leere en plechtigheden der Africanen verschillen

over het algemeen, even als de bygeloovige en tallooze gebruiken van

alle de wilden, en zelfs van te veel Europeanen. Opgemerkt hebbende,

dat zy gewoon waren aan den wilden Catoen-boom offerhanden te doen,

[30] vroeg ik aan een ouden Neger, waarom men aan denzelven deeze

eer bewees. "Massera, zeide hy my, zie hier de reden. Dewyl wy

geen tempel hebben, om onzen Godsdienst in te oeffenen, en deeze

boom de grootste en schoonste is, die op de kust van Guinée groeit,

verzamelen zig onze landslieden onder zyne takken, die hen voor de

hitte der zon en voor den regen beveiligen, om aldaar onzen Gadoman,

of Priester te hooren prediken. Wy hebben voor dien boom zulk een

eerbied, dat men dien nooit om ver hakt, om welke reden het ook zy".

'Er is geen volk, het welk meer bygeloovigheid heeft, dan

de Negers. Hunne Locomen, of zoogenaamde Propheten, vinden 'er

hun belang by, met dezelve aan te zetten. Zy verkoopen hun, gelyk

ik reeds gezegd heb, hunne obias, of tooverbanden, en trekken 'er

groot voordeel van. De Negers hebben ook een zoort van Sybillen, die

Godspraken uitgeven. Deeze statige vrouwen danssen in het rond te

midden van een talryk gezelschap, en met eene groote vlugheid, tot

dat haar het schuim op den mond staat, en dat zy in stuiptrekkingen

vervallen. Al wat zy in deezen aanval gelasten, moet door de omstaande

meenigte heiliglyk worden naargekomen. Deeze magt maakt haar zeer

gevaarlyk; want dikwils gelasten zy aan de slaven, om hunne meesters

te vermoorden, of van de Plantagiën weg te loopen, en in de bosschen

de wyk te nemen. Deeze toneelen van bygeloovigheid zyn derhalven, in

de Surinaamsche Volkplanting, onder bedreiging van zwaare straffen,

by de wetten verboden. Met dit al grypen zy op afgelegene plaatsen

dikwils stand. Zy zyn onder de Oucas- en Saraméca-Negers zeer

gemeen, en de Capitains FREDERIK en VAN GUERICK hebben my verzekerd

dezelven te hebben zien uitoeffenen. Men noemt ze hier wynty-play,

of Syrenen-danssen, en zy hebben van onheuchelyke tyden plaats

gehad. Men weet, dat de oude Schryvers van zoortgelyke dwaasheden

dikwils melding maken.

Maar het vreemdste is, dat deeze Sybillen, door de klank van haare

stem, den Ammodite- of Papaw-slang [31] weten aan te lokken, en hem

uit den boom te doen vallen. De Negers dooden hem niet, noch brengen

hem immer eene wonde toe; zy beschouwen hem integendeel als hunnen

beschermer en vriend, en zy achten zig zeer gelukkig, wanneer hy

in hunne hutten koomt. Wanneer eene Sybille der Negers deezen slang

bezworen heeft, of hem uit den boom naar beneden doet komen, ziet men

doorgaans, dat dit dier zig om den arm, de borst, en den hals van deeze

vrouw slingert, als of hy in het hooren van haare stem behagen schepte,

en te gelyker tyd vleit en streelt zy hem met de hand. De heilige

Schryvers spreken, op verscheiden plaatsen, van het vermogen, om de

slangen en adders te betooveren, het welk ik hier alleenlyk bybrenge,

om de oudheid van dit gebruik te bewyzen; en het is bekend, dat de

Oost-Indische volken de meest vergiftige slangen door het geluid van

eene fluit, die hen uit hunne schuilhoeken doet te voorschyn komen,

uit de huizen weten te jagen. Het is nog maar weinige jaaren geleden,

dat eene Italiaansche vrouw te London drie makke en gemeenzame

slangen vertoonde, die zig ook om haare armen en hals slingerden;

zy waren vier of vyf voeten lang, maar hadden geen vergif in zig.

Ik moet nog een ander bewys van de bygeloovigheid der Negers

aanhalen. In elk huisgezin is een verbod, het welk van vader tot zoon

overgaat, om het vleesch van het een of ander dier, het zy vogel,

viervoetig dier, of visch, niet te eeten; het geen op die wyze verboden

is, noemen zy treff, en zy proeven 'er nooit van.

Hoe belachelyk ook zommige van deeze plechtigheden mogen voorkomen, zy

zyn hoogst noodzakelyk, om de Negers in onderwerping te houden. Deeze

ongeletterde menschen verschillen daar in van de Europeanen, dat

zy vast zyn in hun geloof, hoedanig het zelve ook zyn moge, en dat

geene twyffelingen hen daar van immer te rug houden. Ik wil echter

daar uit niet beslissen, of zy erger of beter zyn.

De Negers zyn omtrent elkanderen zoo welwillend, dat men hun

niet behoeft te zeggen:--"Bemint uwen naasten als u zelven.". De

armste, onder hen, al heeft hy maar één ey, zal het met allen, die

'er tegenwoordig zyn, verdeelen. Het zelfde zal hy doen met het

kleinste glaasjen rhum; maar vooraf zal hy eenige droppels op den

grond sprengen, by wyze van wyn-plenging.

Zoo al de wilde volken doorgaans veel edelmoedigheid en goede

trouw bezitten, zy hebben ook hunne gebreken, waar onder eene groote

wraakzucht gevonden wordt. De grootte van deeze hartstocht in de Negers

staat gelyk met die van hunne gevoelens van dankbaarheid; en ik kenne

'er geen één, die aan een ander de hem aangedaane belediging vergeven

heeft. Men kan van hun zeggen, dat hunne vriendschap zoo teederhartig,

als hunne haat onverzoenlyk is. Even als alle barbaarsche volken,

geven zy zig aan verschrikkelyke wreedheden over.

In den laatsten opstand, die in de Volkplanting de Berbices is

voorgevallen, ging hunne woede zoo ver, dat zy de vrouwen hunner

meesters, schoon zwanger zynd, en in tegenwoordigheid van hunne

echtgenooten vermoordden. [32] De Accawaws-Negers zyn niet minder dan

zy op de konst, om door vergif om te brengen, afgericht. Zy verbergen

het vergif onder hunne nagels, en door slechts den vinger in een glas

met water te steken, veroorzaken zy eenen langzamen, maar zekeren

dood. [33] Geheele huisgezinnen, en zelfs alle de inwooners van eene

Plantagie, hebben de gevolgen van hunne wraakzucht ondervonden. Dit

ging eindelyk zoo hoog, dat zy tachtig slaven, derzelver ouders en

vrienden, deeden omkomen, om hunne meesters van dit gewichtig gedeelte

van hunnen eigendom te berooven. Deeze monsters dragen den naam van

wissy-men, het welk misschien koomt van het woord wise (wys); en door

dit helsch middel helpen zy een groot aantal slachtöffers van kant,

langen tyd voor dat zy ontdekt worden.

De barbaarsche volken, schoon van de voordeelen der opvoeding beroofd,

hebben nochtans verwarde denkbeelden van eigendom: dus moet men zig

niet verwonderen, dat slaven, die in hun persoon de duidelykste

schending van alle recht ondervinden, aangezet worden, om zig

deswegens schadeloos-stelling te bezorgen. Die van de Plantagiën

zyn al te zeer aan dieverye overgegeven, en plunderen alles, wat

onder hun bereik koomt, wanneer zy hope hebben, om het straffeloos

te kunnen doen. Men kan ook aan hunne onmatigheid, vooral aan die in

den drank, geene palen stellen. Ik heb eene jonge Negerin een kom,

waar in ik twee flessen wyn geschonken had, achter een zien uitdrinken.

Van de Negers van den stam van Gango, wordt gezegd, dat zy uit een

geest van wraakzucht, even als de Caraïben, menschen-eeters zyn. Na

het innemen van Boucou, vondt men, in de huizen der muitelingen van

deezen stam, potten vol met menschen-vleesch, die nog op het vuur

stonden. De nieuwsgierigheid drong een Officier, om deeze afschuwelyke

kost te proeven, en hy verklaarde, dat dusdanig vleesch niet minder

was, dan ossen- of varkens-vleesch.

De heer WANGILLS, een Americaan, die in het binnenste van Africa

zeer diep is doorgedrongen, heeft my naderhand verzekerd, dat hy

in eene stad of gehucht van dit Land gekomen was, alwaar armen,

dyen en beenen van menschelyke schepsels zoo openbaar te koop lagen,

als het vleesch by onze vleeshouwers ligt. JOHN KEENE, Capitain in

dienst van de Compagnie van Sierra-Leona, heeft my stellig gezegd,

dat hy zig met zyn schip op de Africaansche kust bevindende, om hout,

yzer en goud-poeder in te nemen, de Capitain van het schip Nassau,

genaamd DUNNINGEN, met alle zyne manschappen vermoord wierd. Hunne

lyken wierden vervolgens in stukken gehakt, ingezouten en opgegeten

door de Negers van den grooten Drevin, omtrent dertig mylen ten

noorden van de Rivier van St. Andreas. Deeze zelfde menschen-eeters

namen toen al het koper van het schip weg, en staken vervolgens het

schip zelve in brand.

Na de gebreken van het character der Negers te hebben aangewezen,

is het billyk, dat ik ook hunne goede hoedanigheden en deugden schetse.

Ik heb reeds van hun vernuft en dankbaarheid gesproken; de

laatstgemelde gaat zoo verre, dat zy zig voor de genen, die hun

eenige byzondere weldaad bewezen hebben, aan doods-gevaaren zouden

bloot stellen. Niets overtreft de genegenheid, dien zy voor hunnen

meester hebben, wanneer deeze hen met goedheid behandelt; waar

uit blykt, dat hunne genegenheid even sterk is, als hunne haat. De

Negers zyn over 't algemeen gevoelig, maar vooral de Coromantyn- en

Nago-Negers. Zy zyn vatbaar voor liefde; en de jaloersheid brengt

in hun hart de vreesselykste gevolgen voort. Hunne ingetogenheid

verdient hier genoemd te worden; want geduurende verscheiden jaren,

dat ik onder hen verkeerd heb, herinner ik my niet 'er ooit één in 't

openbaar eene vrouw te hebben zien kussen. De Negerinnen hebben eene

ongemeene liefde voor hunne kinderen. Geduurende de twee jaaren, dat

zy dezelven zoogen, houden zy geene gemeenschap met hunne mannen. Zy

zouden het zig zelven verwyten als eene onnatuurlyke zaak, tot nadeel

haarer zuigelingen strekkende. De zindelykheid der Negers is zeer

opmerkelyk. Zy baden zig ten minsten drie maalen daags. Die van de

stam van Congo in 't byzonder zyn zulke liefhebbers van het water,

dat men hen, met eenig recht, halfslachtige dieren zoude kunnen noemen.

De Negers zyn moedig en geduldig in tegenspoed. Zy trotseeren de

pynigingen en den dood met eene onverschrokkenheid, die zonder

weêrgaa is. Hun gedrag in de neteligste omstandigheden gelykt naar

heldenmoed. Zy laten geene klachte hooren, zy loosen geen zucht,

men hoort van hun geen gekerm, zelfs wanneer zy in 't midden der

vlammen hun leven laten. Ik heb nimmer een enkelen gezien, die, om

welke reden het ook wezen mogt, tranen storte; en echter bidden zy

met den sterksten aandrang om genade, wanneer men hen veröordeelt, om

gegeesseld te worden voor misdryven, welken zy erkennen; maar indien zy

vermeenen de kastyding niet verdiend te hebben, maken zy zig zelf byna

oogenblikkelyk van kant. Die van den stam der Coromantyn-Negers, geven

zig voornamelyk aan deeze daad van wanhoop over. Het gebeurt dikwils,

dat zy, by de uitvoering der straf, hun hoofd agter over gooijen, om

hunne tong in te slikken, hetgeen hen oogenblikkelyk doet versmooren;

en zy vallen dood voor de voeten hunner meesters neder. Maar wanneer

hun geweten hun overtuigt, dat hunne straf rechtvaardig is, zyn zy

gedwee, en onderwerpen zig met gelatenheid aan hun lot. Men heeft

zedert kort in Surinamen het zeer menschelyk middel uitgevonden,

om te beletten, dat zy zig zelven niet versmooren, gelyk ik zoo

even verhaalde, door hun een aangestoken stroo-fakkel voor den mond

te houden, waar door het dubbeld oogmerk bereikt wordt, om hun het

gezicht te blakeren, en hunnen aandacht van een dergelyk ontwerp af

te trekken. Zommigen nemen hun toevlucht tot een ander middel: zy

eeten aarde; het geen hunne maag belet derzelver gewoone werkingen te

doen, en zy eindigen dus hun leven zonder pyn, maar kwynende zomtyds

meer dan een jaar in eenen staat van ongemeene zwakheid. De wetten

hebben tegen deeze aard-eeters de gestrengste kastydingen vrugteloos

vastgesteld, want men ontdekt hen zeldzaam, wanneer zy deeze misdaad

aan zig zelven begaan.

Na deeze algemeene aanmerking omtrent de natuurlyke en zedelyke

vermogens der Negers, zal ik hen thans beschouwen in den staat van

slavernye, en aan de yzere roede van eene verschrikkelyke dwingelandye

onderworpen. Vervolgens van dit afgryzelyk toneel afstappende,

zal ik aantoonen, wat zy zyn onder rechtvaardige, menschlievende en

gevoelige meesters.

Men herinnert zig ongetwyffeld, het geen ik van hun gezegd heb, wanneer

zy van de kust van Guinée aankomen, en in welken zwakken en elendigen

staat zy zig dan bevinden. Ik heb ook doen opmerken, dat zy spoedig

hunne lyvigheid weder bekomen, en dat men hun aan de zorge van eenen

ouden slaaf toevertrouwt, die hun de taal der Volkplanting leert. Zoo

verre gevorderd zynde, zendt men hen naar het land om te werken, waar

aan zy zig met genoegen onderwerpen, schoon ik eenige voorbeelden

van nieuwlings ingevoerde Negers gezien heb, die zulks weigerden,

in weêrwil van de beloften, gebeden, bedreigingen, en slagen zelfs,

tot welken men toevlucht nam, om 'er hen toe te dwingen; maar deeze

waren Vorsten of persoonen van aanzienlyken rang in hun vaderland,

die door de lotgevallen van den oorlog tot den staat van slavernye

vervallen waren, en wier verheven gevoelens hun den dood deeden

verkiezen boven de vernedering en de ellenden der slavernye. By

verscheiden gelegenheden van dien aart, heb ik andere slaven op de

kniën zien vallen, en hunne meesters smeeken, dat zy de taak van den

gevangen Prins of hoogen persoon by hunne taak voegen wilden; het

geen men hun zomtyds toestond, en zy bewezen hem bestendiglyk den

zelfden eerbied, als of hy in zyn eigen Land was. Ik herïnner my,

dat ik eens, om my voor een oogenblik te dienen, eenen Neger gehad

heb van een zeer goed voorkomen, en die kortlings ontscheept was,

wiens gewrichten aan de handen en enklaauwen door ketenen ontveld

waren. Ik vroeg 'er hem de reden van.--"Myn vader", antwoordde hy my,

"was Koning, en wierd door de zoons van een nabuurig Vorst verraderlyk

vermoord. Zynen dood trachtende te wreeken, ging ik met zommigen van

de mynen dagelyks ter jagt, in de hoop van zyne moorders te ontmoeten;

maar ik had het ongeluk om verrast en geketend te worden; van daar

komen die schandelyke lidteekens, welken gy ziet. Men verkocht my

vervolgens aan uwe landgenooten op de kust van Guinée, eene straf,

die voor verschrikkelyker gehouden wordt, dan de dood zelve".

De geschiedenis van mynen Neger QUACO was nog zonderlinger.--"Myne

ouders", zeide hy my, "leefden van hunne jagt en visscherye. Men

ligtte my, nog zeer jong zynde, op, terwyl ik met twee van myne

broeders in het zand speelde. Dadelyk stak men my in een zak, en

vervoerde my verscheiden mylen ver. Ik wierd vervolgens één der

slaven van eenen Koning op de Guineesche kust, die een aanzienlyk

getal bezat. Toen hy stierf, onthoofde men 'er het grootste gedeelte

van, en begroef dezelven met hem. De kinderen van myne jaaren wierden

onder de Capitains van zyn leger ten geschenke gegeven; en de Capitain

van een Hollandsch Schip kogt my voor een snaphaan, en een weinig

buskruid".--Elk mensch bemint zyn geboorte-land, hoe hard de wetten

'er ook wezen mogen.

Zoo dra deeze ongelukkige vreemdelingen met minder yver beginnen te

arbeiden, worden zweepen, bulle-peesen, bambous-rieten, touwen, yzers

en ketenen te werk gelegd, om hen vlugger te maken. 'Er zyn meesters,

die hen nacht en dag bezig houden, zonder zelfs de zondagen uit te

zonderen. Ik herïnner my, dat een jong en zeer sterk Neger, MARQUIS

genaamd, die een vrouw en twee lieve kinderen had, welken hy teederlyk

beminde, zynen arbeid met zoo veel yver doorzette, dat hy des namiddags

ten vier uuren met het graven van een sloot of greppel, van vyf honderd

voeten lang, geëindigd had, om tyd te hebben tot het bebouwen van zynen

kleinen tuin, of te gaan visschen, of vogelen te vangen, tot onderhoud

van dit zyn geliefd huisgezin. Zyn meester, dit vernomen hebbende,

bewees hem, om hem aan te moedigen, dat wanneer hy voor vier uuren

vyf honderd voeten had kunnen afgraven, hy 'er zekerlyk voor zonnen

ondergang zes honderd zoude hebben kunnen volëinden. De ongelukkige

keerel wierd vervolgens verwezen, om dagelyks dien taak af te werken.

De slaven loopen in Surinamen byna naakt, en hun dagelyks voedzel

bestaat in eenige ignames en vruchten van Plantain-boomen. Misschien

twee maalen 's jaars, krygen zy een middelmatig rantsoen van gezouten

visch, en eenige bladen tabak, het geen zy sweety mouffo noemen; en

dit is het ook al. Maar het ondraaglykste voor hun is, dat ofschoon

een Neger en zyne vrouw voor elkander de grootste genegenheid hebben,

de laatstgemelde, indien zy wat mooy is, de walgelyke omhelzingen

van eenen overspeeligen en onbeschaamden Opzichter zig moet laten

welgevallen, zoo zy haaren man, zulks trachtende te beletten, niet

wil zien in stukken houwen. Deeze onwaardige behandeling heeft hen

dikwerf tot de geweldigste wanhoop vervoerd, en tot een groot getal

moorden gelegenheid gegeven.

Uit hoofde van eene zoo groote opéénstapeling van onheilen, is de

zelfsmoord onder de Negers gemeen; dikwils loopen zy weg naar de

bosschen, om zig met hunne muitende landgenooten te vereenigen;

of zoo zy al de vlucht niet nemen, worden zy mistroostig, en krygen

kwynende ziekten, ten gevolge van de mishandelingen, die hun worden

aangedaan. Deeze ziekten zyn de lota, bestaande in eene scheurbuikige

en witte vlak over het geheele lichaam:--De crassy crassy, of schurft,

die by hun, even als by de Europeanen, voortspruit uit slecht voedzel,

en onder hen zeer gemeen is:--De yaws, welke ziekte veelen gelyk

stellen met de venus-ziekte, en waar door het geheele lichaam met

geele zweeren wordt overdekt; de meeste Negers zyn 'er aan onderworpen,

maar zy worden 'er slechts eenmaal in hun leven door aangetast; eene

byzonderheid, die, wanneer men 'er by voegt, dat de kwaal ligtelyk

aan anderen wordt medegedeeld, dezelve eenigermaten gelyk stelt met

de kinderpokjes. Deeze besmettelyke hoedanigheid is zoo groot, dat

indien eene enkele vlieg, die zig op den zieken nederzet, (en by is

'er als mede bedekt) zig op de ligtste ontvelling der huid van iemand,

die volmaakt gezond is, plaatst, zy hem met dit verschrikkelyk

vergif besmet, waar van de gevolgen zig verscheiden maanden lang

doen gevoelen. Men geneest deeze ziekte doorgaans door kwyling en een

goeden levensregel, gepaard met eene aanhoudende beweging, die eene

overvloedige uitwaasseming te weeg brengt; en zoo lang die geneezing

duurt, is de zieke ongemeen mager.

De boassy, of melaatsheid, is nog veel verschrikkelyker, en men

beschouwt dezelve als ongeneeslyk. Het aangezicht en de ledematen

zwellen in deeze ziekte op, en het geheele lichaam is vol met

zweeren. De adem heeft een ondragelyken stank; de hairen vallen uit;

de toonen en vingers verrotten, en vallen vervolgens lid voor lid

af. Het ongelukkigste van allen is bovendien, dat de ellendeling, die

door deeze ongeneeslyke kwaal wordt aangetast, zomtyds verscheiden

jaaren lang kwynen kan. Dewyl de melaatschen van natuure tot het

minnespel genegen zyn, en hunne ziekte besmettelyk is, moet men hun

alle gemeenschap verbieden, en hen veröordeelen tot een altoosduurende

ballingschap op den een of anderen hoek der Plantagie.

De clabba-yaws of tubboes zyn ook eene deerlyke en ellendige ziekte,

die pynlyke zweeren veröorzaakt aan de voeten, voornamelyk aan den

bal van den voet, tusschen vel en vleesch. Het gewoon middel in dit

geval bestaat hier in, dat men het aangestoken deel met een gloeiend

yzer brandt, of met een dun lancet doorvlymt; alsdan laat men op de

wonde zeer warm sap van citroen loopen, het geen wel zeer gevoelig,

maar van een zeer groot geneezend vermogen is.

De Negers zyn ook onderworpen aan ziekten van uit- en inwendige wormen,

het welk by hun veröorzaakt word door het gebruik van modderig water,

waar in die wormen huisvesten, of door de rauwheid van hun voedzel. Een

der voornaamsten wordt genoemd Lindworm: zynde wormen zomtyds van zes

voeten lengte, van eene schitterende zilver witte kleur, en niet veel

dikker, dan de tweede snaar van een bas-viool. Zommige wormen plaatsen

zig tusschen vel en vleesch: zy veröorzaken gevaarlyke en pynlyke

zwellingen overal waar zy inkomen, en vooral aan de beenen. Het

middel, om deeze kwaal te geneezen, bestaat daar in, dat men den

worm, wanneer hy boven de huid uitkoomt, by den kop neemt, en hem

'er geheel en al uittrekt, hem, om zoo te spreken, op een kaart of

stokjen windende. Dit kan men met niet te veel omzichtigheid doen,

want zoo de worm breekt, is het verlies van het lid, of zelfs van het

leven, 'er dik wils het gevolg van. Zommige lieden zyn met zeven of

agt van die wormen te gelyk gekweld.

Behalven deeze ziekten, die hun byzonder eigen zyn, zyn de Negers

bovendien onderworpen aan die ziekten, welken de Europeanen gewoonlyk

ondervinden, die op hun beurt van de opgegevene gevaarlyke en pynlyke

kwalen in Guiana niet ontheven zyn.

Het is dus niet te verwonderen, dat de Plantagiën zulk een groot

aantal zieken opleveren; men laat hen eeniglyk over aan de zorge

van eenen Dressy-Negro, of Heelmeester der Negers, wiens geheele

kundigheid bestaat in het toedienen van eenige zouten, of het smeeren

van eenige pleisters. Zy, die door aanhoudende geesselingen van het

hoofd tot de voeten zyn van één gereten, kunnen zig zelven genezen,

of zonder huid arbeiden, zoo hun dit gelieft.

Van alle deeze opéénstapelingen van ellende, waar van zommige natuurlyk

uit de luchtstreek, en het slegt voedzel der Negers, maar vooral uit

de onbetamelyke wreedheid der Opzigters voortspruiten, is het gevolg,

dat een groot getal slaven buiten staat is om te werken, de één door

eene geheele en schielyke uitputting hunner kragten, de ander door

eenen te vroegtydigen ouderdom: maar de dwingeland eener Plantagie

vindt voor hunne kwaalen een onfeilbaar hulpmiddel, het geen niet

minder is, dan hen met eenen slag dood te slaan: dit verlies raakt

hem niet meer dan zynen meester. Hy is alleen nayverig omtrent de

geenen, die zig van hunnen taak kwyten kunnen; hy verzekert, dat

de anderen gestorven zyn, de meesten van de venus-ziekte, en geen

Neger is bevoegd, om getuigenis tegen hem te geven. Indien echter

eenig Europeaan den moord bewees, zoude de schuldige vry zyn, gelyk ik

reeds heb opgemerkt, met eene boete van vyftig ponden sterling, en met

den eigenaar schadeloos te stellen, zoo deeze zulks begeerde. Voor

deezen bloedprys kan hy elken slaaf, die onder zyne magt staat,

en het ongeluk heeft zyne woede gaande te maken, opöfferen.

Een Opzigter kan bovendien duizende listen te baat nemen, om het

bewys van zyne schuld te ontduiken. Ik heb 'er een gekend, die

zig van eenen Neger willende ontdoen, hem op de jagt mede nam,

en hem gelastte het wild op te jagen: zyn eerste snaphaanschoot

raakte deezen ongelukkigen, die dood ter neder viel. Dit wierd een

toeval genoemd, en men deed 'er geen het minste onderzoek naar. Een

ander kwam op de volgende wyze om.--Men stak een houten paal op het

midden van eene groote vlakte in den grond; men bond 'er den slaaf

aan vast in de hitte van eene brandende zon, en men gaf hem, om het

leven te behouden, niet meer dan ééne banane en één glas water daags,

tot dat hy stierf. De Opzigter beweerde, dat dit niet door den honger

veröorzaakt was, om dat men hem altyd eeten en drinken gebragt had;

dus wierd hy met eere vry gesproken.

Men heeft dikwils een ander middel gebezigd, om eenigen van deeze

ongelukkige slaven straffeloos van kant te helpen. Het bedoeld

slagtöffer wordt naakt aan een boom in het bosch gebonden, met de

armen en beenen uitgestrekt, onder voorwendzel van hem dezelve wat

losser te maken; men laat hem aldaar, en geeft hem op bepaalde tyden

te eeten, tot dat hy, door het steken der muggen of andere insecten,

het leven verloren heeft. Men verdrinkt de Negers ook wel, door hun,

met een keten aan de voeten, in 't water te werpen, en dit noemt men

ook een toeval!

Het is zeer zeker, dat verscheiden, op last van eene vrouw, op

houtstapels geketend zynde, zyn van kant geholpen. De straf om hun

de tanden uit te trekken, alleenlyk wegens het proeven van het door

hem bewerkte suiker-riet, hun den neus te klooven, of de ooren af te

snyden, om onderlinge kyvagiën, is van te weinig aanbelang, dan dat

wy daar van zouden behoeven te spreken.

Zulk eene wreede mishandeling doet zomtyds in den geest van deeze

ongelukkigen zulk eene moedeloosheid geboren worden, dat zy, om

hun rampzalig leven te eindigen, en zig op eenmaal van zulk eene

verschrikkelyke slavernye te ontheffen, zig zelven in de ketels werpen,

waar in men het sap van het suiker-riet laat koken, daar door een

middel vindende, om hunnen geweldenaar van hunnen persoon en van een

gedeelte van zynen oogst te ontzetten.

Is het derhalven, na zulk eene behandeling, wel te verwonderen,

dat geheele benden van slaven zig in de bosschen verzamelen, en alle

gelegenheden waarneemen, om hunne wraakzucht te koelen?

Ik zal deeze aandoenlyke berichten eindigen met eene algemeene

aanmerking, tot bewys, hoe veel nadeel de bevolking door zulke

wreedheden lydt.

Ik heb gezegd, dat 'er in Surinamen 75,000 Neger-slaven zyn. Indien

men daar van aftrekt het getal der oude lieden van beiderlei kunne,

en der kinderen, zullen 'er niet meer dan 50,000 overblyven, die tot

werken geschikt zyn. Het getal der schepen, die jaarlyks elk 250 of

300 Negers invoeren, wordt op zes tot twaalf gesteld. Men kan dus de

jaarlyksche invoering berekenen op 2500 slaven, die noodig zyn, om

de gemelde 50,000 voltallig te houden. Het getal der dooden nu gaat

jaarlyks dat der geboorten ten beloope van 2500 te boven, schoon elke

Neger eene vrouw heeft, en zelfs twee, zoo hem dit goeddunkt; het

geen over het geheel juist uitmaakt vyf ten honderd, en gevolgelyk

bewyst, dat een geheel geslacht van 50,000 gezonde menschen alle

twintig jaaren volkomen uitsterft.

De rechtvaardigheid en waarheid noodzaken my echter te verklaren,

dat de wreedheden, die zulk eene uitwerking voortbrengen, niet

algemeen zyn. De mededogende Hemel heeft wel eenige uitzonderingen

willen daar stellen, welken ik met genoegen verhalen zal, en die het

tegenövergestelde zyn van het hier boven door my geschetst tafereel. Ik

zal niet naarvolgen eenige Schryvers, die het zelfde onderwerp

behandeld hebben, en daden van goedäartigheid en menschlievenheid

zorgvuldig hebben verborgen gehouden, om deeze zaak alleenlyk van de

ongunstigste zyde te doen beschouwen: ik wil dezelve met openhartigheid

en onpartydigheid zonder verminking openleggen. Ik kan verzekeren, dat

op zommige Plantagiën de slaven naar myne gedachten behandeld worden,

zoo als menschen behooren behandeld te worden. Zulk eene behandeling

zoude nog algemeener zyn, indien de wetten geen onbepaald gezag over

hen veröorloofden, waar van het onmogelyk is, dat geen misbruik gemaakt

werde. Geen eigenaar moest het recht hebben, om het leven van zynen

slaaf straffeloos aan te tasten; en het dooden van een zwarten of

blanken behoorde in het oog der menschen eene gelyke misdaad te zyn,

even als in het oog van God.

Voorts zal ik als nu aan den Lezer vertoonen een huisgezin van Negers,

in dien staat van voorspoed en gerustheid, welken zy steeds onder eenen

goeden meester genieten. De beeldtenissen, op de plaat voorkomende,

worden vooröndersteld te verbeelden persoonen van het volk of den stam

van Loango, uit hoofde der teekenen, die over het lichaam van den

man getrokken zyn, en het cyffer op deszelfs borst, uit de letters

J. G. S. zaamgesteld, door middel van het welk de eigenaar bewyzen

kan, dat de slaaf hem toebehoort. Deeze man heeft op het hoofd een

net en een mand vol kleine visschen; hy houdt ook een groote mand

in de hand, die alle voortbrengzels van zyne visch-vangst zyn. Zyne

vrouw, die zwanger is, draagt verscheiden zoorten van vruchten,

draaijende catoen op een klos, en vreedzaam haare pyp rookende; zy

heeft nog een kind op haaren rug, en een ander loopt al speelende

naast haar. Op die wyze is de arbeid van eenen Neger, onder eenen

menschlievenden meester en geschikten Opzigter, niets meer, dan eene

heilzaame lichaams-oeffening, die met het ondergaan der zon ophoudt,

en hem een genoegzaam overschot van tyd overlaat, om te jagen, te

visschen, zynen kleinen tuin te bebouwen, of manden en netten ter

verkoop te maken. Voor den prys, dien hy daar voor maakt, koopt hy

één of twee varkens, eendvogels en ander gevogelte, welken hy zonder

moeite en kosten voedt op eenen grond, die het noodige daar toe van

zelf voortbrengt; en op die wyze heeft hy 'er zeer veel voordeel by. In

zulk eene gesteldheid is hy ontheven van hartseer; hy betaalt geene

lasten, en hy beschouwt zynen meester alleenlyk als den beschermer

van hem en zyn huisgezin. Hy bidt hem aan, niet uit vreeze, maar

om dat hy in zyn hart overtuigd is, den voorspoed, dien hy geniet,

aan hem verschuldigd te zyn. De door hem bewoonde luchtstreek staat

gelyk aan zynen geboorte-grond, en bevrydt hem van het dragen van

kleederen, het geen hy veel gemakkelyker en gezonder vindt. Hy kan

zyne wooning bouwen, zoo als hy goedvindt, en het bosch verschaft

hem de noodige bouwstoffen. Zyn bed is een hangmat, of mat, papaija

genaamd. Hy maakt zyne eigene potten; en de calebassen, die hem tot

schotels dienen, groeijen in zynen tuin. Nooit leeft hy te zamen met

eene vrouw, welke hy niet bemint, want de beide echtgenooten verlaten

elkander, zoo dra de één den ander moede is; en deeze scheiding gebeurt

nochtans dikwerf minder dan de echtscheiding in Europa. Behalven de

levensmiddelen, welken hy 's weekelyks van zynen meester ontfangt,

weet zyne vrouw hem verscheiden zeer smakelyke spyzen toe te bereiden,

als daar zyn de braf, zynde een huspot van Plaintain-boom vruchten

en ignames, met gezouten vleesch, drooge visch, en peper van Cajenne

te zamen gekookt; de tom-tom, een zoort van pudding, of taart, van

meel van Indisch koorn gemaakt, en met stukjes vleesch, gevogelte,

visch, peper van Caijenne, en zagte schillen van de ocra of althéa

gebakken: de peperpot, zynde een kookzel van visch met Guineesche

peper, het welk men met gebraden plantain-vruchten eet: de gangotay,

zaamgesteld uit drooge visch en groene plantain-vruchten: de acansa en

de doguenou, die van meel van Indisch koorn gebakken worden, waar by

in de laatstgemelde suiker-syroop gevoegd word. Zyn gewoone drank is

schoon water, waar in nu en dan een weinig rhum gegoten wordt. Indien

hy ziek of gewond wordt, geneest men hem voor niet; maar hy gebruikt

zeldzaam den Heelmeester, vermits hy zelf de geneeskragtige kruiden

tamelyk wel kent; bovendien verrigt hy het zetten van koppen, of

het doen van doorsnydingen van het vleesch, hem voor aderlatingen

dienende, aan zig zelf. Zyn hoofd houdt hy zindelyk, door zyne hairen

met vochtige kley te besmeeren; hy laat die daar op droogen, en wast

dezelve 'er vervolgens met zeep sop weder af. Om zyne tanden zoo wit

als yvoor te houden, neemt hy een stukjen hout van een orangenboom,

waar van de vezelen aan één der einden van elkander zyn gescheiden, en

tot een borsteltje dienen: men ziet geen Neger, het zy man of vrouw,

zonder dit klein huisraad, het welk daarënboven het vermogen heeft,

om den stank van den adem te verbeteren.

Dit is het geen zyn lichaam betreft. Wat zynen geest belangt, dezelve

wordt nooit ontrust door vreeze voor den dood, nog door knagingen

van het geweten; want een Neger gelooft vastelyk het geen men hem

geleerd heeft, en het welk eenvoudig en klaar is. Wanneer hy het

leven heeft afgelegd, brengen zyne nabestaanden en vrienden hem in

een boschjen van oranjeboomen, alwaar zy hem begraven, niet zonder

onkosten, want doorgaans leggen zy hem in een kist, die van best

hout fraay gewerkt is, en tevens doen de lykzangen, zuchtingen en

geschreeuw, de lucht weergalmen. Het graf gevuld zynde, en met groene

zoden bedekt, zet men twee groene calebassen op zyde, de ééne vol

met water, de andere met verschillende zoorten van gekookt vleesch

en cassave, het geen men doet, niet zoo als zommige lieden meenen,

in het denkbeeld, als of de doode dit zoude kunnen benoodigd hebben,

maar als een blyk van hoogachting, die men voor zyne nagedachtenis

heeft: zomtyds zelfs brengt men 'er het weinige huisraad, door hem

nagelaten, en breekt het op zyn graf aan stukken. Na het afloopen

deezer plechtigheden nemen alle de omstanders afscheid van hem;

zy spreken tot hem, als of hy hun verstaan konde; zy verzekeren

hem van het leed, het welk zy door hunne scheiding ondervinden; zy

zeggen eindelyk, dat zy hem hopen weder te zien, niet in Guinée,

het geen men ongeschikt oordeelt, maar in dat gelukkig verblyf,

alwaar hy thans het gezelschap zyner voorvaderen, zyner nabestaanden,

zyner vrienden geniet. De plechtigheid deezer begraaffenis eindigt met

jammerkreeten, en vervolgens keert men naar huis te rug. Des anderen

daags slacht men een vet varken, eendvogels, ander gevogelte, enz.;

en de vrienden geven aan de andere Negers een feest, het welk eerst

den volgenden dag eindigt. Tot een teeken van rouwe, scheeren mannen

en vrouwen zig het hoofd, en omwinden het met een blaauwen doek, dien

zy het geheele jaar dragen. Wanneer dit jaar verstreken is, gaan zy

weder naar het graf; zy leggen aldaar de laatste offerhanden neder;

zy zeggen den overledenen als nog vaar wel; vervolgens vieren zy een

ander feest, en het zelve eindigt met een vrolyken dans, en lofzangen

ter eere van den nabestaanden of vriend, die hen verlaten heeft.

'Er is geen volk, waar van de byzondere persoonen, die het zelve

uitmaken, meerder achting en vriendschap jegens elkander gevoelen,

dan de Neger-slaven. Zy schynen verrukt te zyn, wanneer zy zig

by elkander bevinden, en zy zyn nimmer van vermaken uitgeput, om

elkander het gezelschap te veräangenamen. Eene zekere vrolykheid,

welke zy Soesa noemen, bestaat in het springen tegen over zynen

dansser of dansseresse, de handen op de heupen slaande, om de maat

te houden. Zy zyn op dit zoort van oeffening zoo heet, dat dezelve

dikwils met zeven of agt paaren danssers te gelyk plaats heeft, het

geen, door het te groot geweld, den dood van verscheiden hunner meer

dan eens veröorzaakte; waarom de Regeering van Paramaribo hetzelve

verboden heeft.

De Negers zyn vlug en sterk, maar hun grootste vermaak is het zwemmen;

het geen zy twee of drie malen daags doen, onder malkander en by

hoopen van jongens en meisjens, even als de Indianen; en de beide

kunnen onderscheiden zig door hunnen moed, kragt en werkzaamheid. Ik

heb eene jonge Negerin de Commewyne zien overzwemmen, een jong sterk

manspersoon voorby zwemmende, en, toen zy aan de overzyde aankwam,

door haar aan hem hooren voorstellen, om een weg van twee mylen af

te leggen, en hem nog voor uit te blyven.--Ik moet thans spreken

van het speeltuig der Negers, en de manier, op welke zy danssen. Men

herinnert zig ongetwyffeld, het geen ik van die der Loango-stam ten

deezen opzigte gezegd heb; het geen nu zal volgen, is aan alle de

andere stammen gemeen.

Hun speeltuig, dat zeer vernuftig is, en door hen zelven gemaakt word,

heb ik op eene afzonderlyke plaat afgebeeld.

Nº. 1. De qua-qua; eene plank van een hard en geluidgevend hout,

welke aan de eene zyde door een dwarshout in de hoogte wordt opgeligt,

en waar op men met twee yzere staafjes, of twee beenderen, als op

een trommel, slaat.

Nº. 2. De Kiemba-toetoe; een hol riet, waar op de Negers met den neus

blaazen, even als de bewooners van het Eiland Taïti. Deeze fluit heeft

niet meer dan twee openingen, de eene om op te blazen, de andere om

'er de vingers op te houden.

Nº. 3. De Ansokko-bania; een plank van hard hout, aan wederzyden als

een voetbank verheven, en waar op kleine houtjes van verschillende

gedaanten zyn vast gemaakt. Men slaat daar op met twee stokjes,

als op een hakbord, het geen verschillende geluiden voortbrengt,

die niet onäangenaam zyn.

Nº. 4. De groote Creoolsche trommel, gemaakt uit den stam van een

hollen boom. Dezelve is aan de eene zyde open; aan de andere met een

schapen-vel overdekt. Die deeze trommel slaat, zit 'er boven op,

en slaat met de vlakke hand, het geen genoegzaam overëenkoomt met

een basviool of qua-qua.

Nº. 5. De groote Loango trommel, die aan beide zyden gesloten is,

en dezelfde uitwerking doet, als de keteltrom.

Nº. 6. De kleine trommel, genaamd papa drum, welke men op dezelfde

wyze slaat als de andere.

Nº. 7. De kleine Loango trommel, die te gelyker tyd met de groote

geslagen wordt.

Nº. 8. De kleine Creoolsche trommel, die mede tot het zelfde einde

dient.

Nº. 9. De Coeroema, een zoort van beker, konstig gemaakt, insgelyks

met een schapen-vel overdekt, waar op men met twee yzere staafjes,

of twee stokjes slaat, even als op de qua-qua.

Nº. 10. De Loango-bania. Dit is een zeer merkwaardig speeltuig. Het

is gemaakt van een plank van zeer droog hout, waar op twee schuinsche

klampen zyn vast gemaakt. Boven dezelve zyn eenvoudig kleine houte

stokjes van elastiek palmhout geplaatst, die van ongelyke lengte zynde,

boven op een derde klamp schynen uit te maken.

Nº. 11. Eene groote ledige Calebas, dienende tot opblaazing van

het geluid van de Loango-bania, waar van de stokjes met de vingers

worden opgeligt, ten naasten by als de klauwieren van een forte piano;

en dit speeltuig is dan aangegenaam en zacht.

Nº. 12. De Saka-saka; zynde een calebas, met een stok

uitgehold. Dezelve is met een mouw overtrokken, en vol met kleine

nooten en erweten, ten naasten by als de toover-schelp der Indianen.

Nº. 13. Een Zee-schelp, waar op de Negers blaazen, het zy uit vermaak,

het zy om gerucht te maken, maar zynde by het danssen van geen gebruik.

Nº. 14. De Benta; een tak als een boog gespannen, door middel van

een koord van droog riet, of Warimbo, het welk men tusschen de tanden

houdt, waar op men met een kort eind hout slaat, en het welk men links

en rechts weet te bewegen. Het zelve geeft een geluid, byna naar dat

van een jagthoorn gelykende.

Nº. 15. De Creoolsche Bania; een speeltuig, het welk naar eene

mandoline of guitaar gelykt. Het is gemaakt van een halve calebas,

met een schapen-vel overdekt, en waar aan eene lange mouw is vast

gemaakt. Dit speeltuig heeft vier koorden, waar van drie lang zyn,

en het vierde kort en dik is, en tot een bas dient. Men speelt 'er

met de vingers op; het geeft een zeer aangenaam geluid, het welk nog

aangenaamer wordt, wanneer het met gezang vergezeld gaat.

Nº. 16. De oorlogs-trompet, om het laden of den aftocht te bevelen,

enz. De Negers noemen dezelve tou-tou.

Nº. 17. De Jagthoorn, geschikt om de plaats van deeze trompet te

vervullen, of om de slaven der Plantagiën tot den arbeid te roepen.

Nº. 18. De Loango-tou-tou, een fluit, waar op de Negers even als de

Europeanen spelen. Zy heeft alleenlyk vier gaten voor de vingers,

en echter brengt zy eene groote verscheidenheid van geluiden voort.

Dusdanig is het speeltuig der Negers, op welks geluid zy met meer

vermaak danssen, dan men in Europa op dat van het beste orkest doet.

By het geen ik gezegd heb, moest ik nog voegen, dat zy by hun zingen

en danssen, het welk zeer veel gelykt naar het geluid van een bakker,

die zyn brood uit den oven haalende, aanhoudend roept touchety-touk,

touchety-touk, de maat slaan op één, en op een halve maat, maar nooit

op drie.

Alle Saturdag avonden eindigen de slaven, die wel behandeld worden,

de week met eene vrolykheid van dien aart; en doorgaans geeft men hun

alle drie maanden eene groote dans-party, waar op hunne medgezellen

uit de nabuurschap genoodigd worden. Dikwils verëert hun meester het

feest met zyne tegenwoordigheid, of hy zendt ten minsten nieuwe rhum

aan de danssers.

De slaven zyn op deeze danspartyen zeer netjes uitgedoscht; de vrouwen

verschynen aldaar met haare beste kleederen, van Indische stoffen

gemaakt, en de mannen met lange broeken van het fynste Hollandsche

linnen. Zy zyn zoo heet op het danssen, dat ik hun van zaturdag s'

avonds ten zes uuren tot maandag 's morgens met het opkomen van de

zon, zonder ophouden den trommel heb hooren slaan; hebbende zy alzoo

met danssen, zingen, schreeuwen en handgeklap, zes-en-dertig uuren

doorgebragt. De Negers danssen altyd paar aan paar; de mans maken

de figuren en teekenen de passen af; de vrouwen draaijen, houdende

haaren kleinen rok als een zonnescherm uitgespreid. Zy noemen deezen

dans waey-cotto. De jonge lieden, die rusten, schenken den drank in;

de meisjens moedigen de danssers aan, en droogen het zweet aan het

voorhoofd van hunne onvermoeide musikanten af.

Het is verwonderlyk, om de orde en goede verstandhouding, die op deeze

dans-partyen heerschen, te aanschouwen. Het vermaak in het danssen

is het waare en eenige voorwerp; en de Negers, ik moet dit herhalen,

zyn 'er zoo verhit op, dat ik 'er één, die kortlings ingevoerd was,

en geene dansseres had, twee uuren lang heb zien staan kyken naar

zyne schaduw, welke zig op den muur vertoonde.

Indien men by al het geen ik van het lot der Negers, die aan eenen

goeden meester onderworpen zyn, gezegd heb, nog voegt, dat zy zig nooit

van elkander afscheiden; dat de vaders hunne kinderen rondöm hun zien,

zomtyds zelfs tot in het derde geslacht; dat zy voor 't overige zeker

zyn, van in hun geheele leven geen gebrek te lyden; en indien men

eindelyk het lot van deeze menschen vergelykt by dat der bedelaars,

die in grooten getaale de straaten der steden in Europa vervullen,

kan men hen zekerlyk niet ongelukkig noemen.

Thans, om in weinige woorden alles zamen te trekken, en om geene

tegenstrydigheid met my zelven te doen voorkomen, na zoo dikwerf de

trekken van onmenschelyke wreedheden van verscheiden meesters verhaald,

en niet dan by toeval van de menschlievenheid van zommige anderen

gesproken te hebben, zy het my geöorloofd, om met een woord over het

ontwerp eener algemeene afschaffing der slaverny te spreken.--Indien

wy onze nabuuren konden overreden, om van gelyken te doen, zoude het

een ander geval zyn; maar dewyl men aan de eigenaars op de Engelsche

Eilanden de wreedheden niet kan te last leggen, welken ik zoo dikwerf

in Surinamen heb zien plegen, waarom zouden wy ons gedragen, als of

die aldaar plaats hadden? waarom zouden wy onze Planters verjagen,

en hen naar eenen grond verzenden, die veel ryker, en van natuure

veel vruchtbaarer is, als mede onder een bestuur, het welk den

vryen invoer der Negers toestaat, terwyl ons oogmerk alleenlyk is

de willekeurige kastydingen te beletten, die deeze zelfde Planters

vastgesteld hebben. [34]

Verscheiden Colonisten stellen zulk een vertrouwen in hunne slaven,

dat zy dikwils hunne kinderen liever aan eene Negerin geven om

te zogen, dan aan eene Europeesche vrouw; en zommige slaven zyn

zoodanig aan hunnen meester verkleefd, dat ik 'er gekend heb, die

hunne vrylating geweigerd hebben, en anderen, die hunne vryheid

reeds genietende, vrywillig in eenen staat van afhangelykheid zyn te

rug gekeerd. Niemand is volmaakt vry in deeze weereld, en wy moeten

allen de één van den ander afhangen.--Ik zal derhalven dit uitgebreid

hoofdstuk besluiten met deeze algemeene aanmerking, dat alle geluk op

aarde enkel in verbeelding bestaat, en dat men die altyd verkrygen

kan, wanneer de gezondheid des lichaams, en de vrede der ziele door

eenen onderdrukkenden geweldenaar niet ontrust worden.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3 · 第 27 / 35 题