EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Wilde Porselyn.--Calebassen-boom.--Schermutzeling.--Tafereel

van broederlyke teederheid.--Het krygsvolk keert naar Barbacoeba

te rug.--Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was

ingericht.--Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood.

De Colonel FOURGEOUD, zig op deeze wyze door eenen Neger getrotseerd

ziende, konde zyn spyt niet langer inhouden, en zwoer, dat hy BONNY

vervolgen zoude, al was het ook aan het einde van de weereld. Alle onze

krygs- en mondbehoeften intusschen waren verbruikt; en al was dit zoo

niet geweest, zoo zoude het zekerlyk eene ydele onderneming geweest

zyn den vyand te willen agterhalen. Onze Bevelhebber niettemin bleef

by dit onuitvoerlyk ontwerp; hy zondt derhalven eenige manschappen

naar Barbacoeba, onder bevel van den Capitain BOLTS, en bestaande

uit honderd Zee-soldaten, dertig Jagers en een goed getal slaven, met

last, om krygs- en mondbehoeften voor ééne week van dien wachtpost te

gaan halen. Te gelyker tyd deedt hy alleenlyk eene halve portie aan

het overgebleven krygsvolk uitdeelen, en hy zette de soldaten aan,

om dit gebrek aan noodig voedzel te vervullen, door het opzamelen

van ryst, duiven- of angola-boonen, en door het uit den grond halen

van maniok-wortel, welken zy, zoo goed zy konden, moesten gereed

maken. De Officiers wierden op dezelfde wyze behandeld. Het was in de

daad wonderlyk om te zien, dat een twintigtal van ons zig, even als

zoo veele Apothecars, bezig hielden met de ryst elk in een zoort van

vyzel te stampen, die door de muitelingen uit den stam van een boom,

het roode hart genaamd, was uitgehold, als zynde dit het eenige

middel, om dezelve van haare schel te zuiveren. Dusdanige arbeid

was echter zeer afmattend; het zweet liep ons langs het geheele lyf,

als of wy uit een bad kwamen; en op dit oogenblik, dat wy wel eenigen

versterkenden drank noodig hadden, hadden wy niets dan water.

Wy hadden het geluk, om, onder andere plantgewassen, eene groote

meenigte wilde porselyn te vinden, die van de gewoone alleenlyk daar

in verschilt, dat zy digter aan den grond groeit, en dat derzelver

bladeren kleiner en van een donkerer groene kleur zyn. Men kan ze

gerust eeten, het zy als eene salade, het zy gestoofd; zy verschaft

een smakelyk en verkoelend voedzel; en ze is bovendien een uitmuntend

middel tegen de scheurbuik.

Wy vonden ook een groot aantal Calebassen-boomen, waar van

de vrugten voor de inboorlingen des Lands van zeer groot nut

zyn. De Calebassen-boom groeit tot de hoogte van een gewoonen

appel-boom. Deszelfs bladeren zyn dik, en loopen puntig toe. De

gedaante en grootte van deszelfs vruchten is onëindig verschillende;

eenige zyn eirond, andere spits toeloopende, andere wederom rond,

en dikwils hebben zy tien of twaalf duimen in den omtrek. De

schil is hard, glad, en met eene schitterende huid overdekt,

die bruin wordt, wanneer de calebas droog is. Het vleesch is eene

mergachtige zelfstandigheid, welke men 'er met een krom mes kan

uitnemen. De calebassen dienen tot poejer-doozen, flessen, schaalen

en schotels. Zelden ging ik door de bosschen, zonder 'er een by my

te hebben. De Negers vercieren dezelve doorgaans, door op de bast

verscheiden misselyke streepen te snyden; zomtyds zelfs vullen zy de

groeven met kryt, het geen een zeer fraaije vertooning maakt. [3]

De Jagers op kondschap zynde uitgegaan, kwamen in den namiddag van den

23sten te rug, berigtende, dat zy het gewas van een ander rystveld,

noord-oost-waarts gelegen, vernield hadden. De Colonel was met deeze

tyding zeer in zyn schik; maar toen ik hem tegen den avond zeide, dat

ik op eenigen afstand verscheiden gewapende Negers zag, die tot ons

naderden, verbleekte hy en riep uit, wy zyn 'er om koud! Oogenblikkelyk

gaf hy aan al het krygsvolk bevel, om de wapenen op te vatten. Na

verloop van eenige minuten, waren deeze Negers naby genoeg, om

onderscheiden te kunnen worden, en wy herkenden 'er veelen van, die in

hunne hangmatten gedragen wierden. De Colonel FOURGEOUD riep op nieuw

uit: "Wy zyn niet minder bedorven, schoon het de vyand niet is: het is

de Capitain BOLTS, die geslagen is geworden, en met zyne manschappen te

rug koomt". Hy sprak de zuivere waarheid. Deeze ongelukkige Officier,

zoo dra hy zyne gekwetsten in handen der Heelmeesters had overgeleverd,

gaf het volgende bericht: hy verklaarde, dat hy, gekomen zynde in het

rampzalig moeras, waar in de Capitain MEYLAND de nederlaag gekregen

had, door den vyand, die aan de overzyde post hieldt, was aangetast

geworden; dat dezelve, zonder zig met eenig Europeaan te bemoeien,

een verschrikkelyk bloedbad onder de Neger-Jagers gemaakt had; dat

één der Capitains van deeze dappere lieden, genaamd VALENTYN, op het

oogenblik, dat hy ter aanmoediging der soldaten den jagthoorn blies,

en op vyf verschillende plaatsen doodelyk gewond was, was om ver

geschoten. De Capitain AVANTAGE, broeder van VALENTYN, hem in dien

doodelyken toestand ziende, gaf blyken van de innerlykste teederheid

en van de aandoenlykste gevoeligheid. Hy ging naast zynen broeder

op de kniën leggen; hy bukte naar zyne wonden, om 'er het bloed uit

te zuigen; hy zwoer hem met eenen eed, dat hy zynen dood op hunne

vyanden wreeken zoude; en zeide eindelyk, dat hy wenschte, om, na

'er zelf het leven te hebben by ingeschoten, hem op een gelukkiger

plaats weer te zien.

De Colonel FOURGEOUD erkende toen; dat de muitelingen hun woord

gehouden hadden met het dooden van de Jagers. De Capitain BOLTS

berigtte ook, dat eenigen van de eerstgemelden, na op zyn volk van

boven uit de palmboomen te hebben vuur gegeven, met de verbazendste

gezwindheid naar beneden kwamen, en vervolgens wegvloden, terwyl

de Jagers van kwaadheid schuimden, en van yver brandden, om hunne

vyanden dwars door de struiken heen te vervolgen.

Onze Bevelhebber bemerkte toen de ongerymdheid van zyn ontwerp. Verre

van in staat te zyn, om 'er de uitvoering van te voltooijen, zouden

zyn krygsvolk en hy zelf gevaar geloopen hebben van geheel en al

vernield te worden. Hy had noch mond- noch krygsbehoeften in zyne

legerplaats gelaten, en bovendien was alle gemeenschap afgesneden;

hy was dus ernstig bedacht op middelen, om zynen aftocht te dekken. De

herhaalde murmureeringen van het krygsvolk drongen hem met ernst, om

die party te kiezen; en in de daad, zy waren verschrikkelyk afgemat,

door zig des daags te vermoeien, en des nachts aanhoudend te waken. Men

konde van onze soldaten zeggen: "dat zy in wilde woestenyen omzworven,

zonder aldaar eene enkele schuilplaats te vinden".

Den 24sten, ontfing eene krygsbende van honderd veertig mannen, onder

bevel van twee Staf-Officiers, last, om het te velde staande gewas,

het welk zy in den omtrek van de oude verblyfplaats, Cosaay genaamd,

vinden mogten, geheel en al te vernielen: ik behoorde 'er mede toe. Wy

hadden dit werk spoedig verrigt, en vonden in het moeras eene meenigte

huisraad, als ketels, yzere potten en pannen. De muitelingen hadden die

goederen op eenige Plantagiën geroofd, en zy hadden die in 't water

geworpen, om ze aan ons te onttrekken, met oogmerk, ongetwyffeld, om

ze weder op te visschen, wanneer wy Gado Saby verlaten zouden hebben.

Onze manschappen kwamen in den namiddag te rug, en wy braken

oogenblikkelyk het leger op, om onzen aftocht naar Barbacoeba te

beginnen. De Colonel FOURGEOUD gaf in dit oogenblik een blyk van

een zeer verkeerd overleg, waar aan zommige lieden zelfs eene veel

hardere benaming gaven. Des avonds, toen wy in het moeras kwamen,

het welk een akelig voorkomen had, nam hy een ledige kist, leide

'er een hangmat in, en droeg dezelve als een schild voor het lyf,

zyne soldaten toeroepende: Red u, zoo goed gy kunt! Op dit gezegde

stondt een Waal, genaamd MATTOW, stil, en zeide tot hem: "Myn Colonel,

'er zyn 'er onder ons niet veelen, die uw voorbeeld kunnen, en,

zoo ik denk, nog minder willen volgen. Laat uw schild daar, en maak

uwe soldaten niet bevreesd. Een dapper man maakt van andere schilden

gebruik. Volg dus MATTOW, en vrees voor niets". Deeze onverschrokken

krygsman ontblootte dadelyk zyne borst, en met de bajonnet voor uit,

beklom hy het eerst den oever aan de overzyde. Dit voorbeeld wierd

gevolgd, en wy kwamen zonder hinder het moeras door. De kloekmoedige

daad van deezen soldaat wierd vervolgens met den rang van Sergeant

beloond. Ik moet hier opmerken, dat de Waalen, die wy onder ons hadden,

eene groote dapperheid betoonden, en in alle opzigten uitmuntende

soldaten waren. Des avonds sloegen wy ons neder op dezelfde plaats,

alwaar wy den nacht voor den slag hadden doorgebragt: het was aller

akeligst weder, en er viel een zwaare stortregen.

Den 25sten, des morgens zeer vroeg, zetten wy onzen tocht voort, maar

ten minsten was de weg, dien wy voor ons hadden, gebaand. Des anderen

daags tegen den avond, bereikten wy Barbacoeba, de plaats van onze

algemeene byëenkomst, en wy bevonden ons in den elendigsten staat. Al

het volk was door vermoeienis ten eenemaal uitgeput; eenige soldaten

waren byna uitgehongerd, en anderen zeer gevaarlyk gewond. De arme

slaven wierden allen gebruikt om de zieken of verminkten in hunne

hangmatten te dragen, terwyl zy zelven naauwlyks in staat waren te

gaan.--Op deeze wyze liep het met het innemen van Gado Saby af. Met

dit al, schoon wy op deezen tocht, noch gevangenen, noch buit maakten,

deeden wy niettemin aan de Volkplanting eenen wezentlyken dienst,

door deeze schuilplaats der muitelingen te vernielen, die, gelyk ik

reeds gezegd heb, eenmaal uit eene bezitting verdreven zynde, nooit

aldaar wederom kwamen. Ik zoude 'er zelfs kunnen byvoegen, dat onze

overwinning byna beslissend was: want indien men het afloopen van

eenige Plantagiën uitzondert, het geen de muitelingen alleenlyk door

een geest van wraakzucht deeden, en om voor het oogenblik onderhoud

te vinden, waren zy zoodanig in verwarring gebragt, en door eenen

zoo zwaaren schrik bevangen, dat van dien tyd af hunne verwoestingen

zekerlyk minder meenigvuldig waren, en dat zy zeer kort daar op zig

zoo diep in de bosschen begaven, dat het hun onmogelyk was groote

plonderingen aan te rechten, noch ook de slaven der Plantagiën te

verleiden.

Om de bekwaamheid der Negers in hunne krygs-bedryven des te beter te

doen kennen, voege ik hier nevens eene afteekening van hunne bezitting

Gado Saby, als mede van onze verschillende standen, na dat wy onze

legerplaats aan de oevers van de Cottica verlaten hadden.

De getallen 1, 2 en 3, geven de algemeene verzamelplaats te Barbacoeba

te kennen, als mede de legeringen in de twee nachten, die op ons

vertrek van deezen post gevolgd zyn.

Nº. 4, beteekent de plaats, alwaar wy in den nacht van den 17den,

het schieten en schreeuwen der muitelingen hoorden.

Nº. 5, de plaats, alwaar de Neger-Jagers zig by ons voegden.

Nº. 6, de plaats, alwaar wy gelegerd lagen, des nachts voor dat het

gevecht voorviel.

Nº. 7, den oever van het moeras, van den kant, alwaar de manschappen

van den Capitain MEYLAND hunne nederlaag ontmoetten.

Nº. 8, den voorpost der muitelingen, van waar de eerste

snaphaan-schoten voortkwamen.

Nº. 9, de vlakte, met ryst en Indisch koorn bezaaid, welke wy zonder

tegenkanting bezetten.

Nº. 10, de doortogt of engte, alwaar het vuur begon.

Nº. 11, de schoone vlakte, met ryst bezaait, alwaar het gevecht meer

dan veertig minuuten duurde.

Nº. 12, het gehucht Gado Saby, in brand, en op eenigen afstand te zien.

Nº. 13, de plaats, van waar de muitelingen op ons leger schooten,

en in den nacht van den 20sten met ons spraken.

Nº. 14, de oude verblyfplaats van Cosaay, met de dryvende brug,

waar door de aftocht der muitelingen begunstigd wierd.

Nº. 15, de velden, met maniok, ignames en bananen beplant, welke op

verschillende tyden verwoest wierden.

Nº. 16, het ryst-veld, door Capitain STEDMAN ontdekt en verwoest.

Nº. 17, het gewas, het welk den 23sten door de Jagers vernield wierd.

Nº. 18, het moeras, waar door de verblyfplaats omringd wierd.

Nº. 19, de modderpoel, of na by gelegen biry-biry.

Nº. 20, het bosch.

Na vooraf de manier beschreven te hebben, op welke wy onze hutten

bouwden, zal ik hier eene kleine afteekening byvoegen van de wyze,

op welke wy die hutten geduurende onze legeringen in de bosschen

van Guiana plaatsten. Onze legerplaatsen waren doorgaans van

eene driehoekige gedaante, als zynde, in geval van overrompeling,

veel zekerder en gemakkelyker tot verdediging van onze krygs- en

mondbehoeften; maar de gesteldheid van den grond gedoogde dit altyd

niet, en dan was onze legerplaats vierkant, langwerpig, of van eene

ronde gedaante, enz. Op de afteekening zelve beteekent,

Nº. 1, de hut of het priëel van den Colonel FOURGEOUD, of van den

bevelhebbenden Officier, welke altyd in het midden stondt, en waar

voor een schildwagt geplaatst was.

Nº. 2, de hutten van alle de verdere Officiers, makende een kleinen

driehoek, en die van den Opper-bevelhebber omringende.

Nº. 3, de buitenste hoeken van den driehoek, die door middel van de

hutten der soldaten in drie afdeelingen verdeeld wierden, namelyk, de

hoofdbende, de voor-hoede en de agter-hoede, benevens de schildwagten,

die op een bekwamen afstand geplaatst wierden.

Nº. 4, de kisten tot berging der krygs- en mond-behoeften, als mede

der geneesmiddelen, waar by een schildwagt stondt.

Nº. 5, de vuuren, agter elke afgezonderde hoop krygsvolk geplaatst,

om het eeten gereed te maken, en rondom welken de slaven op den

grond lagen.

Nº. 6, een hoop afgehakte Latanus-boomen, om hutten of priëelen

te maken.

Nº. 7, eene kleine beek of kreek, die aan het krygsvolk water

verschafte.

Nº. 8, het naby gelegen bosch.

Ik keere tans tot myn verhaal te rug, en moet aanmerken, dat

de wachtpost van Barbacoeba, verre van in staat te zyn, om ons

levensmiddelen toe te zenden, zoo als onze Bevelhebber zig verbeeld

had, naauwlyks een gering onderhoud aan ons aankomend krygsvolk,

het welk uitgehongerd was, verschaffen konde. Verscheiden dagen lang

leefden zy alleenlyk van ryst, ignames, erweten, Turksch graan,

en wierden vervolgens byna allen door een geweldigen rooden loop

aangetast. Schoon dit zoort van voedzel voor de Indianen en Negers

krachtig genoeg is, is het niet geschikt voor de Europeanen, die

niet lang zonder vleesch leven kunnen: en dit laatste was tans zoo

zeldzaam te bekomen, dat zelfs de Joodsche soldaten, die zig onder

het krygsvolk der Sociëteit bevonden, al het gezouten varkens-vleesch,

het welk zy maar bekomen konden, opslokten.

Ik behoorde niettemin by aanhoudenheid onder het klein getal der

geenen, die gezond waren: dit was byna een wonder; want ik had geen

beter voedzel, dan een ander, dewyl ik mynen byzonderen voorraad op de

Plantagie Mocha had agtergelaten. Ik hoopte op dit oogenblik verlof

te zullen bekomen, om dezelve in persoon te gaan halen, en die hoop

verkwikte my; maar de Colonel FOURGEOUD hielp my spoedig uit den droom,

en verklaarde my, dat hy my geen oogenblik van het doen van den dienst

ontslaan zoude, zoo lang ik op myne voeten staan konde: ik moest dus

eene gelegenheid afwagten, om ze te laten komen. Ik deelde te gelyker

tyd het middelmatig rantsoen van een soldaat met mynen Neger; nu en

dan wierdt het vermeerderd met kool, of palmboom-wormen, of ook wel

met eenige visch.

Wat de ongelukkige slaven betrof, zy waren zoodanig uitgehongerd, dat

zy, een aap van het geslacht der coaitas gedood hebbende, denzelven

met huid, hair en ingewanden kookten. Vervolgens haalden zy hem uit de

ketel, half gaar zynde: om hem rond te deelen, scheurden ze hem met de

tanden van één, en slokten hem eindelyk met zoo veel gretigheid in,

als of zy menscheneeters waren. Zy boden 'er my geen brok van aan;

maar, hoe groot ook myn honger was, myn maag had geen trek naar

zulk wildbraad.

Ik wierd veel geholpen door myn sterk gestel, door eene zeer

goede gezondheid, en door mynen vrolyken inborst, zonder het welk

ik onder den last der elende en vermoeienis bezweken zoude zyn,

daar dezelve toen zoo ondraaglyk geworden waren, dat de Jagers op

nieuw onze legerplaats verlieten. Hun leidsman, WINSACK genaamd,

één der yverigste en moedigste lieden, die immer de bosschen van

Guiana waren ingetrokken, leide zynen post neder, zoo als MONGOL,

geduurende den eersten veldtocht van den Colonel FOURRGEOUD aan de

Wana-Kreek gedaan had.

In 't begin van September, maakte de roode loop zulke verwoestingen

onder het volk, dat de Colonel zig genoodzaakt zag, om alle de zieke

Officiers en soldaten zonder onderscheid weg te zenden, niet om zig

in het groot Hospitaal te Paramaribo te laten geneezen, maar om aan

de oevers der Rivieren te kwynen en te sterven. Het volk van zyne

krygsbende begaf zig naar Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek, en dat

der Sociëteit naar Vrydenberg, aan de Cottica.

De onmenschelykheid van den Colonel FOURGEOUD, omtrent zyne Officiers,

was tans tot die hoogte geklommen, dat hy zelfs niet gedogen wilde,

dat zy, die in eenen hopeloozen toestand waren, een soldaat tot

oppasser hadden, welken prys zy ook bereid waren 'er voor te

betalen. Ik heb 'er verscheiden in hunne hangmatten, die tusschen

twee boomen opgehangen waren, zien leggen, in een staat van walgelyke

vuiligheid, by gebrek van hulp. Onder dit getal behoorde de Vaandrig

STROWS, wien de Bevelhebber vervolgens in een open vaartuig naar

Devil's Harwar liet overvoeren, alwaar hy stierf. De Colonel wierd

eindelyk zelf door deeze wreede ziekte aangetast, en zyn geliefde

geneesdrank hielp hem niet met al. Echter herstelde hy schielyk, door

eene groote hoeveelheid rooden wyn te drinken, en veel speceryen te

eeten, waar aan hy zelden gebrek had. De Colonel SEYBOURG gebruikte

ook het eerstgemelde van deeze behoedmiddelen; maar dewyl hy 'er

te veel op eenmaal van nam, verloor hy 'er dikwils het gebruik van

zyn verstand door. In zulk eene gesteldheid, en in een legerplaats,

die zulk een rampzalig voorkomen had, wagte onze Colonel echter eene

bezending af van den Raad van Paramaribo, die gelast was hem met zyne

overwinning geluk te wenschen. Dienvolgende had hy eene cierlyke hut

doen bouwen, en last gegeven om hem schapen en varkens te bezorgen,

waar op hy de afgezondenen onthaalen zoude;--maar 'er kwam niemand.

Den 9den, slagtte men dit vee; en voor de eerste keer, zedert dat hy

het bevel voerde, liet de Colonel onder het volk een pond vleesch,

de beenen daar onder begrepen, voor ieder man, uitdeelen; maar het

getal der soldaten, die van deeze edelmoedigheid gebruik konden maken,

was in dit oogenblik zeer gering.

Des anderen daags zagen wy eene versterking van honderd mannen, die

van Maagdenberg aan de Commewyne kwamen, aankomen; en de wachtpost van

Vrydenberg zondt ons byna een gelyk getal van Sociëteit's krygsvolk. De

laatstgemelden bevestigden ons de tyding van het overlyden van den

Vaandrig STROWS, en berigtten ons die van een groot aantal gemeene

soldaaten, die by het innemen van Gado-Saby waren tegenwoordig geweest,

en, terwyl men hen naar Barbacoeba vervoerde, in de vaartuigen zelve

stierven.

Men ontfing te gelyker tyd berigt, dat de muitelingen, welken wy

verslagen hadden, de Cottica boven de Patamaca-Kreek overtrokken,

om hunne verwoestingen aan den westkant oogenblikkelyk uit te

oeffenen. Dadelyk wierden te water vyftig mannen afgezonden onder

bevel van eenen Capitain, om de oevers by de Pinnenburg-Kreek te

gaan onderzoeken. Dit volk kwam den 8sten te rug, en bevestigde

deeze tyding. Onze onvermoeide Bevelhebber besloot derhalven, om de

muitelingen op nieuw te vervolgen; maar de slaven, die onze krygs- en

mond-behoeften droegen, niet meer dan het vel over de beenen hebbende,

waren naar hunne meesters te rug gezonden, die in hunne plaats anderen

moesten zenden, maar die nog niet waren aangekomen.

Den 9den, verkogt men de nagelatene goederen van den Vaandrig

STROWS aan de meestbiedenden om op tyd te betaalen. De ongelukkige

soldaten, zig beyverende, om zig eenige ververschingen en kleederen

te bezorgen, betaalden zevenmaal de waardy van het geen zy kogten;

en deeze schandelyke schuld wierd van hun geld ingehouden. Ik heb 'er

één vyf Engelsche schellingen zien geven voor een pond snuif-tabak,

die geen tiende gedeelte van dien prys waardig was. De zelfde

persoon betaalde voor slechte schoenen het dubbeld van derzelver

echte waarde. Een paar magere kuikens kostten een guinie voor een

zieken. Deeze ongelukkigen wierden op die wyze geheel en al beroofd

van hunne weinige overgegaarde penningen, waar voor zy hun bloed en

arbeid hadden veil gehad, terwyl men hunnen dringenden nood had kunnen

voorkomen, alleenlyk door hun te geven het geen men hun verschuldigd

was. Een zee-soldaat zwoer toen in de drift van zyne misnoegdheid,

dat hy den Colonel FOURGEOUD zekerlyk zoude van kant helpen, wanneer

hy 'er de gelegenheid toe vinden mogt. Een getuige hoorde dit, maar

ik haalde hem over, na dat de schuldige berouw over zyne uitdrukking

betoond had, om geene verklaring tegen denzelven te geven: dus redde

ik zyn leven, het welk hy anders door de koord verloren zoude hebben.

Alle menschen zyn by geluk zoo verregaande ongevoelig niet, als onze

Colonel, want dien zelfden dag zondt de braave Mevrouw GODEFROY een

vaartuig, waar in een vette os, oranje-appelen en bananen voor de

arme soldaten geladen waren, en die vervolgens onder hen verdeeld

wierden. Des avonds van dien dag, ontfing ik een weinig voorraad, en

eenige flessen Porto-wyn, welken JOANNA my toezondt. Zy had eene veel

grootere hoeveelheid afgezonden, maar dezelve was gedeeltelyk gestolen,

en gedeeltelyk bedorven. Dit maal gaf ik niets aan den Colonel.

Wanneer ik van voorraad, in een dergelyk geval ontfangen, spreek,

bedoel ik suiker, thee, koffy, Bostonsche bischuit, een kaas, rhum,

een ham, of eenig gezouten vleesch, alles in eene kleine hoeveelheid,

want één slaaf kon de in de bosschen geen zwaarder vracht dragen, en

het was ons niet geöorloofd 'er twee te gebruiken. Onder de behoeften

telde men ook hembden, koussen schoenen; maar deeze twee laatstgemelde

artikelen waren voor my van geen nut, zedert dat ik de gewoonte had

aangenomen om blootsvoets te gaan. Reeds zedert twee jaaren had ik my

hier aan gewend: ik bevond 'er my wonder wel by, en wenschte 'er my zei

ven geluk mede, vooral wanneer ik zag, hoe myne ongelukkige medgezellen

de beenen en voeten met scheuren en zweeren als bedekt hadden.

Den 12den, toen de nieuwe slaven waren aangekomen, maakte men zig

gereed, om de muitelingen des anderen daags te vervolgen, onzen weg

nemende naar den wachtpost, Jerusalem genaamd, waar van ik gesproken

heb, ter gelegenheid, dat ik by den rampzaligen tocht naar het bovenste

gedeelte van de Cottica het bevel voerde. Den 13den, zondt men de

krygsbehoeften en legergoederen te water derwaart, onder geleide

van de zieke Officiers en soldaten. Wy braken dus de legerplaats

op, en verlieten Barbacoeba, om weder de bosschen te doorkruissen,

nemende geduurende den geheelen eersten dag onzen weg ten zuiden

en zuid-oosten; wy bragten den nacht door aan de overzyde van de

Cassipory-Kreek, alwaar wy ons ter nedersloegen.

De ongelukkige slaven ondervonden op deezen tocht eene wreede

mishandeling. Half uitgehongerd, waren zy niet alleen met pakken

overladen, maar een ieder, wien het hoofd niet wel stondt, veroorloofde

zig bovendien straffeloos om hen te slaan. Ik zag by voorbeeld des

Colonels gunsteling, den Neger GOUSARY, 'er één tegen den grond

smyten, om dat hy zyn pak niet schielyk genoeg opnam; de Colonel

deedt vervolgens van gelyken, om dat hy het te schielyk opnam: de

ongelukkige slaaf, niet wetende wat te doen, riep op een beklaaglyken

toon uit, ô Massera Jesus Christus, en toen kwam 'er een geestdryver,

die hem op nieuw tegen den grond smeet, om dat hy eenen naam, welks

heiligheid hy zoo weinig kende, had durven ontheiligen.

Op den tocht van deezen dag, ontmoetten wy een groote troep wilde

varkens. De soldaten doodden 'er verscheiden met sabel-houwen en

bajonnet-steken, maar op geene andere wyze, want de Colonel had

verboden een enkel schot met den snaphaan te doen. Men slagte dezelven;

en het vleesch, het welk op het oogenblik wierd rond gedeeld, was by

allen zeer welkoom. Ik kan niet nalaten nog op te merken, als iets dat

zeer merkwaardig is, dat indien de eerste van deeze dieren, welke voor

uit loopt, deezen of geenen weg inslaat, de anderen hem blindelings

volgen, hopende even als hy het gevaar te zullen ontsnappen; het geen

hun integendeel dikwils in handen van hunne vyanden doet vallen.

Den 14den, trokken wy naar het zuid-westen tot op den middag, wanneer

wy te Jerusalem aankwamen, alwaar de voorhoede zig reeds zedert een uur

bevondt. Wy waren geheel en al met slyk bemorst. Verscheiden soldaten

vielen over wortels van boomen, of groote steenen, het geen hun zelfs

breuken veroorzaakte. Tot myne groote verwondering, vonden wy hier

dien zelfden WINSACK, van wien ik hier boven gesproken heb, en die

aan het hoofd van honderd andere Jagers was. Hy had hooren zeggen,

dat de muitelingen de Rivier Cottica aan derzelver bovenste gedeelte

waren overgetrokken, en de Gouverneur had hem aangezogt, om het bevel

weder op zig te nemen; dienvolgende boodt hy aan den Colonel FOURGEOUD

op nieuw zynen dienst aan, die zeer wel deedt met zulks aan te nemen.

Onze legerplaats was byna geheel en al ter neder geslagen op een

stuk land, dat met langwerpige en steekende planten bedekt was. Een

der slaven wierd ongelukkiglyk in zyn voet gestoken door een kleine

slang, die in Surinamen den naam van Oroucoukou [4] draagt, uit

hoofde van deszelfs kleur, naar die van een nachtuil gelykende. In

minder dan één minuut begon het been van deezen man op te zwellen;

vervolgens gevoelde hy vreesselyke pynen, en verviel kort daarop in

stuiptrekkingen. Een van zyne medgezellen, den slang gedood hebbende,

liet de gal van dit dier, gemengd in een half glas brandewyn, het

welk ik hem gaf, door den gewonden inneemen. Toen (misschien was het

loutere inbeelding) scheen hy een weinig verligting te gevoelen:

maar het toeval kwam met een ongemeen geweld schielyk wederom, en

de ongelukkige wierdt dadelyk naar de Plantagie van zynen meester

gezonden, alwaar hy stierf. Ik heb dik wils hooren zeggen, dat de gal

van een slang, uitwendig op de beet gelegd, in dit geval van zeer

kragtige uitwerking is. Men kan zelfs in the Great Magazine van de

maand April 1758, een brief lezen, gedagteekend den 24sten Maart,

en geteekend J. H., waar in de Schryver op eene leerstellige wyze

de manier behandelt, op welke dit geneesmiddel behoort te worden

toegediend. Maar ik laat voor lieden van de kunst over, om in deeze

byzonderheden te treden, en ik zal my vergenoegen met in 't algemeen

op te merken, dat hoe kleiner de slang is, ten minsten in Guiana,

hoe doodelyker het vergift is. En dit is het, 't geen THOMPSON met

zoo veel juistheid en kragt van woorden schetst.

"Maar de wreedste, schoon de kleinste van allen, is steeds die

dienaar van den dood, welke, zig in de schaduw verborgen houdende,

zyn ongelukkig slachtöffer bespiedt, en het zelve een fyn vergift

mededeelt, het welk langen tyd in zyne aderen gekookt, met eene

gezwindheid, als die der blixemstraalen, zynen levensloop stuit".

In deeze zelfde Savane, doodde één der Jagers nog een ander dier

van dit zelfde geslacht, genaamd de Zweepslang, om dat hy naar een

zweep gelykt. Naauwlyks dikker zynde dan een zwaanen-schacht, heeft

hy de lengte van vyf voeten. Zyn buik is van eene witte, en zyn rug

van eene lood-kleur: ik weet de gevolgen van zyne steeken niet. De

Negers hebben my gezegd, maar ik heb het niet gezien, dat hy met zyn

staart een zeer harden slag kan geven.

Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, een halfslachtig dier,

het welk de Negers ook dien zelfden avond doodden, en door hen

Cabiai [5] genoemd word. Het is een zoort van water-varken, van de

zelfde gedaante, als het land-dier van dien naam. Hy is met gryze

borstels bedekt, en met zeer scherpe tanden gewapend: hy heeft geen

staart. Elk van zyne pooten heeft drie klaauwen, met een vlies, even

als de eendvogels. Men beweert, dat dit dier alleenlyk des nachts

aan den oever koomt, en dat hy zig aldaar met allerleije kruiden en

plantgewassen voedt. Zyn vleesch is, zoo men zegt, goed om te eeten,

maar ik heb het niet geproeft.

Den 16den, zondt de Colonel FOURGEOUD twee aanzienlyke gedeelten zyner

krygsbende af, om op kondschap uit te gaan. Het eerste bestond uit

honderd mannen, waar over de Lieutenant Colonel DE BORNES het bevel

voerde; hetzelve had in last, om zig van den kant van de Wana-Kreek

naar het bovenste gedeelte der Cormoetibo-Kreek te begeven. Het

tweede bedroeg een gelyk getal, onder bevel van den Colonel SEYBOURG;

het zelve kreeg bevel, om naar de Pinnenburg-Kreek, aan het bovenste

gedeelte van de Cottica, heen te trekken. Het laatstgemelde volk kwam

omtrent te middernacht te rug, met twee kano's, welken zy, aan de

andere zyde der Rivier, een weinig beneden de Claas-Kreek, gevonden

hadden op 't land gehaald te zyn. Hun bericht overtuigde ons van den

aantocht der muitelingen, die hunne ledige kano's alleenlyk hadden doen

afzakken, om dezelven, met buit beladen, te rug te zenden. Ingevolge

van dit bericht, maakte men dadelyk de noodige toebereidzels, om hen

met ernst te vervolgen. Onze oude Bevelhebber betoonde nimmer meerder

moed, dan in dit oogenblik. Hy zwoer zig over alle de muitelingen,

het koste wat het wilde, te zullen wreeken.--Maar men zal, in het

volgende Hooftstuk, zien, of de bekwaamheid van onzen Generaal met

die van BONNY gelyk stondt.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3 · 第 19 / 35 题