Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier.--Het
wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duiven-boonen of erwten
van Angolo.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd
wordende.--Het innemen van de Stad Gado-Saby, door den Colonel
FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand.
De muitelingen, door hun behaald voordeel op den Capitain MEYLAND
opgeblazen, waren daarënboven door hunne Spions onderrigt, dat
de Colonel FOURGEOUD zig te Barbacoeba bevondt, en zyne soldaaten
willende trotseeren, of schrik aanjagen, hadden zy de stoutheid,
om den 15den Augustus 1775. de hutten van twee legerplaatsen, welken
onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steeken,
en een gehuil en geschreeuw te maken, het welk wy den geheelen
nacht hoorden. Dit was nogtans van hunnen kant niets anders dan
loutere zwetzery; maar het verwekte in onzen Bevelhebber zulk eene
gramschap, dat hy zwoer zig met geweld, het koste wat het wilde, te
zullen wreeken. Dien zelfden nacht wierden wy ook door een grooten
Tyger ontrust; maar hy deedt geen het minste kwaad. Des anderen daags
morgens stondt al ons krygsvolk tot den optocht gereed, en met het
aanbreken van den dag begaven wy ons in het bosch. Wy waaren twee
honderd Europeaanen sterk, bekwaam om dienst te doen; en wy lieten
een groot getal agter, die door ziekten belet wierden mede te gaan. De
Neger-Jagers, wien het verveelde de beveelen van den Colonel FOURGEOUD
te gehoorzamen, verscheenen niet, hoewel zy verwagt wierden, het welk
aan den Bevelhebber gelegenheid gaf, om hunne bende voor schelmen
en lafhartigen uittemaken. Ik erken, dat ik uittermaten verwonderd
was over het agterblyven van myne begunstigden, die op andere tyden
zoo veel yver betoond hadden om den vyand te keer te gaan, en die
verklaard hadden niets meerder te verlangen, dan eenen algemeenen en
beslissenden slag.
Wy trokken deezen dag oostwaarts aan. Na omtrent agt mylen te hebben
afgelegd, het geen in een land, waar onöphoudelyk door het weghakken
van het geboomte de weg gebaand moest worden, al vry aanmerkelyk
is, sloegen wy hutten op, en namen aldaar onze legerplaats. Na zoo
meenigmaalen van de oproerige Negers, aan wien wy nu op het punt
waren van slag te leveren, gesprooken te hebben, biede ik den lezer
eene afteekening aan, verbeeldende één van hun, die op schildwacht
staat, en door het hooren afschieten van snaphaanen in de struiken
verschrikt is. Twee Jagers schynen het oogenblik om hem te verrassen
op eenigen afstand te bespieden. Deze Neger is met een snaphaan en
byl gewapend. Zyne hairen, ofschoon wollig zynde, zyn digt aan 't
hoofd gevlogten; dit was een teken, waar door de muitelingen van onze
Jagers, en van andere Maroni-Negers, die onder hunne bende niet gedoogd
wierden, onderscheiden waren. Zyn baard is puntsgewyze gesneeden, zoo
als zy dien allen dragen, wanneer zy niet in de gelegenheid zyn, om
zig te scheeren. Zyne voornaamste kleeding bestaat in een lap catoen,
die onagtzaam om zyne schouders geslagen is, hem voor de ongemakken
der lucht beveiligt, en hem dient om 'er op te slapen, het welk een
iegelyk van hun altoos onder een dekkleed doet, in de somberste
plaatsen, welken hy vinden kan, wanneer hy van zyne medemakkers
is afgescheiden. Dezelfde persoon draagt een Camisa, die als een
neusdoek om zyne lendenen gebonden is. Zyn zak of weitas is van de
huid van 't een of ander dier gemaakt. Kleine catoene koorden zyn om
de gewrichten zyner handen en enklauwen tot cieraad gebonden. Eene
bygeloovige Obia of tooverband, waar op hy al zyn vertrouwen stelt,
hangt hem om den hals. De bekkeneelen en beenderen, welken men in eene
zandige Savane verstrooid ziet, zyn waarschynlyk die van zyne vyanden.
De twee Jagers, welken men in't verschiet bemerkt, zyn door hunne
roode mutsen kenbaar. Het is aanmerkens waardig, dat de muitelingen zig
verscheiden malen van deeze onderscheidende teekenen meester maakten,
en dat zy, dezelven staande het gevecht op hun hoofd gezet hebbende,
niet alleen hun leven behielden, maar zelfs des te gemakkelyker hunne
vyanden konden afmaken.
Zy hebben dikwerf eene andere krygslist gebruikt. Dewyl het
schietgeweer zeldzaam onder hen was, voegden zig verscheiden onder
hunne gelederen, dragende een stuk hout, het welk ten naasten by als
een snaphaan gehouwen was, op den schouder. Deeze list heeft dikwils
de slaven der Plantagiën belet, om dezelven te verdedigen, wanneer
deeze muitelingen ze kwamen plonderen: zulks heeft zelfs meer dan eens
een zoo grooten schrik verwekt, dat men hen hunne oude woonsteden,
na de vrouwen en kinderen weggevoerd te hebben, zonder tegenkanting
in brand liet steken.
Den 16den, vervolgden wy onzen weg west-waarts over hoog land. Het
was een zoort van keten van bergen, die, zoo ik my niet bedriege,
in dit Land doorgaans van het oosten naar het westen loopt, zoo als
ook in de verdronken zandwoestynen en moerassen plaats heeft. Wy
leiden geenen zoo grooten weg af, als daags te vooren, en toen wy
stil hielden, ontfingen wy bevel om onze hangmatten uit te spreiden,
en daar op te gaan slapen, zonder eenig overdek, om den vyand geene
kennis te doen bekomen van de plaats, alwaar wy ons bevonden, het
geen zekerlyk gebeurd zoude zyn, indien wy in het bosch boomen gekapt
hadden: bovendien wierd ons niet toegestaan vuur aan te leggen,
noch te spreken; en men hieldt naauwkeurig de wacht rondom de
legerplaats. Deeze voorzorgen waren in de daad aller noodzakelykst:
maar zoo al de muitelingen ons niet ontdekten, wy wierden ten
minsten door groote muggen en insecten, die uit een naby gelegen
moeras opkwamen, van één gereten. Wat my betrof, ik leed hier meer,
dan ik immer geleden had aan boord der elendige vaartuigen, toen ik
my op den wachtpost aan de Cottica bevond. Het was ons verboden deeze
insecten door rook te verdryven; en in die deerniswaardige gesteldheid,
zag ik soldaten, die met hunne bajonetten gaten in den grond groeven,
om hun hoofd daar in te leggen, terwyl zy voor over op den buik,
en met hunne hangmat overdekt, lagen te slapen. Het was volstrekt
onmogelyk in eenige andere ligging den slaap te vatten.
Echter konde ik, den raad van eenen Neger-Slaaf volgende, een weinig
genot van den slaap hebben: "Masera", zeide hy my, "klauter met uwe
hangmat op den hoogsten boom, die 'er in de legerplaats staat, en slaap
aldaar. Gy zult aldaar door geen enkel insect ontrust worden; want de
geheele zwerm zal door den reuk van deeze meenigte sterk zweetende
menschen benedenwaarts gelokt worden".--Ik beproefde oogenblikkelyk
dit middel, en sliep byna honderd voeten boven myne medemakkers,
welken ik, uit hoofde van de onbegrypelyke meenigte en het aanhoudend
gebrom deezer onaangenaame insecten, niet eens bemerken, noch zelfs
hooren konde.
Van dien aart was gewoonlyk het voornaamste ongemak van den nacht;
maar des daags wierden wy aanhoudend aangevallen door geheele legers
van kleine mieren, alhier vuur-mieren genoemd, uit hoofde van de
pyn, die hunne beet verwekt. Deeze insecten zyn zwart, en van het
kleinste zoort; maar zy verzamelen zig in zulk een groot getal, dat
hunne mieren-nesten, door derzelver dikte, ons dik wils eenigermaten
den weg belemmerden, en dat, indien men 'er by ongeluk op trapte,
men dadelyk de beenen en voeten door deeze dieren bedekt had, die met
hunne klauwen de huid zoo geweldig vast hielden, dat men hun eerder
den kop van den romp zoude draaien, dan hen te doen los laten. De
brandende pyn, die zy veroorzaken, kan, naar myn inzien, niet eeniglyk
uit de zeer scherpe gedaante van hunne klauwen voortkomen: ik meen,
dat zy door een zeker vergift, het welk zy in de wond laten loopen,
of deeze naar zig trekt, moet worden voortgebragt. Ik kan verzekeren,
dat ik hen aan eene geheele compagnie soldaten zulk eene trilling
heb zien veroorzaken, als of zy door kokend water gebrand wierden.
Den 17den, trokken wy tot negen uuren verder oostwaarts op: vervolgens
noordwaarts, en dwars door eene groote meenigte mataky wortels, welken
ik reeds beschreven heb; het geen ten bewyze strekte, dat wy afzakten;
en de grond wierd in de daad zeer moerassig. Gelukkig echter, schoon
wy in het regen-saisoen waren, viel 'er weinig water.
Dien dag hielden wy omtrent vier uuren des avonds stil, want de
Colonel wierd door eene koorts met koude aangetast.
Terwyl ik in myne hangmat, die aan twee zwaare takken was opgehangen,
lag te slapen, viel myn oog op iets, het geen ik in 't eerst een blad
van een boom meende te zyn, maar my vervolgens bleek zig te bewegen,
en op den stam van den boom voort te schuiven. Oogenblikkelyk opgestaan
zynde, riep ik verscheiden van myne medgezellen, om hun dit zelfde te
doen zien, en dadelyk riep een Officier van 's Compagnies krygsvolk
uit; "het is het wandelend blad"! Na een naauwkeurig onderzoek bevonden
wy, dat het een insect was, wiens vlerken zoo zeer naar een blad
gelyken, dat verscheiden lieden het voor een voortbrengzel uit het
Plantenryk hebben aangezien: het was een zoort van springhaan, maar
bedekt met vier vlerken van eene eironde gedaante, en van omtrent drie
duimen lengte, waar van de bovenste zoo aan elkander vast kleefden,
dat zy juist een bruin blad met deszelfs vezelen scheenen te vertoonen.
Ik keerde dus naar myne hangmat te rug. De lucht was helder, de maan
scheen tusschen het loof der boomen, en ik viel in eenen diepen slaap,
overpeinzende de wonderen der natuur; myn slaap duurde tot middernacht,
toen ik, te midden der dikste duisternis, en eenen zwaaren stortregen,
ontwaakte door het gehuil en geschreeuw der muitelingen, die te gelyker
tyd eenige snaphaan-schoten deeden. Hun schieten echter bereikte de
legerplaats niet, en wy waren uittermaten verlegen, want de donkerheid
maakte het ons onmogelyk, om een juist denkbeeld van hun oogmerk te
vormen. Zy hielden op die wyze aan tot het aanbreken van den dag,
het geen ons elk oogenblik deedt verwagten van door hun omcingeld te
worden: dienvolgende verdubbelden wy onze waakzaamheid.
Des anderen daags morgens rolden wy onze hangmatten op, en trokken
noordwaarts aan, naar den kant, van waar den voorigen nacht het geluid
zig hadt doen hooren. Grootendeels in onze rust gestoord geweest zynde,
waren wy zeer vermoeid, en vooral de Colonel, die moeite had, om het
staande te houden, zoodanig was hy door de koorts verzwakt. Ik voerde
het bevel over de voorhoede. Wy hadden geen twee mylen afgelegd,
of een oproerige Neger sprong byna voor myne voeten van onder eene
doornhegge, alwaar hy was gaan liggen slapen, maar dewyl wy last
hadden, om op de geenen, die verdwaald waren, geen vuur te geven,
ontsnapte hy ons, en liep zoo gezwind als een hart dwars door de
struiken weg. Ik gaf 'er bericht van aan den Bevelhebber, die zwoer,
dat hy een spion was, en ik geloof, hy had gelyk: dadelyk vergat hy,
om zoo te spreken, zyne kwaal, en verdubhelde zyne schreden met groote
drift. Onze vervolging echter was, ten minsten deezen dag, vruchteloos,
want op den middag vervielen wy in een groot moeras, waar uit wy veel
moeite hadden ons te redden; en wy waren genoodzaakt onze legerplaats
van den laatst voorgaanden nacht te hernemen, na twee soldaten van 's
Compagnies krygsvolk verloren te hebben, welken wy vooronderstelden,
dat in het moeras versmoord waren.
Dien zelfden dag zagen wy eene groote meenigte Roucou-boomen, die in
dit gedeelte van het bosch overvloediglyk gevonden wierden. Des avonds
boodt een slaaf my een Doornhaag-Spinnekop aan. Dezelve was van zulk
eene grootte, dat zy, in een kistjen van agt duimen hoog geplaatst
zynde, den rand met eenige van haare pooten raakte, terwyl de andere
op den grond stonden. De Schepping levert geen afschuwelyker wezen
op, dan deeze ysselyke Spinnekop, welke de inwooners van Surinamen te
onrecht voor de Tarantula houden. Derzelver lyf is verdeeld in twee
deelen; het agterste is eyrond, en heeft de gedaante van een appel;
het voorste is vierkant, en de kop gelykt naar een zoort van star, die
'er aan vast gehecht is. Dit gedrocht heeft vyf paar groote pooten met
vier gelederen. Het is geheel zwart, of van een donker bruine kleur,
en, zoo wel het lyf als de ledematen, geheel overdekt met lange,
dikke en zwarte hairen, veel gelykende naar die van een rups. Elke
poot is met een zoort van geele en kromgebogen klauw gewapend. Uit
den kop komen twee lange tanden, die met de binnenwaarts gebogene
punten een schaar vormen, even als die van een krabbe, waar van
zy zig tot het aanpakken van haaren buit bedienen. Het steeken van
dezelve verwekt altyd de koorts, zoo het al niet doodelyk is door het
vergiftig vocht, het welk zy in de wonde laat loopen. Deeze Spinnekop
heeft agt oogen, gelyk de meeste anderen, en voedt zig met allerleije
zoorten van insecten. Men beweert, dat de jonge vogelen aan dit dier
niet onsnappen kunnen, en dat het derzelver bloed uitzuigt. Deszelfs
webbe is niet zeer uitgestrekt, maar zeer sterk. Om kort te gaan, het
is een verschrikkelyk dier, waar van 't gezicht alleen in staat is,
om aan de lieden zelfs, die aan de beschouwing van de wanstaltigheden
der natuur het meest gewoon zyn, een afgryzen te verwekken. Alle de
gevaaren, alle de plagen, waar aan men dagelyks in de bosschen van
deeze gezengde landstreek is bloot gesteld, zyn talloos. Ik heb 'er
reeds een groot gedeelte van aangehaald, en 'er schieten 'er nog wel
zoo veel over om op te noemen. Onze ongelukkige soldaten konden daar
aan geen weerstand bieden; 'er stierf by aanhoudendheid een groot
aantal, zonder hulp, zonder vriend om hun de oogleden te sluiten,
zonder een kist om hun gebeente te bevatten. Men wierp hunne lyken
door elkander in een groot gat, als of zy het overschot van onze
natuur-genooten niet waren.
Den 19den, braken wy de legerplaats op, en na een weinig zuidwaards
getrokken te zyn, gingen wy oostwaarts, tot tien uuren, toen een
gedeelte van honderd Neger-Jagers, met hunnen leidsman VINSACK, tot
myn groot genoegen, zig by ons voegde; wy waren derhalven toen drie
honderd mannen sterk. Hoe weinig achting de Colonel FOURGEOUD op alle
andere tyden voor deeze dappere lieden betoonde, hunne versterking
mishaagde hem in 't geheel niet, op dit oogenblik, dat wy eenen vyand
naderden, dien zy wel kenden, en tegen wien zy met meer voordeel
streden, dan ons krygsvolk. Ik ben bovendien volkomen van gedachten,
dat één van deeze vrye Negers, als soldaat, in de bosschen van Guiana,
boven zes Europeanen den voorrang verdient.
De Colonel FOURGEOUD liet ons toen in drie kolommen, of liever in
drie linien optrekken. Zyn Regiment maakte het midden-punt uit;
het krygsvolk der Sociëteit was ter rechter, en de Jagers ter linker
zyde. Allen waren zy alleenlyk afgescheiden door eenen afstand, van
waar men elkander beroepen konde; en by elke vleugel waren eenige
lichters geplaatst. Aldus verdeeld zynde, vervolgden wy onzen tocht
oostwaards tot den middag, toen wy den zelven oost noord oost namen,
en aantrokken op een biry-biry, of groot moeras. De moerassen van
dit zoort zyn in dit land zeer gemeen en zeer gevaarlyk. Zy zyn vol
met een zeer dun slyk, en met een dikke en groene korst overdekt,
die op veele plaatsen een mensch dragen kan; maar die men onder zyne
voeten voelt buigen. Indien deeze korst breekt, worden allen, die
'er door heen zakken, in dit zoort van afgrond verzwolgen, waar in zy
ontwyffelbaar moeten omkomen, indien men 'er hen niet oogenblikkelyk
uittrekt. Op die wyze heeft men daar in meenigwerf menschen zien
verzinken, waar van men naderhand nooit meer heeft hooren spreken.
De zandpoelen zyn van een geheel anderen aart; men zakt 'er
trapsgewyze in, daar dit in de slykmoerassen eensklaps geschiedt. Om
deeze toevallen voor te komen, openden wy onze gelederen zoo veel
als mogelyk was, het geen dezelve zeer wyd van elkander maakte;
en in weêrwil van deeze voorzorge, wierden verscheiden menschen
ingezwolgen, als of het ys onder hunne voeten was weggebroken. Ik
heb eenige anderen gezien, die, mede in den poel gevallen zynde,
'er tot onder de armen toe in zakten; maar wien het egter gelukte,
schoon met veel moeite, gered te worden.
Des namiddags trokken wy voorby twee velden, alwaar men maniok gehad
had; het geen ons deedt begrypen, dat wy aan de verblyfplaats der
muitelingen naderden. Korten tyd daar na ontdekten wy de voetstappen
van den tocht van Capitain MEYLAND, en wy herkenden die aan de
teekens, die op de boomen gesneden waren, zoo als ik reeds te vooren
heb opgegeven. Tegen den avond sloegen wy ons neder op den afstand
van eenige mylen van het moeras, waar in de krygsbende van deezen
Officier het leven gelaten had: het daglicht stondt ter deezer uur
niet lang genoeg meer te schynen, om den vyand te kunnen aantasten.
Onze soldaten door eenen langen tocht zeer vermoeid zynde, stondt de
Colonel hun voor deezen nacht toe, hutten op te slaan, en vuuren
aan te leggen. Ik was 'er uittermaten verwonderd over: hy had
ons dit zoort van verkwikking verboden, toen wy van den vyand zeer
verre af waren; en op het oogenblik, dat deeze naby was wilde hy het
gedogen. Ik maakte 'er echter gebruik van; en myn Sergeant, my eenige
duivenboonen, welken hy in een nabuurig land geplukt had, gegeven
hebbende, noodigde ik hem ten eeten, als mede een Neger-Capitain,
genaamd HANNIBAL. Wy wierpen alle drie ons gezouten ossen-vleesch en
bischuit in de ketel; vervolgens roerden wy het met een bajonnet om,
en deeden eene uitmuntende maaltyd, in weerwil van eenen akeligen
nacht, en één der zwaarste slagregens.
De duiven-boonen, of boonen van angola, groeien op een stronk van
agt of tien voeten hoog; zy zyn, ten getale van vyf of zes, in eene
peul besloten; haare kleur is bruin, en haare gedaante plat, gelyk
die der peul-vruchten. De Negers houden 'er veel van, en kweeken in
hunne tuinen, zonder veel kosten of moeite, de plant aan, die deeze
vruchten voortbrengt.
HANNIBAL, na my te hebben doen opmerken, dat wy des anderen daags
den vyand zekerlyk ontmoeten zouden, vroeg my, of ik wel wist, hoe
de Negers in een gevecht tegen elkander streden. Ik antwoordde hem,
neen; en dadelyk deedt hy my het volgende verhaal, zyn pyp onder myne
hangmat rookende.--"Maséra", zeide hy my, "de beide partyen worden
gerangschikt in compagniën van agt of tien mannen, onder bevel van
eenen Capitain, een jagthoorn dragende, zoo als deeze", (hy toonde my
den zynen) "op welks geluid zy alle hunne krygsbewegingen verrigten,
en stryden, of de vlucht nemen. Wanneer zy stryden, scheiden zy zig
oogenblikkelyk van elkander, gaan op den grond leggen, en schieten
dwars door het geboomte op een zeer korten afstand. Elk die strydt,
word door twee ongewapende Negers geholpen; de een vervangt hem, als
hy gedood word, en de ander neemt het lyk weg, uit vreeze, dat het in
's vyands handen mogt vallen". [1]
Zyn verhaal gaf my een juist denkbeeld, van die manier van vechten,
welke ik zedert heb zien beoeffenen. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen,
dat, wanneer het een dik bosch is, elke Neger, in plaats van op den
buik te gaan leggen, of de knie op den grond te zetten, zig agter eenen
grooten boom verbergt, welke hem tot een borstweering dient, en van
waar hy met meerder juistheid en minder gevaar vuur geeft in dit geval,
doet hy zyn snaphaan tegen den stam van den boom, of op een gespleten
tak, rusten, even gelyk de Indianen van Shawanese en Delaware doen.
Capitain HANNIBAL deedt my ook verstaan, dat men den beruchten BONNY
verdacht hieldt, van persoonlyk zig te bevinden onder de muitelingen,
in wier nabuurschap wy waren. Dit opperhoofd, schoon een Mulat zynde,
was in de bosschen geboren, werwaarts zyne moeder de vlucht genomen
had, om de mishandelingen van haaren meester, die haar bezwangerd had,
te ontgaan.
Te meermalen gesproken hebbende van het onderscheid der menschen van
eene midden-kleur, tusschen zwart en wit, moet ik ter opheldering
daar van het volgende aanmerken. De Mulatten worden geboren van een
blanken en eene Negerin, of van een Neger en eene blanke. De Samboes
worden geboren van een Mulat en eene Negerin, enz. De Quarterons van
een Mulat en eene blanke, enz. enz.--De zelfde Capitain HANNIBAL,
noemde my ook den naam van verscheiden andere hoofden der muitelingen,
tegen welken hy dikwils gestreden had. De eerste van allen was QUAMMY,
hoofd van eene afzonderlyke bende, die met de andere muitelingen in
geene betrekking stondt. Hy noemde my vervolgens COROMANTYN, COJO,
ARICO en JOLI-COEUR. De twee laatstgemelden waren berucht van wegen
den onverzoenlyken haat, waar mede zy tegen de blanken bezield waren;
en JOLI-COEUR, van wien ik reeds gesproken heb, had 'er billyke reden
toe. HANNIBAL dacht ook, dat de beruchte BARON op dit oogenblik onder
het opperhoofd BONNY diende.
Hy ging vervolgens over tot de benamingen van de voornaamste
bezittingen der muitelingen, waar van zommige reeds verwoest waren,
andere zig in 't gezicht bevonden, en eenige ons slechts by naame
bekend waren. Zy hadden allen eenige wezentlyke beteekenis; en dewyl
zy, in zeker opzigt, de onderzoekingen der geleerden omtrent de
verschillende volken onder de Negers kunnen ophelderen, heb ik gepast
geöordeeld aan dezelven, met opgaave van de vertaaling, alhier eene
plaats te vergunnen.
Boucou: Ik zal eerder tot stof vergruisd worden,
eer ik genomen worde.
Gado Saby: God alleen kent my.
Cosaay: Koomt, zoo gy het hart hebt.
Tessy sy: Ruikt 'er aan, zoo gy lust hebt.
Mele my": Ontrust my, zoo gy durft.
Bousy cray: De bosschen schreiën.
Me salasy: Ik zal genomen worden.
Kebry my: Verberg my, ô loof der boomen, dat my omringt.
De verdere waren:
Quammy Condre: naar den naam van QUAMMY, hun opper-hoofd.
Pynenburg: van de Pyn- of Latanus-boomen, die deeze bezitting van
vooren omringden.
Caro Condre: van de meenigte Koorn-velden, waar mede dezelve omringd
was.
Reizy Condre: van de meenigte Ryst-velden, die rondöm lagen.
Ik drukte Capitain HANNIBAL, na dit gesprek, de hand, en hy ging
van my af. Ik was vervuld met de hoop op eene overwinning, die door
geene wreedheid bezoedeld zoude worden; en dewyl ik zeer vermoeid was,
viel ik in een diepen slaap.
Den 20sten, des morgens, ontwaakte ik, zeer wel te vreden; zynde het
toen het schoonste weder des weerelds. Deeze gelukkige gesteldheid
verdween wel dra, toen ik zag, dat op een oogenblik, zoo netelig,
en toen men op 't punt stondt slag te leveren, in plaats van goede
behandelingen, welken het voorzichtig geweest zoude zyn te gebruiken
omtrent hun, van wier welwillenheid wy het gunstig einde van ons
lyden verwagtten, men integendeel by de Onder-Officiers en soldaten
eene groote moedeloosheid verwekt had. Ik maakte toen tegen mynen wil
deeze aanmerking:--Dat de Vorsten en hunne dienaars nimmer, zoo veel
mogelyk, een byzonder persoon, wie hy ook wezen mogt, vooral in een
afgelegen land, met eene onbepaalde magt bekleeden moesten, zonder
zynen inborst en denkwyze zeer grondig te kennen; want niemand is
waardig het bevel te voeren, indien hy zig niet tevens door dapperheid
en menschlievenheid onderscheidt; naardien het eene wel bekende
waarheid is, dat geene dapperheid met wreedaartigheid bestaan kan.
Des morgens ten zes uuren trokken wy noordoostwaarts ten noorden,
onzen weg naar de moerassen nemende; en myne zwaarmoedigheid verdween
met het doorbreken der zon.
Omtrent ten agt uuren, kwamen wy in dat verschrikkelyk moeras, alwaar
wy schielyk tot aan ons midden door het water gingen. Niettemin maakten
wy ons gereed, om het ernstig onthaal, het welk wy aan de overzyde te
wagten hadden, vol te houden. Na een halve myl ver gezworven te hebben,
beklommen onze grenadiers gezwindelyk den oever met de bajonnetten
vooruit. Het hoofdleger volgde hen oogenblikkelyk, en wy plaatsten
ons, zonder de minste tegenkanting, in gelederen. Wy zagen toen
een schouwspel, het welk in staat was, om de onverschrokkensten te
verzetten: de grond lag bezaaid met bekkeneelen, beenderen en ander
overschot van de lyken der ongelukkige soldaten van den Capitain
MEYLAND.--Deeze Officier had wel middel gevonden, om dezelven te
doen begraven; maar de muitelingen hadden die weder opgedolven,
om ze van hunne kleederen te berooven, om deeze lyken in stukken
te houwen, en ze te verscheuren, zoo als verslindende dieren gedaan
zouden hebben. Onder het getal deezer ongelukkige slachtöffers was
de Neef van MEYLAND, een jongman van denzelfden naam als hy, en van
de grootste verwagting. Hy was van de Zwitzersche gebergten gekomen,
om met des te meerder spoed vorderingen in den krygsdienst te maken,
en, korten tyd na zyne ontscheping, vondt hy zyn graf in een moeras
van Surinamen. Zyn moed stondt gelyk met dien van zynen oom; zyne
onverschrokkenheid, die hem bewoog om zig aan alle gevaaren bloot te
stellen, kende geene paalen.--Zoodanig is de geestdrift der eerzucht
van eenen krygsman.
Deeze hoop van menschen-beenderen was de tweede of derde, dien wy op
onzen tocht ontmoetten. Ik erken opentlyk, dat zulk eene ontmoeting
in my geen lust verwekte, om de muitelingen te bevechten. Dit droevig
overschot echter ontstak in onze soldaten een levendige drift, om
hunne ongelukkige medgezellen te wreeken.
Ik heb reeds zoo dikwerf gesproken van het doorwaden der moerassen,
dat het, zoo ik denk, niet ongeschikt is, om door de nevenstaande
plaat de beschryving op te helderen. Voor eerst wordt daar op vertoond
de Colonel FOURGEOUD, vooraf gegaan door eenen Neger, die hem tot
leidsman dient, en, waar het water op het hoogst is, overzwemt. Daar
op volge ik zelf, en eenige andere Officiers en Zee-soldaten, allen
in het midden van het moeras, en onze wapenen, krygsbehoeften, enz. op
het hoofd dragende, om door het nat niet beschadigd te worden. Men kan
daar op voorts de manier zien, waar op de slaven de pakken dragen, als
mede hoe de muitelingen van boven uit de palmboomen op het krygsvolk
vuur geven. Een tocht van dien aart, schoon by deeze gelegenheid zeer
noodzakelyk, moet altyd één der gevaarlykste zyn: men is dan bloot
gesteld aan de aanvallen van eenen vyand, die in 't verborgen vuurt,
en men kan niet meer dan eenmaal vuur geven; want de soldaten zyn te
diep in het water ingezonken, om hun geweer op nieuw te kunnen laden,
zonder het slot nat te maken.
Wy volgden toen een zoort van voetpad, door de muitelingen gemaakt,
waar na wy onzen weg een weinig westwaarts namen. De Sergeant FOWLER,
die tans het bevel over de voorhoede voerde, kwam by my, geheel bleek
en bevende, en verklaarde my, dat het gezicht van deeze lyken hem
zeer ziek gemaakt had. Dit was waar, want hy scheen aan den grond
als vast gehecht, zonder een enkelen tred te kunnen doen, noch zyne
ontsteltenis te kunnen verbergen. Ik sprak hem aan met den naam,
dien hy verdiende, en had slechts den tyd, om hem te beveelen van
zig by de agterhoede te begeven.
Ten tien uuren, ontmoetten wy een klein gedeelte der muitelingen, elk
van hun met een groene mand op den rug. Zy gaven vuur op ons, en hunne
vracht op den grond werpende, keerden zy in aller yl naar hun gehucht
te rug. Wy vernamen zedert, dat zy naar eene andere verblyfplaats ryst
vervoerden, om daar van te leven, wanneer zy uit Gado-Saby (den naam
van de plaats, werwaarts wy heen trokken,) verjaagd mogten worden,
eene zaak, welke zy dagelyks te gemoet zagen, zedert dat dezelve
door den dapperen MEYLAND was ontdekt geworden. Deeze groene manden,
welken de Negers warinbos noemen, waren gemaakt van biezen, die met
palmboom-bladeren konstig waren in één gevlochten. Ons volk dezelven
met den sabel hebbende open gehakt, kwam 'er de zuiverste en schoonste
ryst uit, die ik in myn leven gezien heb; maar men strooide ze overal
heen, en trad ze met de voeten, want wy hadden geene gelegenheid om
ze mede te nemen. Korten tyd daar na ontdekten wy eene ledige barak,
waar in de muitelingen een wachtpost geplaatst hadden, om hen van alle
gevaar te verwittigen; maar de lieden, die deeze wacht uitmaakten,
waren met den meesten spoed weggevlucht. Wy verdubbelden toen met
yver onze schreden tot op den middag, wanneer wy eene uitgezette
wacht van den vyand ontmoetten, tweemaal vuur hoorden geven, het welk
een met BONNY overëengekomen teeken was, om hem onze aannadering
te berigten. De Major MEDLAR, ik zelf, met eenige soldaten van de
voorhoede, en eene kleine krygsbende van Neger-Jagers, trokken voor
uit, en wel dra kwamen wy op een schoon veld, met ryst en Indisch
kooren bedekt. Hier hielden wy stil, om ons gezamentlyk krygsvolk in te
wagten, en vooral om aan de achterhoede tyd te geven om aan te rukken,
want eenigen van derzelver soldaten waren twee mylen agter ons. In
dien tusschentyd liepen wy gevaar van in de pan gehakt te worden;
want de vyand, zoo als wy naderhand vernamen, had dit veld omcingeld,
zonder dat wy 'er iets van gezien hadden.
Een half uur daar na, verëenigde zig onze legerbende te zamen. Toen
kapten wy ons een korten weg door het bosch heen; en wy waren daar
even doorgedrongen, of 'er begon van alle kanten een hevig vuur. De
vyand echter deinsde af, en wy trokken voort, tot dat wy op een schoon
veld kwamen, met rype ryst beplant, en een lang vierkant uitmakende,
aan welks einde het gehucht der muitelingen zig als een opgaande
toneel vertoonde; het was door het lommer van verscheiden hooge boomen
tegen de hitte der zon beveiligd; en dit alles leverde het treffendst
en betooverendst gezicht op, het welk men zig verbeelden kan. Een
onafgebroken vuur, veel naar donderslagen gelykende, duurde meer dan
een uur op dit zelfde veld; en geduurende al dien tyd gedroegen zig de
Neger-Jagers met zoo veel moed als bekwaamheid: maar de blanke soldaten
waren al te driftig, en schooten mis; ik zag 'er echter veelen onder,
die de grootste onverschrokkenheid betoonden, en de Jagers met eenen
goeden uitslag navolgden. Onder deezen bevondt zig in dit oogenblik de
arme FOWLER, die in het begin van den slag van zyne ontsteltenis was
te rug gekomen. Zig eenmaal hersteld hebbende, begaf hy zig op zynen
eersten post, en bekwam zyne achting weder volkomen, met aan myne zyde
als een dapper krygsman te stryden, tot dat de loop van zyn snaphaan
door een vyandelyk schot verbryzeld wierd, het geen hem belette, om
daar van verder gebruik te maken. Een snaphaan-kogel doorboorde myn
hembd en kneusde my den schouder. Myn Lieutenant, DE CABANUS, wierd
de riem van zyn snaphaam weggeschoten; verscheiden soldaten wierden
gewond, zommigen zelfs doodelyk; maar tot myne groote verwondering, zag
ik niemand hunner op het slagveld sneven.--Dit kwam my wonderbaarlyk
voor, maar ik zal 'er in 't kort de uitlegging van geven.
De muitelingen, om onze aannadering gevaarlyker en moeielyker te
maken, hadden dit ryst-veld met dikke stammen van boomen, waar aan
de wortels vastgebleven waren, omringd en doorsneden. Zy hielden
zig agter deeze opgeworpen verschanssingen verscholen, en gaven
van daar, byna zonder eenig gevaar, vuur op ons, die dit zoort
van wallen beklimmen moesten, eer wy in hun gehucht komen konden:
in weerwil echter van alle de hinderpalen, die zy ons in den weg
leiden, geraakten wy altyd voorwaarts. Maar te gelyker tyd, dat
ik het goed beleid van hunnen Generaal, in het regelen van hunne
krygsverrigtingen, bewonderde, konde ik my niet wederhouden hen over
hunne bygeloovigheid te beklagen. Een van deeze ongelukkigen in 't
byzonder, al zyn vertrouwen Op zyn tooverband stellende, geloofde
onkwetsbaar te zyn. Hy beklom te meermalen één van die stammen van
boomen, die op den grond lagen; van daar schoot hy; vervolgens klom hy
af om zyn snaphaan weder te laden; en weder te rug komende, schoot hy
andermaal met de grootste koelbloedigheid, en in myn gezicht. Een der
Zee-soldaten, onder myn bevel staande, met naame VALET, eindelyk op
hem aangelegd hebbende, doorschoot hem de dye, en hy viel agter het
bolwerk, door hem zoo meenigwerf beklommen; maar die zelfde soldaat,
over hem heen gesprongen zynde, stak de tromp van zyn snaphaan in het
oor van den ongelukkigen, en deedt hem de herssenen uit het hoofd
vliegen: verscheiden zyner medgezellen ondergingen het zelfde lot,
in weerwil van hunne tooverbanden, en bygeloovigheden.
Wy waren op het punt, om het gehucht der muitelingen in te rukken,
toen één van hunne Capitains, een hoed met een goude lis op het
hoofd dragende, en een brandende toorts in de hand houdende, hun
onvermydelyk verlies voor oogen ziende, moeds genoeg had, om zig
aldaar te blyven ophouden, en het gehucht in ons gezicht in brand
te steken. Deeze houte huizen, met drooge bladeren overdekt, stonden
spoedig in lichten laaijen vlam; maar toen begon het musketten-vuur
in het bosch te verminderen. Dit manmoedig besluit van den vyand
belette niet alleen het bloedbad, het welk de soldaten op het eerste
oogenblik der overwinning gewoon zyn aan te rechten; maar het maakte
't bovendien voor de muitelingen gemakkelyk, om met hunne vrouwen en
kinderen te rug te trekken, en de goederen, die hun meest dienstig
waren, met zig te voeren. Het was ons derhalven toen onmogelyk om
hen te vervolgen, en den minsten buit te maken; het waren niet alleen
de vlammen, die ons zulks beletteden, maar wy zagen ook wel dra een
moeras, het welk ons byna van alle kanten omringde.
Ik moet waarlyk erkennen, dat in het laatste uur van deezen slag,
'er niets verschrikkelyker was, dan het aanhoudend musketten-vuur,
het vloeken en huilen der Negers, onder elkander gemengd; het gekerm
der gekwetsten en stervenden, die in het stof lagen, en in hun bloed
baadden; het scherp geluid der jagthoorns, het welk zig van alle kanten
liet hooren, en het gekraak der brandende balken, waar van het gehucht,
dat geheel in vlam stondt, weergalmde: terwyl de rook-wolken, die ons
omgaven, de vlammen die zig zeer hoog verhieven, enz. een tafereel
uitmaakten, het welk voor geene beschryving vatbaar is, en misschien
het penceel van HOGARTH niet onwaardig geweest zoude zyn. Ik heb echter
getracht dit toneel te schetsen; [2] ik heb my zelf daar by afgebeeld
na de hitte van den slag; ik heb daar by het voorkomen van vermoeid
en droefgeestig te zyn, een oog van medelyden werpende op het lichaam
van eenen oproerigen Neger, die, zyne snaaphaan in de hand houdende,
voor myne voeten uitgestrekt ligt.
Na ons gewasschen, en van het stof, zweet en bloed, waar mede wy
besmet waren, gereinigd te hebben, namen wy allen een teug brandewyn,
en aten een stuk brood. Het vuur begon ondertusschen te verminderen;
en toen het ophieldt, onderzogten wy de rookende puinhoopen van het
gehucht der muitelingen, bestaande in omtrent honderd huizen of
hutten, waar van zommige twee verdiepingen hadden: uit den asch,
die nog gloeiend was, haalden wy eenige kleinigheden, die aan het
geweld der vlammen ontsnapt waren, als by voorbeeld zilvere borden,
die wy uit hoofde van hun merk B. W. vooronderstelden, dat by het
plunderen der Plantagie Brunswyk aan de Cottica geroofd waren: wy
vonden ook eenige messen, gebroken porceleine potten, en aardewerk:
één der laatstgemelden, zynde vol met ryst en palmboom-wormen, viel my
ten deel. Dewyl men rykelyk vuur had, om deeze spyze te laten koken, en
ik een zeer grooten trek tot eeten had, verschafte my dezelve spoedig
eene uitmuntende maaltyd, en ik had wel dra alles opgegeten. Eenigen
myner spitsbroeders waren beducht, dat dit eeten agtergelaten mogt
zyn, met een oogmerk om ons te vergeven; maar, gelukkig voor my,
bleek deeze verdenking zeer ongegrond te zyn.
De bovengemelde zilvere borden kogt ik van onze soldaten, om 'er een
zoort van zegeteeken van te maken, en ik heb 'er my naderhand altyd
van bediend. Wy vonden in dit zelfde gehucht drie menschen-hoofden op
staken gezet; het waren de treurige overblyfzels van eenigen onzer
dappere en ongelukkige soldaten, die bevorens door de muitelingen
gedood waren. Maar, het geen ons het meest verwonderde, was, dat wy
twee hoofden van Negers zagen, die het voorkomen hadden van in 't kort
te zyn afgehouwen. Wy vernamen vervolgens, dat twee jonge lieden, om
dat zy in ons voordeel gesproken hadden, geduurende den nacht van den
17den, ten tyde dat wy het gehuil en schieten met musketten hoorden,
ter dood gebragt waren. Die hoofden waren de hunne.
Het droevig overschot deezer ongelukkigen begraven hebbende, hingen
wy onze hangmatten op aan die fraaie hooge boomen, die het gehucht
overschaduwden; maar ik was innerlyk getroffen over het ysselyk
schouwspel, het welk zig toen aan ons oog vertoonde. De Neger-Jagers
vermaakten zig met de afgehouwen hoofden hunner vyanden aan elkander
toe te kaatsen. Het was vrugteloos geweest hen over dit onmenschelyk
spel te bestraffen, en zy verzekerden ons, dat het was "condre fassy,
de gewoonte van hun Land"; zy eindigden het zelve, door die hoofden,
na 'er den neus, de lippen, de wangen, de ooren te hebben afgesneden,
met den voet weg te schoppen; zy namen 'er zelfs de kakebeenen uit,
welken zy in den rook lieten droogen, als mede de regte hand, om
dezelve, ten bewyze hunner overwinning, aan hunne nabestaanden en
vrouwen te vertoonen. Het is een zaak die over bekend is, dat eene zoo
wreede gewoonte onder de wilden plaats heeft, en dat dezelve uit hunne
onverzaadlyke wraaklust voortspruit; en schoon de Colonel FOURGEOUD
met zyn gezag had kunnen tusschen beiden komen, om deeze hatelyke
zegepraal voor te komen, of te doen ophouden, handelde hy naar myn
inzien verstandiglyk, met daar van in dit oogenblik geen gebruik te
maken. Dewyl overtuiging hier niets vermogt, zoude hy slechts deeze
soldaten verbitterd hebben, en hun een weerzin doen krygen in eenen
dienst, die ons zoo nuttig was, hoe bloeddorstig en wreed de gevolgen
'er ook van wezen mogten.
Deeze zelfde Jagers verhaalden ons, dat zy, by het bezigtigen van den
bosch-kant, veel menschen bloed op onderscheidene plaatsen gezien
hadden, en dat dit gevloeid was uit de wonden dier muitelingen,
welken hunne medemakkers geduurende den slag hadden weggevoerd.
Ten drie uuren, op het tydstip, dat wy van onze vermoeidheid
uitrustten, wierden wy eensklaps door een party vyanden aangevallen:
maar zoo dra wy hen met eenige snaphaanschoten begroet hadden, trokken
zy af. Dit onverwagt bezoek overtuigde ons, van hoe veel gewicht het
was op onze hoede te zyn, voornamelyk des nachts; dienvolgende was
het niet geoorloofd vuuren te stoken, en men zette dubbelde wagten
uit rondom de legerplaats.
Door vermoeienis en eene ongemeene hitte afgemat, ging ik, na
het ondergaan der zon, in myne hangmat leggen, en viel spoedig
in een diepen slaap: maar na verloop van een paar uuren, deedt my
myn getrouwe QUACO in het midden van den donker ontwaken, roepende:
"Massera, Massera! bousy negro, bousy negro! Meester, Meester! zie daar
den vyand, zie daar den vyand"! Op het zelfde oogenblik een aanhoudend
vuur gehoord hebbende, besloot ik daar uit, dat de muitelingen in het
midden van onze legerplaats waren. Vol verbaazing, en nog niet geheel
wakker zynde, sprong ik uit myne hangmat, en nam myn snaphaan. Ik liep
toen, zonder behoorlyk te weten wat ik deed, myn QUACO onder den voet;
waar na ik zelfs viel over twee of drie lichaamen, die op den grond
lagen, en welken ik my verbeeldde menschen te zyn, die reeds gedood
waren. Een van hun ontdekte my spoedig myne dwaling, zeggende:
"dat indien ik de minste beweging maakte, ik een kind des doods
was". Dezelfde perfoon voegde 'er by: "dat de Colonel FOURGEOUD aan
het krygsvolk bevel gegeven had, om plat op den buik te gaan leggen,
en geen schot te doen, om dat men des avonds te vooren het grootste
gedeelte van het kruid verbruikt had". Ik ontdekte wel dra, dat de
geen, die tot my sprak, een grenadier was, THOMSON genaamd, en ik
maakte van zynen raad gebruik. Wy bleven dus tot aan het opgaan der
zon onder de wapenen, en geduurende al dien tyd wierd 'er een zoort
van zamenspraak tusschen de muitelingen en onze Jagers gehouden:
de één vervloekte en bedreigde op eene geweldige wyze den ander. De
eersten scholden de laatstgemelden voor "lage zielen en verraders
hunner landgenooten. Zy daagden hen tegen des anderen daags tot een
afzonderlyk gevecht uit: zy zwoeren, dat zy niets vuuriger verlangden,
dan hunne handen in het bloed van deeze schelmen te baden, daar zy de
voornaame bewerkers waren van de verwoesting van hunne bloeijende en
schoone verblyfplaats". De Jagers antwoordden hun; "dat zy niets anders
waren, dan een hoop roovers, tegen wien zy bereid waren te vechten,
al waren zy slechts half zoo talryk, indien zy hunne leelyke gezichten
durfden vertoonen; en dat zy hunne meesters verlaten hadden, alleen om
dat ze te lui waren om te werken". Na dit gesprek deeden zy elkander
allerleije schampere bejegeningen aan, door krygsgeschrei van eenen
byzonderen aart, door overwinnings liederen, en door het geluid van den
jagthoorn tot een teeken van uitdaging. Vervolgens begon wederom het
vuur van den kant der muitelingen, en duurde den geheelen nacht door,
maar afgebroken door hun geschreeuw, het welk door den weergalm van het
bosch herhaald wordende, zig met eene verdubbelde kragt liet hooren.
De Colonel FOURGEOUD nam eindelyk deel in dit gesprek, en de Sergeant
FOWLER en ik dienden hem tot tolken. Wy moesten hard schreeuwen; maar
ik heb my nooit beter vermaakt. De Colonel beloofde aan de muitelingen
het leven, de vryheid, levens-middelen, en alles, wat zy mogten noodig
hebben. Zy antwoordden hem, hem luidkeels uitlachende, dat zy niets
van hem verwagtten; zy behandelden hem als een half uitgehongerden
Franschman, die uit zyn land gevlucht was: zy verzekerden hem, dat,
indien hy moeds genoeg had, om hun een bezoek te geven, zy hem geen
kwaad doen, maar goed onthaalen zouden: tot ons zeiden zy, dat zy
ons beklagenswaardiger oordeelden, dan hun zelven; dat wy blanke
slaven waren, die voor vier stuivers daags gehuurd wierden, om ons
te laten doodslaan, of om van honger te sterven; dat zy ons te veel
verachtten, om hun kruid op ons te verschieten; maar dat indien de
Planters, of hunne Opzichters, zig in de bosschen dorsten begeven,
'er geen enkele weder uit zoude komen; dat de verraderlyke Jagers een
gelyk lot te wagten hadden, en dat zy dien dag, of daags daar aan, 'er
een goed getal van zouden om hals brengen. Zy eindigden hun gesprek met
te verklaren, dat BONNY wel dra Opperhoofd der Volkplanting zyn zoude.
Toen dit gesprek was afgeloopen, schoten zy hunne snaphanen af, waar op
een drievouwdig krygs-geschrei volgde. De Jagers beantwoordden hun het
zelve, en de muitelingen verdweenen by het opkomen van den dageraad.
Wy waren uittermaten vermoeid. Onäangezien echter de langduurigheid van
het gevecht, hadden wy door het vuur van den vyand weinig manschappen
verloren: ik heb beloofd de reden daar van op te geven. Dit geheim
deedt zig ontwikkelen, toen de Heelmeesters, de wonden verbindende,
daar uit zeer weinig loode kogels haalden, maar een groot aantal
steentjes, knoopen van kleederen, en kleine stukjes zilver geld, die
niet veel leed deeden, en niets meer dan eene kwetsing van de huid
veroorzaakten. Wy merkten ook op, dat verscheiden der muitelingen,
die gedood waren, in plaats van vuursteenen, stukken van pot-scherven
hadden, waar mede zy niet veel konden uitrichten. Zie daar de reden,
waarom wy van deeze zaak zoo gelukkig afkwamen. Wy hadden niettemin
nog een groot getal soldaten, die gevaarlyk gewond waren, of zwaare
kneuzingen bekomen hadden.
De vernuftigheid van deeze Negers, wanneer zy zig gerust in de bosschen
bevinden, is ongemeen groot. De geenen, tegen welken wy te stryden
hadden, beroemden zig, dat hun niets ontbrak, en wy vonden hen ten
minsten dik en vet. Door middel van strikken, die konstig gemaakt
waren, en de diepe moerassen, vangen zy wild en visch in overvloed,
welken zy in den rook laten droogen, om ze goed te houden. Hunne
velden zyn beplant met ryst, maniok, ignames, plantain-boomen,
enz. Het zout trekken zy uit de asch van palmboomen, zoo als de
Gentous in de Oost-Indiën doen, of zy gebruiken in plaats van dien
zeer dikwils roode peper.
Op deeze zelfde plaats ontdekte men een klein vaatje vol met beste
boter, die by een ouden stam van een boom verborgen was. Onze Jagers
zeiden my, dat dezelve van gesmolten vet van palmboom-wormen gemaakt
was. Men konde ze gebruiken als de Europeesche boter, en ik vond
ze zelfs veel lekkerder. De Negers maken ook boter van pistaches,
waar uit zy de olyachtige zelfstandigheid uitperssen, en dikwils doen
zy die in hunne soepen. Zy hebben altyd palmboom-wyn in overvloed;
zy weten dien te bekomen door de insnyding van een vierkanten voet
in den nedergehouwen stam; vervolgens vangen zy het sap in een pot
op. Dit sap gaat schielyk door de hitte der zon aan het gisten,
en verschaft hun een aangenamen en koelen drank, die kragt genoeg
heeft om dronken te maken. De Latanus- of Pyn-boom verschaft hun de
noodige bouwstoffen voor hunne huizen. De Calabassen-boom bezorgt
hun drinkschalen. De zyde-plant en de mauricy bevatten draden, waar
van zy hunne hangmatten maken; en op de palmboomen groeit zelfs een
zoort van mutsen van een natuurlyk weefzel, gelyk ook bezems om te
vegen. De koorden van allerleije zoort van heestergewassen dienen
hun voor touwwerk. Om hout te hebben, behoeven zy het slechts te
hakken. Zy ontsteken vuur, door twee stukken hout, welken zy by-by
noemen, tegen elkander te wryven; terwyl zy daar van, als elastiek
zynde, zeer goede kurken maken. Van het vet en de oly, welken zy in
overvloed hebben, kunnen zy kaarssen maken of lampen branden; en de
wilde byen geven hun wasch, en uitmuntenden honig.
Zy weigeren volstrekt, om kleederen te dragen, en verkiezen naakt te
loopen in eene luchtstreek, alwaar de hitte de ligtste kleeding tot
een last maakt.
Zy zouden varkens en gevogelte kunnen aankweken, en jagt- of
wacht-honden leeren; maar zy vreezen, dat het geluid van deeze dieren,
en vooral het gekraay der haanen, het welk men van zeer wyd af in
het bosch kan hooren, de plaats van hun verblyf ontdekken mogten.
Toen de muitelingen van deezen oord verjaagd of geslagen scheenen,
hieldt de Colonel FOURGEOUD zig bezig met den oogst in den omtrek te
vernielen. Ik ontfing bevel om met vier-en-twintig Zee-soldaten, en
twintig Jagers, een begin aan deeze verwoesting te maken. Dienvolgende
deed ik al de ryst, die in de opgemelde velden in overvloed groeide,
afmaaien. Ik ontdekte vervolgens een derde land, zuidwaarts van het
eerstgemelde gelegen, om het welk te verwoesten, ik insgelyks bevel
gaf; en ik gaf daar van bericht aan den Colonel FOURGEOUD, die my
toescheen uittermaten voldaan te zyn. Des namiddags wierd de Capitain
HAMEL met vyftig Zee-soldaten en dertig Neger-Jagers afgezonden, om de
plaatsen, agter het gehucht liggende, te onderzoeken, en, zoo mogelyk,
te ontdekken, hoe de muitelingen het maakten, om door een moeras heen
en weder te trekken, waar van de diepte ons onbekend was, en door het
welk wy hen niet konden vervolgen. Deeze Officier ontdekte eindelyk
een zoort van dryvende brug, die tusschen de heesters verborgen lag,
en van mauricy hout gemaakt was; maar zoodanig ingericht, dat 'er niet
meer dan één man te gelyk over gaan konde. Eenigen der muitelingen
zaten 'er schreijelings op, om de overtocht te beletten. Zoo dra zy
de afgezondene manschappen vernamen, schoten zy op hen: de Jagers
beantwoordden hun spoedig, en dooden één man van hun, die door zyne
makkers wierd weggevoerd.
Des anderen daags morgens den 22sten, gaf onze Bevelhebber aan
een ander gedeelte manschappen, waar toe ik mede behoorde, last
om de brug over te trekken, en het te wagen, om op kondschap uit
gaan. Geen tegenstand van iemand ontmoet hebbende, trokken wy deeze
brug over, of liever, wy kropen over de dryvende boomen, waar van
dezelve gemaakt was; vervolgens bevonden wy ons op een veld van eene
langwerpige gedaante, met maniok en ignames beplant, in welks midden
een dertigtal huizen stonden, die op dit oogenblik verlaten zynde,
van eene oude verblyfplaats der muitelingen, Cosaay genaamd, waren
overgebleven. Om de plaatsen te beter te onderzoeken, verdeelden wy
ons op dit veld in drie krygshoopen: de eerste, om noordwaarts, de
tweede ten noordwesten, en de derde westwaarts heen te trekken. Hier
ontdekten wy, tot onze groote verwondering, dat de reden, waarom de
muitelingen, in den nacht van den 20sten, zoo geschreeuwd, gezongen
en geschoten hadden, niet alleen was, om den aftocht hunner vrienden
door het beletten van den overtocht te dekken, maar ook om door dit
geweldig en aanhoudend geraas voor te komen, dat wy niet bemerken
zouden, dat zy lieden, zoo mannen, vrouwen, als kinderen, grootendeels
bezig waren met warimbos of manden te maken, en die met de schoonste
ryst, cassave, en wortelen van ignames te vullen, om daar door by
hunne vlucht levens onderhoud te hebben.
Dit was zekerlyk een verstandig gedrag in een wild volk, het welk wy
ons vermeeten om te verachten: het zelve zoude aan elken Europeaanschen
Bevelhebber tot eere gestrekt hebben, en de beschaafdste volken hebben
hen daar in misschien zeldzaam overtroffen.