De springlansen worden ook wel met vijandige bedoelingen geplaatst en

zijn door hunne moeilijke zichtbaarheid vrij gevaarlijk. Zij mogen

dan ook niet in de onmiddellijke nabijheid der negorijen geplaatst

worden en dan nog wordt op een tiental passen vóór de plek, waar de

springlans opgesteld is, een stok geplaatst waaraan een cirkelvormig

gebogen stuk liaan bevestigd is, ten einde tot voorzichtigheid aan te

manen. Over de strikken valt niets bijzonders te vermelden, dan dat

men ze ook wel zoodanig aan een gebogen tak verbindt, dat indien het

dier in den strik geraakt, het een haakje, waaraan de strik bevestigd

is lostrekt, door de veerkracht van den tak omhoog geslingerd wordt

en hangen blijft. Ter bemachtiging van een koesoe2 plaatst men in

de boomen zeer kunstige strikken van lianen, waarin het dier zich

vangen laat.

Soms maakt de Alfoer van den strijdlust, waarmede de herten gedurende

den paartijd bezield zijn gebruik, om het dier te verschalken. Hij

stelt zich op eene gunstige plek in het kreupelhout op en slaat

zachtjes met een takje tegen een boom. Het mannetjeshert, denkende een

tegenstander aan te treffen, die uitdagend zijn gewei wet, komt dan

nieuwsgierig en strijdlustig binnen het bereik van den Alfoer. Wellicht

wordt het hert in zijne meening versterkt, doordat de Alfoer eene

lucht van zich afgeeft, niet ongelijk aan die van een dier.

Scheepvaart. Bijna iedere kustbewoner bevaart de zee en oefent de

vischvangst uit. De prauwtjes zijn hoogst eenvoudig gekapt uit een

enkelen boomstam en voorzien van vlerken. Dit is de prahoe séman

(zeeman?) Een beter soort prauwen, uit planken vervaardigd, met scherpe

kiel, heet "pakatora" en is door Ternatanen ingevoerd. Grootere

prauwen voor handel op Amboina, heeten djoengkoe en orembaï; [16]

zeer eigenaardig is, dat bij het bouwen van eene groote orembaï

men niet eerst op den kielbalk de inhouten en ribben bevestigt,

om daar omheen de buitenhuid te leggen, doch eerst de buitenhuid

bouwt en daarna pas de inhouten aanbrengt. Doordat de planken van

den romp niet gebogen, doch gedeeltelijk krom gekapt worden (er is

immers hout in overvloed) zoo is de samenstelling dezer prauwen,

hoe eenvoudig ook, zeer sterk. De naden worden gestopt met "baroe"

een zwam van den gemoetoeboom afkomstig, daarna worden zij van buiten

dicht gesmeerd met kanarihars. Verder treft men verscheiden toekang's

aan, die een schoener van Europeesch model weten te vervaardigen, hier

pennis (penas) genoemd, terwijl deze alsmede orembaï's en djoengkoe's

op Europeesche wijze getuigd worden met zeilen van keperdoek.

Het roeien der groote prauwen geschiedt op gongen tifaslag en onder

het zingen van een beurtzang van roeiers en tifaslagers. De grootste

onzin wordt hierbij dikwijls uitgekraamd, hetgeen er niets toe doet,

mits men in de maat blijve. Haast heeft men nimmer en men roeit

langzaam en krachteloos voort, maar houdt dit dan ook uren lang

vol. Maar opeens gebeurt het, dat de roeiers "den geest" krijgen,

de tifa slaat een woesten slag en alles begint onder het uitstooten

van een vreeselijk gegil, zoo woest en hevig te roeien, dat men meent

eene partij krankzinnigen te zien. Deze opwinding houdt soms een

kwartier aan en dan laat plotseling weer iedereen de riemen zakken

en gaat uitgeput een pruimpje sirih kauwen.

De wind wordt steeds eerbiedig behandeld en men noemt hem altijd

"Toean". Eigenaardig is de aanroep: "Krrrrr! Marilah toean Timor,

datang dari belakang toeroen di haloewan, antar prahoe Radjah, makan

baik, mínoem baik, mari dengan mara-mara sadikit, toean!" (Kom, heer

Oostenwind, van achteren naar den steven en geleid deze vorstelijke

prauw, goed eten en drinken is dáár, kom met een beetje boosheid,

(harder blazen) Heer!) Wordt de bergwind aangeroepen, dan heet het:

"Ajo, Poetri goenoeng, kipas-kipas kain sadikit!" (Kom, vorstin der

bergen, wapper eens een beetje met uwe sarong!) Is de wind zwakjes,

dan verzoekt men: "Tambalah barang satoe gantang, doea gantang, satoe

mangkok, doea mangkok, satjoepa doea tjoepa." (Doe er nog een of twee

maten, een of twee kommen, een of twee vingerhoeden bij!) Maar als

de wind den geheelen dag wegblijft, dan kan het ook wel gebeuren,

dat de roerganger in arren moede den wind toesnauwt: "Zijt gij niet

beschaamd, Heer, zoo den geheelen dag te slapen?" Dien man in ernst

zoo boos te zien, maakt een komischen indruk.

De strand-Alfoer is goed bekend met het zeeleven en durft dikwijls

brutaal zeilen, maar hij is zeer roekeloos en onverschillig voor

zijne vaartuigen. De reiziger, die in een daarvan zal stappen,

doet wel met de prauw altijd grondig te onderzoeken, wil hij niet

onderweg beleven, dat eene plank lek springt, de mast omvalt of een

vlerk plotseling afbreekt, dingen die den Alfoer, uitmuntend zwemmer

als hij is, vrij koud laten. Prof. Martin zag eens een Alfoer op zulk

een grooten afstand van de kust in zee, dat hij meende een drenkeling

te zien. Het bleek echter, dat de man eenvoudig zijn weggedreven

prauwtje achterna zwom!

In de Piroebaai gebeurde het in 1904, dat een man, niet ver van

Piroe, bij ruw weder overboord sloeg. De opvarenden kwamen het vrij

onverschillig mededeelen, zeggende, dat de golven te hoog gingen om

hem te kunnen redden, doch dat hij wel terecht zou komen. De prauwen,

die daarop van verschillende kanten uitgezonden waren, vonden den man

niet, doch bijna twee dagen later, was hij gezond en wel te Poeloe

Kasa aangeland. Dat de Alfoer tot zoo iets in staat is, verklaart

wel eenigszins zijne roekeloosheid bij het varen. Op een nacht

wakker wordend, bemerkte ik, dat de roerganger van mijn schoener

in slaap was gevallen, terwijl hij het roer gemakshalve maar had

vastgebonden! Gelukkig was er bijna geen wind en dreven wij maar

wat rond. Het reizen langs de kust van Seran is op die manier vol

verrassingen. Legt men op eene nachtelijke vaart, dicht bij het doel

gekomen zijnde, zich ter ruste, in de meening "zie zoo, over een uurtje

zijn we er, dat kunnen de roeiers alleen wel af" dan gebeurt het zeer

dikwijls, dat men zich den volgenden dag verbaasd de oogen uitwrijft,

als men bemerkt in volle zee te zijn, of op een heel ander gedeelte

der kust. De oplossing van het raadsel is, dat iedereen, toen de

"toean" zich ter ruste begaf, dit voorbeeld maar gevolgd heeft, het

aan den stroom of den wind overlatende de prauw te drijven, waarheen

het hem goeddunkt! Maar de stuurman vertelt U met een geheimzinnig

gezicht, dat een polyp de prauw heeft weggevoerd, waarop volgt het

verhaal van een verren bloedverwant, wien dat eveneens is overkomen

"drie kommandanten geleden!"

Visscherij. Voor de strandbevolking is de visscherij een hoofdmiddel

van bestaan, terwijl de Berg-Alifoeroe gaarne hunne tuingewassen

tegen gedroogde visch komen inruilen. Het visschen geschiedt op

onderscheidene wijzen. Ten eerste met den hengel "hohaté" genaamd

(Noord-Seran.) De hengel is een bamboespriet met een snoer van

uitgegloeid koperdraad en van een zelf vervaardigden, uitmuntenden

haak voorzien. De visschen zijn bijna alle roofvisschen van zeer

gulzigen aard, zoo komt het, dat dikwijls de moeite van een aas

aan te slaan bespaard wordt, door eenvoudig een bosje witte veeren

aan den haak te binden. Slaat men nu den haak snel door het water,

dan hapt dikwijls, vooral in de monding van rivieren een "bobara"

daarnaar. Het aas bestaat uit kleine vischjes makki-makki of "téri"

genaamd sterk op sardines gelijkend. Deze vischjes zwemmen in dichte

drommen rond; om ze te vangen, maakt men gebruik van het werpnet,

maar ook van een hengel met zeer dun snoer en grooten haak zonder

aas. Dezen laat men in de school zinken en haalt dan met een snellen

ruk op, waardoor een vischje letterlijk aan den haak geslagen wordt,

zoo dicht is de school.

Den sako, een geepvormige visch met een spitsen bek, die snelle

sprongen boven water maakt, vangt men wel eens met een hengel, waaraan

instede van een haak, een strik om het aas is bevestigd. Hapt de sako

er in, dan haalt men snel op, trekt den strik dicht en vangt zoo het

dier. Wanneer men op groote diepte met de lijn vischt, wordt de haak

voorzien van een klapperblad, waaraan een steen gebonden is. De aldus

bezwaarde haak zinkt dan snel tot op eene diepte van tachtig vaam

en meer. Raakt men den grond, dan geeft men een snellen ruk, zoodat

de haak het brooze klapperblad doorscheurt en nu vrij komt. Van

de nerven van den gemoetoe-boom, knoopt men eene vrij sterke,

zeer dunne lijn. Hieraan wordt een klein koperen haakje bevestigd

met vederen voorzien en dan wordt de lijn achter een prauwtje aan

gesleept. Over koraalriffen varende krijgt men altijd visschen van ±

2 d.m. lengte aan den haak. In één uur werden soms aldus 12 visschen

van 7 verschillende soorten opgehaald. Het visschen is dus hier,

ook als sport, zeer loonend te bedrijven.

De "djolong", een in dichte scholen levende visch, wordt "geschept". Is

een djolongschool verkend, dan varen de prauwen er in een halve

maan op af. Iedere prauw heeft op den boeg een V vormig bamboestel,

waartusschen een net, eindigend in een zak, is bevestigd. Plotseling

gaan alle vorken neer, men vaart een slag vooruit en werpt met

steenen over de school heen om die naar zich toe te jagen, onder het

maken van luid misbaar, klappen met roeiriemen enz. Daarna worden de

netten omhoog gewipt en de inhoud binnen boord gehaald. Tot duizenden

djolongs worden aldus in een kwartier geschept. Zij worden dan tusschen

bamboeraampjes gewerkt en gerookt om aldus als opgelegde voorraad

nog lang goed te kunnen blijven. Schildpadden en groote visschen,

alsmede de doejong worden gejaagd met den atjo (harpoen) terwijl

langs het strand op visschen geschoten wordt met pijl en boog. Ook

met de kalawai, een lichten drietand, wordt in scholen visch geworpen,

maar de vangst op deze wijze vereischt eene bijzondere geoefendheid,

die lang niet iedereen bereikt. Verder bezigt men om op ondiep water

te visschen het werpnet, ook elders in den archipel bekend, terwijl

enkele een groot treknet bezitten, gebreid van ganémoe-vezel en met

bloed en toerisap zwart geverfd.

Op bepaalde tijden vertoonen zich in de baaien dichte zwermen

lémah. Het visschen hiernaar is een groot genoegen voor de

strandbewoners. Talrijke prauwtjes drijven dan in het duister op

het water, alle voorzien van eene harsfakkel, waarvan het licht de

visschen aantrekt. Nadat door beproeving de diepte gevonden is, waarop

de school zich bevindt, laat men zeer dunne lijntjes zakken met een

stukje lood bezwaard, terwijl het beste aas is een klein stukje van

den lémah zelf. Onophoudelijk kan men dan ophalen, terwijl de door

honderden lichtjes blikkerende baai, het vroolijk elkander toeroepen

en schertsen, dit soort visschen (mengaïl) tot een zeer aangenaam

tijdverdrijf maakt en het voor den inboorling eene gemakkelijke wijze

van verkrijgen van smakelijk voedsel is.

Op de Oeliassers beschouwt men dit dan ook als eene geschikte

gelegenheid om eene nachtelijke pic-nic te houden. Begeleid door

guitaar en zang, visschen de dames en heeren genoegelijk voort,

terwijl men soms op een medegevoerd komfoor dadelijk eenige visschen

bakt en in de prauw verorbert. De lémah is waarlijk een zeebanket. De

Alfoer schijnt dit ook zoo te vinden, daar ik herhaaldelijk zag,

hoe men den pas gevangen visch rauw verslond.

Zoodra de maan opkomt, bijten de visschen niet meer, de fakkels worden

gedoofd en onder vroolijk gezang stevent de vloot huiswaarts.

De verbazingwekkende rijkdom van visch der Moluksche zeeën zou eene

zeevisscherijonderneming ten stelligste succes waarborgen, meer nog

dan in de Javazeeën. Immers potvisschen vertoonen zich herhaaldelijk

in deze wateren en waar die komen, moet de voorraad kleinere visschen

ook groot zijn? Eene eigen diepzeevisscherij zou het met graagte visch

verbruikende Java, van die uitmuntende volksvoeding kunnen voorzien,

terwijl men thans verplicht is, slechte en dikwijls voor het gebruik

schadelijke vischsoorten uit Siam en elders in te voeren.

Voeding. De voeding der Alifoeroe is zeer eenvoudig, welk feit

verband houdt met de allerbedroevendste culinaire bekwaamheden hunner

vrouwen. Het hoofdvoedsel bestaat uit sago, die onder verschillende

vormen genuttigd wordt. Het meest geliefkoosd is de papéda, bestaande

uit eene pap, die men verkrijgt door versch sagomeel te overgieten met

kokend water, waardoor een gerecht ontstaat uiterlijk volkomen gelijk

aan behangersstijfsel. De papéda wordt in eene aarden kom opgediend;

met een vork van twee kruiselings aan elkander bevestigde stokjes,

draait men zich een bal uit de kleverige massa en werpt die op zijn

bord, waarna men de papéda opslurpt zonder zijne vingers of een

lepel te gebruiken. Deze wijze van eten is ook op de Oeliassers

gebruikelijk, zelfs bij de hoogere, Hollandsch sprekende of met

Europeanen gelijkgestelde bevolking.

De Alfoeren nuttigen bij de papéda vleesch en visch, soms een lombok,

terwijl bij de strandbewoners meestal eene dunne soep van visch

en specerijen (pindang) er bij gegeten wordt. Hoe onoogelijk het

gerecht er ook uitziet en hoe onsmakelijk de wijze van eten er van

schijnt, ook de Europeaan kan er vrij gemakkelijk aan gewennen en

het smakelijk vinden. Om op marsch te bezigen stopt men het sagomeel

in eene dunne bamboe en roostert deze boven het vuur. Als de bamboe

is opengebarsten, heeft de sago zich samengepakt tot een rol, niet

ongelijk aan den gummistok onzer politieagenten. Men begrijpt, dat

het verorberen van eene dergelijke staaf eene taaie geschiedenis is.

Door het sagomeel in langwerpig vierkante, leemen vormpjes te

roosteren, verkrijgt men de zoogenaamde sagobroodjes, die door hun

klein volume en platten vorm, gemakkelijk mede te voeren zijn, doch

die bij volkomen smakeloosheid en korreligheid het gevoel geven als

knabbelde men op droog zand. Niettemin is de bevolking zeer tevreden

met deze broodjes, die zij in een weinig water weeken en met wat

toespijs nuttigen. Op zeetochten ziet men velen het broodje in het

zeewater dompelen en dan verorberen.

Voor de bereiding van vleesch en visch kent men slechts ééne wijze

n.l. het roosteren. Men legt een vuurtje aan en plant daar omheen in

een kegelvorm stokken, waaraan men de stukken vleesch of den visch

heeft geregen en laat het vleesch dan roosteren; hier en daar dooft men

met de vingers het vuur, dat het gerecht dikwijls aantast. De eenige

smaak, die het aldus toebereide vleesch heeft, hetzij het van herten,

varkens, duiven of papegaaien komt, is altijd dezelfde n.l. "rookerig!"

Bij de strandbewoners is het bakken en braden en bereiden met

specerijen reeds bekend, al is ook bij hen de kookkunst nog zeer

in wordingstoestand. In de tweede plaats gebruikt men rijst, maïs,

cassave (kasbi) en aardknollen, hier patatter genaamd, doch deze

voedingsmiddelen zijn lang niet algemeen en worden door de Alfoeren

slechts in kleine hoeveelheden verbouwd.

Behalve wat sago, legt de Alfoer ook bijna geen voorraad in zijne

huizen op. Is zijne provisie verbruikt, dan gaat hij nieuwe halen en

te Piroe merkte ik op, dat velen zoo lui zijn, dat zij eerst nadat

alles schoon op is en zij tevergeefs getracht hebben bij een buurman

wat te leenen, er pas toe kunnen besluiten om opnieuw te gaan sago

kloppen of te jagen!

Genotmiddelen. Bij de strandbewoners komen meer en meer de lekkernijen

in gebruik, die men ook elders in den Archipel aantreft. De

Berg-Alfoeren echter gebruiken als genotmiddelen niet veel anders

dan sirih en pinang. Van de sirih gebruikt men meer de langwerpige

vrucht dan de bladeren. Tabak wordt ook vrij algemeen gebruikt, doch

voornamelijk om te pruimen, terwijl hier en daar uit het sap van den

arènpalm suiker wordt gekookt. Het gebruik van sagéroe is reeds uit

de vorige bladzijden bekend. De uitspraak van Ribbe: "der Muhamedaner

liebt das Opiumrauchen über alles", geldt alleen den Z.O. Seranner,

daar opium elders bijna onbekend is en slechts door vreemdelingen

ten eigen bate wordt binnengesmokkeld.

Wapens. Het inheemsche wapen is de boog. Deze wordt gesneden uit bamboe

of hout en is zeer eenvoudig van vorm, zonder versierselen. De pees

wordt van ineengedraaide rottan of ganémoevezelen vervaardigd. De

schacht der pijlen wordt gevormd door een rietstengel (glaglah)

terwijl de spitsen vervaardigd worden van ijzer, bamboe en arèn of

wokkahout. De oorlogspijl wordt in jachtpijl herschapen door het

opplaatsen van eene losse bamboespits. Terwijl deze in het getroffen

dier blijft zitten, laat de pijl los en kan dus door den Alfoer

gemakkelijk teruggevonden worden. De ijzeren spits van den oorlogspijl

wordt meestal gevormd door een daartoe bijgeslepen stuk mes. Ook

wordt hiertoe wel gebezigd een scherp behakt stukje vogeldijbeen.

Onder de oorlogspijlen zijn er altijd eenige, die uitgekerfd zijn

of van weerhaakjes zijn voorzien, doch dit snijwerk is niet zoo

kunstig als dat der Nieuw-Guinea-Alfoeren; ook versiering blijft

geheel achterwege. Om meer uitwerking te hebben bij het schieten op

den koesoe2, gebruikt men een pijl met drievoudige spits van bamboe,

waarin weerhaken zijn uitgesneden. Een steentje dient om de 3 punten

uit elkander te houden. Tot het schieten van visschen, waarin de Alfoer

zeer behendig is, bezigt men eveneens eene meervoudige spits van dunne

scherpe punten van arènhout. De lans, meestal van wokka, wordt bijna

uitsluitend voor de jacht gebezigd. Zij bestaat uit een eenvoudigen ±

2 M. langen spitsen stok. Op Oost-Seran voorziet men haar dikwijls

van eene spits, bestaande uit een schuin afgesneden casuarisdijbeen,

terwijl ter versiering een bosje casuarisvederen, aan het boveneinde

gebonden, moet dienen. Een bijzondere lans, bijna over de geheele

lengte voorzien van geitenhaar en casuarisvederen dient alleen om bij

den schilddans (menari parisi) of bij den waaierdans (menari kipas)

door den voordanser te worden gebruikt. Zij komt, zoover mij bekend,

alleen te Hatoé en te Loehoe voor en is waarschijnlijk uit Celebes

afkomstig. (De Toradja's hebben b.v. vrij wel dezelfde lans).

Het schild, de salawakoe, wordt alleen bij krijgsdansen gebezigd. Het

bestaat uit een eenvoudig bewerkt langwerpig stuk hout, aan de

binnenzijde van een handvat voorzien en doorgaans versierd met stukjes

paarlmoer en porselein scherven. Hier en daar komen fraaier bewerkte,

zeer kleine schilden voor, die echter uit Ternate afkomstig zijn.

De parang (kapmes) wordt meest uit Ternate ingevoerd. Die van

West-Seran zijn veel grooter dan die van Midden- en Oost-Seran. Het

gevest wordt uit hout gesneden, met rottan vlechtwerk om den angel

bevestigd en met eene harssoort vastgezet; op West-Seran worden

de gevesten met eenig kunsteloos snijwerk versierd of ook wel rood

geschilderd. Met de parang zijn de Alfoeren zeer handig en doordat

het zwaartepunt geheel in het uiteinde gelegen is, kunnen er geduchte

houwen mede toegebracht worden. Op marsch draagt men het wapen op

den schouder gesteund, doch moet de Alfoer zijne beide handen vrij

hebben, dan klemt hij het gevest van de parang met zijne kin vast,

terwijl het lemmet over den schouder ligt. Op deze wijze klimt hij

b.v. met gemak in boomen.

Nog bezit men lila's, kleine koperen kanonnetjes, dikwijls fraai

bewerkt, die van elders afkomstig zijn. Deze worden nimmer in den

krijg gebezigd, doch dienen om vreugdeschoten te lossen of om daarmede

boeten en bruidschat te betalen. Affuiten ervoor zijn onbekend. Te

Kambélo ligt in het bosch een oud kanon van ons vroeger fort aldaar

afkomstig waaraan door de inwoners wel geofferd wordt.

Bijna alle Alfoeren van West-Seran zijn met een voorlaadgeweer

bewapend. Hoe deze in hunne handen gekomen zijn, kon niet worden

nagegaan, doch vele geweren dragen Engelsche merken. De West-Seranners

onderhouden hunne geweren veel beter, dan de overige Seranners,

ook bezitten de Berg-Alfoeren van Midden- en Oost-Seran veel minder

vuurwapenen. Pijl en boog vormen daar nog altijd de hoofdbewapening. De

behendigheid hiermede is niet altijd zoo groot als men zou verwachten

en de werkzame afstand daarvan is ongeveer dertig passen. Trouwens

de dichte begroeiing van Seran maakt het ook onmogelijk om verder

te schieten.

Koppensnellen en oorlogvoeren. Evenals bij zoovele volken in den

Indischen Archipel bestaat het koppensnellen reeds sedert onheuglijke

tijden, al zijn de drijfveeren er toe verschillend. Zonder ons in

philosophische bespiegelingen over het waarom te verdiepen, moeten wij

toch erkennen, dat het 't meest zekere bewijs is van overwinning, als

men den kop van den tegenstander kan vertoonen en het dus natuurlijk

lijkt, dat primitieve volken tot het koppensnellen kwamen. [17]

Het is beslist onjuist, te meenen, dat op Seran het noodzakelijk

voor den man is om minstens een kop te hebben gesneld, alvorens hij

zich eene vrouw kan verwerven, zooals men van andere volksstammen

en ook van de Seran-Alifoeroe beweert. Natuurlijk staat hij, die

eenige koppen geroofd heeft, in hooger aanzien dan degeen die het

niet deed en daardoor zal hij het vrouwelijk hart eerder winnen,

doch een vereischte is het niet. Ook zijn de gesnelde koppen niet het

eigendom van dengene, die ze verwierf, doch van de negorij, terwijl

voor het feit, de geheele negorij aansprakelijk is. Zelfs is het bij

de kakihans streng verboden de vraag te doen: "wie snelde dien kop?"

De Alfoer, die er op uitgaat om een kop te rooven, doet dit doorgaans

door zich in hinderlaag te leggen en van daar uit zijn prooi neer te

schieten, liefst met pijl en boog, ten einde zoo min mogelijk gerucht

te maken. Daarna houwt hij den gewonde of doode het hoofd af. Dit wordt

in eene tasch geborgen om te voorkomen, dat bloedsporen de richting

zullen aanwijzen, in welke hij vlood. Na het afhouwen van het hoofd

stoot hij den hoogen, gillenden toon uit, die bij alle bergvolken,

zoowel in Europa als in Azië, bekend schijnt te zijn. Zijn meerdere

koppenjagers vereenigd, dan schijnt het gezicht van het hoofdelooze

lijk zoozeer hun hartstocht te prikkelen, dat allen in blinde woede

daarop inhouwen, zoodat het lijk eene afgrijselijk verminkte massa

wordt. De behaalde kop wordt zoo spoedig mogelijk en in het geheim

bij den maoewin gebracht. Deze geeft aan de negorij kennis van de

heldendaad, waarop eenige dagen feest wordt gevierd en iederen avond

de kahoewa of kairori (zie later) om het zegeteeken gedanst wordt.

Nadat de kop geheel van het vleesch is ontdaan, wordt hij, zonder den

onderkaak, aan den middenbalk van de baileo gehangen. Bij de Patalima

wordt het hoofd ergens in het bosch of in rotsholten bewaard, terwijl

bij de Malowanstammen bemerkt werd, dat men vele menschenschedels in

boomen had gehangen. Het gebeurt zeer zelden, dat de Alfoeren elkaar

in groot aantal beoorlogen; doet men dit, dan noemt men dat de "hongi"

in navolging van onze vroegere strooptochten. De "hongi" neemt haren

weg over de moeilijkste en minst bevolkte streken, om zoo ongemerkt

mogelijk in de nabijheid der vijandelijke negorij te komen. Zij wordt

steeds voorafgegaan door een kapitan met 6 of 8 man. Deze sluipen

zeer behoedzaam over een korten afstand voorwaarts, waarop een man

teruggaat om de rest der hongi den weg te wijzen enz. Worden dan

slechts een of weinige koppen verkregen, dan krijgt iedere stam,

die aan den tocht deelnam, een stuk van den schedel.

Zooals gezegd is, worden op een sneltocht vrouwen noch kinderen

gespaard. In onderscheidene baileo ziet men menigen kinderschedel

onder het aantal doodshoofden hangen.

Het nachtverblijf in een baileo, waar als versiering boven uwe

slaapplaats honderden menschenschedels hangen, is natuurlijk niet

vroolijk en het gebeurde wel, als de wind zachtjes door de oogholten

floot, dat de Javaansche soldaten dit zoo "unheimlich" vonden, dat

zij maar liever in den guren wind buiten overnachtten of onder de

baileo kropen.

Soms gebeurt het, dat de koppensnellers eenige dagen om de negorij

in hinderlaag liggen, zoo noodig zelfs zonder voedsel om maar een

gunstig oogenblik voor hun aanslag te kunnen afwachten. Men vertelde

mij, dat eens een gezelschap koppenjagers uit Roemah Sokat, dat om

niet ontdekt te worden, zijn pad koos over het woeste rotsgebergte

achter Sawaï, daarin blijkbaar verdwaalde en van gebrek omkwam. Dat

zij niet eerder terugkwamen, komt daar vandaan, dat een Alfoer,

die eenmaal op de menschenjacht is uitgegaan, er zich voor schaamt

om platzak terug te keeren en zich de uiterste inspanning getroost,

om zijn doel te bereiken.

Zijn vijand in front aanvallen doet een Alfoer nooit; dit gaat zelfs

zoover, dat herhaaldelijk gebeurt, dat hij het slachtoffer, waarmede

hij b.v. staat te praten, door kleine listen er toe brengt zich om

te keeren of zich te bukken, door hem iets te laten oprapen, waarna

verraderlijk de houw wordt toegebracht. Onder de strandbewoners geldt

dan ook de regel, nooit een Alfoer achter zich te laten loopen in het

bosch. Bij velen bestaat een bepaald ingeschapen moordzucht. Zoo kwam

te Wahaï een geval te berechten van een Alfoer, die zijn kameraad

met wien hij geenerlei twist had, den kop had afgeslagen, omdat de

toevallige, verleidelijke houding, waarin deze stond, hem blijkbaar

te machtig was geworden. Een gevreesd alamanan, hoofd van Riring

(West-Seran) sneed eens een naast hem slapenden jongen heimelijk den

hals af; eerst toen het bloed door de reten van den vloer op degenen,

die onder het huis sliepen, druppelde, merkte men de misdaad. Te

Wahaï kwam het voor, dat een Alfoersch hoofd om onbekende redenen

plotseling zijne gastvrouw, die bezig was de lamp op te steken,

met één houw het geheele hoofd afhieuw; daarna trad hij naar buiten

en vermoordde zijn dochtertje, waarop hij door de bevolking werd

neergeschoten. Het is zeer waarschijnlijk, dat drankmisbruik een

hoofdoorzaak is van dergelijke gruweldaden.

Vooral de Honitétoe-Alfoeren kenmerken zich door hunne ruwheid

en bandeloosheid. Toen zij eens werden aangemaand, om het moorden

te laten, antwoordden zij: "Indien God niet zoo hoog zat, zouden

wij ook op God schieten." Men voelt, dat tegen een dergelijk volk,

dat zelfs met gespannen haan ter vergadering met het bestuur kwam,

niet te redeneeren valt en alleen door geweld tot rede is te brengen,

zooals thans gelukkig geschied is.

De Oost-Seranners snellen sinds menschenheugenis niet meer. Wel

beschuldigt men hen van met vergif hun tegenstanders om het leven te

brengen. Ook komt het bij hen wel voor, dat men op zijn tegenstander

"in effigie" schiet, in de overtuiging dat hij dan gedood zal worden

of minstens een ongeluk zal krijgen. Een hoofd van daar zeide, terwijl

hij de zachtere zeden van zijn volk roemde, met een eigenaardigen term:

"wij zijn de "behagian perampoean" (vrouwenafdeeling)."

Nog eene eigenaardigheid is, dat men te Maréhoenoe, wellicht

daartoe genoodzaakt door ons streng verbod om koppen te snellen, zich

vergenoegde om in plaats daarvan iemand in den slaap een vlok haar af

te snijden [18], terwijl hier en daar in de negorijen aan de kust om

dezelfde reden een nieuwgebouwde baileo niet geheel wordt ingedekt,

omdat anders een kop zou moeten worden gesneld en men thans een paar

atappen aan de nok weglaat, om aldus den adat te kunnen ontduiken.

Een kwaad, dat in den loop der tijden is ingeslopen, is het "zenden

van den parang" d.w.z. men belast een Alfoer, een vijand uit den weg

te ruimen, door hem een of ander voorwerp in pand te geven. Bijna

uitsluitend maken de strandbewoners hiervan gebruik om hunne veeten te

beslechten, terwijl de schuld van den moord op de Alfoeren valt. Het

is nog niet zoo lang geleden, dat het Bestuur de ware toedracht

van zaken in dergelijke gevallen ontdekte en den zedelijken dader

als hoofdschuldige aan de kust zocht. De expeditie van 1875 was het

gevolg van een dergelijk misdrijf (zie Hoofdstuk I). De Alfoer, die

de opdracht tot snellen ontvangt, kan zich daaraan niet onttrekken,

daar dit zijne eer te na zou komen. Mocht al vroeger in werkelijkheid

hem daartoe een parang gezonden worden, tegenwoordig geschiedt het

symbolisch.

Het snelpand bestaat uit een kogel, een steentje e.d.; als men den

Alfoer wil beletten om lang te dralen met het uitvoeren van die

opdracht, geeft men als snelpand eenige schaamharen in een lapje

gewikkeld. Toen wij krachtiger met den troep begonnen op te treden,

begrepen de Alfoeren, dat op die wijze zij altijd het kind van de

rekening zouden zijn, waarom verscheidene snelpanden ingeleverd werden

te Wahaï, zij het dan ook na vele beraadslagingen en overreding van de

zijde van het bestuur. De aanstokers tot dergelijke euveldaden, onder

wie Mohammedanen en zelfs Christenen zijn, behooren immer ten strengste

te worden gestraft, wil men een einde aan deze praktijken maken.

Het feit echter, dat de ambtenaar moet rechtspreken volgens het wetboek

van strafrecht voor Inlanders en het politiestrafreglement, evenals

in eene beschaafde maatschappij, maakt het bestraffen der zedelijke

hoofdschuldigen moeilijk, dikwijls onmogelijk. Ook met het berechten

van vele andere zaken is dit het geval, daar het vanzelf spreekt, dat

bij allerlei geschillen, waarin de adat een hoofdrol speelt, niet alle

formaliteiten van het gewone recht kunnen worden vervuld. Het instellen

van eene landsrechtbank voor Seran is mijns inziens voorloopig zeker

een vereischte ter behandeling van dergelijke zaken.

Uit de beschrijving van het koppensnellen blijkt, dat de Alfoer, wil

hij zijns gelijken besluipen, bijzonder geschikt moet zijn om zich

behoedzaam door de wouden te bewegen en snel daarin te verdwijnen. Den

reiziger verrassen dan ook de lichamelijke eigenschappen van dezen

echten zoon des wouds. Hij heeft een scherpen speurzin, weet aan

allerlei teekenen zijn weg te vinden of een spoor te volgen en kan

ongeloofelijk hard loopen. Een marsch, door een goed geoefende

troep in twee en een halven dag afgelegd, volbracht een Alfoer,

die met een bericht belast was, in één dag en in de gevechten op

den tocht naar Roemah Soal (1904) werd geen enkele Alfoer gezien,

ofschoon zij altijd onzen troep op zeer korten afstand (van 10-20

passen) bevuurden en gewonden toebrachten, terwijl zij zich steeds

aan vervolging wisten te onttrekken.

Zij kozen daartoe hunne opstelling meest op hellingen van ravijnen,

waarin zij zich na het afgeven van hun schot, maar een eind lieten

afglijden of vallen, hetgeen dien boschmenschen mogelijk is. Ten einde

zich minder zichtbaar te maken, steken zij bladeren en takken tusschen

de banden van den hoofddoek, in den gordel en tusschen de armringen.

De taaiheid van den Alfoer is groot. Een Alfoersche gids kreeg een

doorgaand schot door de borst, even boven den rechter longtop. Tot

onze verbazing zagen wij, dat de man, die niet eens viel, bedaard

ging zitten en een stukje suikerriet begon te kauwen, terwijl hij

op het aanleggen van een verband wachtte. Nadat dit geschied was,

marcheerde hij weer mede gedurende twee dagmarschen, waarbij de tocht

door moeilijk hooggebergte ging en toen hij later in het hospitaal

werd opgenomen, genas hij binnen twee weken volkomen.

Een andere Alfoer had een buikschot gekregen, waardoor een gedeelte

darm naar buiten was getreden. Toen na eenigen tijd de dokter toevallig

ter plaatse kwam, bevond deze, dat de wond genezen was en de darm,

dien men daarbuiten had gelaten, was afgestorven en vanzelf wel zou

afvallen of vergroeien, zoodat de operatie (daar ter plaatse trouwens

bijna ondoenlijk) kon achterwege blijven.

Wij halen nog eenige zinsneden uit Prof. Martin's werk aan, om te

doen zien, dat ook op hem de natuurlijke behendigheid van den Alfoer

grooten indruk maakte. (blz. 129)

"Bald war ich in der Lage, die Geschicklichkeit und Kraft der Alfuren

auf dem Waldpfade bewundern zu lernen; denn obwohl ich schon unter

gleichen Verhältnissen mit Negern und Indianern gegangen war, so hatte

ich doch bis dahin Ähnliches noch nicht gesehen. Dasz die Eingeborenen

umgefallene Bäume nicht als ein Hindernis im Wege betrachten, ist ja

selbstredend; aber erstaunt war ich doch zu bemerken, wie sie ohne

Weiteres in deren Äste hineinkletterten, wenn sie zu mehreren ein

Gespräch führen wollten und ihnen der enge Pfad keinen genügenden Raum

zum Beieinanderstehen bot. Das ging so bequem von statten, als stiegen

sie eine Treppe hinan und da saszen denn die Leute gleich Affen in den

Zweigen um sich mit den am Boden stehenden zu unterhalten. Ansehnliche

Äste, welche ihnen im Wege waren, schlugen sie so mühelos mit einem

Schlage ihres Parangs herunter, dasz ich seither an die Behauptung

glaube, es vermöge der Alfure einen Menschen ohne Umstände durch

einen einzigen Hieb zu köpfen."

Medicijnen en Ziekten. Medicijnen zijn zoo goed als onbekend. Bij

verwondingen gebruikt men wat klei of eene pap van gekauwde

bladeren, die men daarop legt, aldus dikwijls ernstige verzweringen

veroorzakende. Het geneesmiddel voor alle kwalen der Alifoeroe is

eene soort netel "daon gatal", waarmede bij hoofd-, oor-, buikpijn

enz. de zieke deelen worden ingewreven. Ook de Alfoer op marsch is

er doorgaans van voorzien. Bij eene rust wrijft hij er zijne magere

kuiten mede in en beweert, dat zoodoende de vermoeidheid dadelijk

verdwijnt. Eene proefneming deed mij daarvan niets bemerken, wel dat

het blad een scherpen jeuk veroorzaakte, die gelukkig spoedig verdween.

Iets waaraan zeer vele Alfoeren, tengevolge van de onreinheid op

hun lichaam lijden, zijn huidziekten, bekend onder den algemeenen

naam van "kaskado". Sommige lieden zien er geheel grauw uit door

deze schurftsoort, die eene schubvorming van de huid veroorzaakt en

waardoor soms geheele ringvormige figuren op borst of rug worden

geteekend. Zelden doet men hier wat tegen; de geneeswijze is het

afschuren met zand en zeewater en daarna berooken.

Velen stellen zich gaarne onder behandeling van den Nederlandschen

geneesheer en het besmeren met salicyl of jodium doet den Alfoer om

de bijtende werking, vergenoegde grimassen trekken. Ook elephantiasis

komt vrij veel voor. De lijders beweren, dat zij door het loopen

in de modderige strandlagunen b.v. het opgezette been gekregen

hebben. Berooking is ook het eenige middel, dat zij daartegen

aanwenden. Verder lijden vooral kinderen aan frambosiae, "boba"

geheeten, die een afzichtelijken uitslag, vooral om den mond vormt. Bij

verscheidene kinderen komt het voor, dat de mond daardoor tot op eene

zeer kleine opening na, geheel dichtgroeit, zoodat de lijder niet kan

spreken en met moeite zijne sagopap kan opslurpen. Te Wahaï werden

een paar van dergelijke vergroeingen door den officier van gezondheid

geopereerd, tot groote verbazing der Alfoeren. Eigenaardig was, dat

de patiënten toen opnieuw moesten leeren spreken en zij (een man en

een opgeschoten jongen) in den aanvang onverstaanbaar waren.

Lepra komt zeer weinig voor; in de afdeeling Wahaï b.v. konden wij

(als leek) slechts 7 lijders op de ± 11000 inwoners erkennen. De

Alfoeren zonderen een lepralijder vrij streng af en hebben dus de

besmettelijkheid van die vreeselijke ziekte wel ingezien. Te Kalowa,

aan den bovenloop van de Isal, toonde men mij zulk een ongelukkige,

die naar men zeide, de laatste was van een kleinen stam, waarvan

de leden allen aan lepra waren overleden. De afzondering was hier

gedeeltelijk; de man moest wel alleen wonen en eten, doch men stond

hem toe ook in andere huizen te verwijlen.

Tegen de kinderpokken, die op Seran epidemisch zijn, hebben de

Bergalfoeren geen geneesmiddel. Komt een geval in de negorij voor, dan

vlucht men het bosch in. De strandnegorijen, waar de bewoners zich niet

willen laten inenten, sluiten dikwijls door middel van péléteekens

zich van alle verkeer af, indien de pokken zich in de nabijheid

vertoonen. Zeer velen laten zich echter door den vaccinateur, die

gedurig de kustnegorijen langs reist, inenten. Hun aantal wordt steeds

grooter, daar zij het vaccineeren als een deugdelijk voorbehoedmiddel

hebben leeren kennen.

Opmerkelijk is, dat vele Alfoeren, die zich volstrekt niet willen

laten inenten, meenende dat het geheim van het middel alleen in de

overblijvende litteekens zit, zichzelf door middel van brandend zwam

van litteekens op den bovenarm voorzien.

Begrafenis. De Alfoeren aan de Noordkust begraven bijna allen

hunne dooden, door ze in eene zittende houding samen te binden met

gemoetoetouw en ze in die houding in een kuil leggen. In het Westen

worden de lijken naakt ter aarde besteld, terwijl in de omstreken

van Noniali dikwijls sieraden of borden mede in het graf worden gelegd.

Over geheel Seran wordt het graf niet door eenig teeken kenbaar

gemaakt, wel worden ten bewijze van rouw borden, gongen en andere

artikelen daarop gebroken en neergeworpen. Verder kijkt men niet naar

de graven om, doch zooals gezegd is, moet de negorij eenigen tijd

rouw dragen door niet te spelen of te zingen, ja zelfs komt het op

West-Seran voor, dat men in het dorp niet eens luide mag spreken.

De Patalima leggen hunne dooden op parra2 in het bosch; dat zijn

manshooge staketsels van stokken en takken vervaardigd. Een honderdtal

passen daar omheen is dan de grond pamali verklaard. Ook de Nisawélé

behandelen het lijk op die wijze, als de overledene door moord is

gevallen, terwijl zij ook nog het gebruik kennen, volgens hetwelk

men het lijk van iemand, die b.v. uit een boom dood is gevallen, op

dezelfde plaats laat liggen, omgeven door een hekwerk van takken. Bij

alle stammen wordt zoolang het lijk nog in huis is, geweeklaagd en

gehuild door verwanten en vrienden.

Men zou in de gelegenheid moeten zijn eene begrafenis geheel bij te

wonen, om van de verschillende gebruiken daarbij op de hoogte te komen,

want de Alfoeren zijn op dit punt nogal geheimzinnig.

Muziekinstrumenten. Van de muziekinstrumenten noemen wij: de tifa,

eene uit een uitgeholden arènstam vervaardigde kegelvormige trom,

waarvan de grootste opening bespannen is met een hertenvel. Zij wordt

met een stok geslagen.

Enkele Alifoeroe bespelen de rebab. Eene lichte bamboe wordt aan het

eene einde voorzien van een halven klapperdop met een hertenblaas

overtrokken en hier over een garen gespannen.

Deze soort viool wordt met een bamboeboogje, waarvan de snaar uit

garen bestaat, bespeeld. Het voortgebracht geluid is echter bijna

onhoorbaar en van melodie is ook niet veel te bespeuren. De gong

heeft den gewonen vorm, de waarde wordt berekend naar het aantal

vingerspannen, dat zij groot is. Behalve als muziekinstrument

dient zij ook als betaalmiddel. Verder gebruiken de Mohammedaansche

strandbewoners nog de gewone rebana en een fluitje, waarop zij echter

maar enkele zonderlinge melodieën, eigenlijk alleen bestaande uit eene

aaneenschakeling van trillers en triolen, kunnen ten gehoore brengen.

Tot het begeleiden van plechtige gezangen bezigen de Alifoeroe

nog stukken bamboe en groote kinkhoorns, tahoeri, waarin gaten zijn

gemaakt en waarop zij blazen. De enkele toon, die voortgebracht wordt,

is gelijk aan dien van een misthoorn.

In de bergen dient die kinkhoorn tot het geven van signalen en men

krijgt door den adem in te halen en uit te stooten een dubbelen

toon. Het blazen op dit instrument vereischt eenige oefening.

Liederen. Evenals vele volken van den Indischen Archipel bezit ook

de Seranner een zeer groot aantal pantoens, vierregelige versjes,

die meestal verliefde ontboezemingen bevatten en wier aantal gedurig

vermeerdert door improvisaties, die dichterlijk aangelegde jongelieden

gedurende het zingen ten beste geven.

De eigenlijke pantoens zijn in het maleisch opgesteld en worden bijna

uitsluitend door de Christen-Alfoeren gezongen bij hunne dansen en

feestelijkheden.

De meeste van deze liedjes en de melodieën daarvan zijn ook op

de Oeliassers bekend en naar alle waarschijnlijkheid van daar

ingevoerd. De zangwijzen zijn doorgaans zeer melodieus, doch tevens

zeer kort, zoodat het tot in het oneindige herhalen daarvan ten slotte

vervelend wordt, indien niet improvisaties en ondeugende toespelingen

de aandacht blijven gaande houden.

Wellicht leerden de Amboneezen deze melodieën van de Portugeezen,

doch de mogelijkheid bestaat ook, dat dit muzikale volk verscheiden er

van zelf componeerde. Als voorbeeld van eene zangwijze die algemeen

op Zuid- en West-Seran, doch weinig of niet op Ambon gezongen wordt,

diene de volgende:

Ra-meh den dang den dang la be den dang den dang ra sa

sa jang sa jang ba dan é é ba dan é la boe ang

ba dan la é ka ma ri ba ik ba ik a da ma ni sé O.C. ad inf.

Dit is het aanhefcouplet van eene reeks pantoens, waarin de woorden

rasa sajang badané en baik-baik ada manisé telkens worden ingevoegd,

welke moeilijk vertaalbare uitdrukkingen zijn, die letterlijk

beteekenen "medelijden met zijn lichaam (hebben)" en "goed (gedaan) is

het lief". De strophe zal ongeveer beduiden "laat ons lustig zingen en

beweeg het lichaam sierlijk" (n.l. bij het dansen). Zoo krijgt men o.a.

soengoeh bagoes senapan ini, ini rasa sajang enz.

soedah memboenoeh saèkor roesah, baik, baik enz.

soengoeh bagoes toean ini enz.

soedah memboenoeh hati njang soesah enz.

(voorwaar dit is een fraai geweer

het heeft reeds een hert gedood,

voorwaar dit is een schoone heer

hij heeft reeds harten gebroken.)

of:

Orang mengaïl di bawah boelan

Rasa aroes toma sadikit

Soedah patai la maoe poelang

Rasa rameh tinggal sadikit.

((Indien) men in den maneschijn vischt

(en) de stroom voert u weg, roei een beetje daartegen in

gij wilt afscheid nemen om naar huis te gaan

(doch indien) gij het vroolijk vindt, blijf dan nog een beetje).

Innige gevoelens spreken uit de beide volgende liedjes:

Tanam melati di roemah roemah

Oeboer oeboer sapingang doea

Kaloe mati kita bersama

Satoe koeboer kita berdoea.

(Plant melati's voor de huizen

Twee oeboer2 (zeedieren) op één schotel(?)

Indien wij sterven, dan te zamen

In een graf (zullen) wij beiden (liggen)).

Tanam padi di tanah ombong

Saèkor linta di dalam pedati

Poetoes tali boleh di sambong

Poetoes tjinta di minta mati.

(Plant padi op de landengte

In de kar bevindt zich een bloedzuiger

(Indien) een touw breekt, kan men het aan elkaar knoopen

(Indien) de liefdeband breekt, is het beter te sterven.)

en zoo zouden wij nog ettelijke bladzijden kunnen vullen met deze

liedjes, die niet alleen bij het menari (dansen) gezongen worden,

doch ook in de "billets doux", die de jongelingen en meisjes elkander

druk toesturen, hunne rol spelen, ten einde den brief te versieren

en teerdere gevoelens uit te drukken.

De pantoens, die in behasa of dialect gezongen worden, zijn niet

talrijk. Meestal zijn het de Mohammedanen, die ze bij hun menari

zingen, terwijl de zangwijzen veel eentoniger zijn dan die der

maleische pantoens. Onder de verzamelnamen Makonaga, Magogoro en

Tawal worden reeksen van deze gedichten in de volkstaal begrepen. Daar

de gebezigde taal meestal niet meer gesproken wordt, (behasa doloe)

weet men niet immer de juiste beteekenis van vele woorden en is de

zin dikwijls duister. Als proeve moge hieronder de melodie en een paar

coupletten van den Tawal volgen, zooals die te Piroe gezongen wordt,

welke liederenreeks, zij het dan ook hier en daar gewijzigd in taal

en zangwijze, vrij algemeen bekend is.

A jo ta-wal ta-wal koe toek é é e hé ka-ra

njoe loe ka ra njoe loe dja ha na a ma. D.C. ad inf.

waarvan de beteekenis is: "vervloekt zij het hoofdkussen en de mat,

die mij verlokten tot zonsopgang te blijven rusten!"

Niniajé loeaé simaloeti loemah hatoe

Nahoemata kédjanèla

(Twee vrouwen opgesloten in een steenen huis loerden door de vensters

(jaloezieën).)

Raä soësirié imanahoea rosabankoe

Rota loea ratjilaka.

(Van buiten klimt (iemand) binnen, valt op de rustbank Twee menschen

werden daardoor ongelukkig.)

Of dit een aaneengeschakeld verhaal is van een eertijds gebeurd

voorval, dan wel op zich zelf staande pantoens zijn, is niet goed

te begrijpen. Dikwijls ziet men bij het laatste couplet de meisjes

schalksch lachen, zoodat men aan dat vallen op die rosabankoe (eene

verbastering van rustbank) eene erotische beteekenis mag hechten.

Ook brokstukken van het aloude Séri Kambélolied (zie later) worden

op deze wijze gezongen; op West-Seran schijnt men het niet meer in

zijn geheel te kennen, te Wahaï daarentegen wel.

De liederen der Berg-Alfoeren zijn meer krijgszangen of legenden

en hoewel de melodie doorgaans uit slechts weinige noten bestaat,

is het door het gedurig door de woorden heengeweven hiaho!, alsmede

door de toevoegsels é en o, zeer moeilijk, om de melodie te onthouden

en op te teekenen; een phonograaf zou hierbij goede diensten kunnen

verleenen. Het aantal roeiliedjes is vrij groot en iedere Afdeeling

heeft daarvan hare eigen woorden en wijzen. Echter is één roeilied

over geheel Seran, Boeroe en de Oeliassers bekend n.l. dat, waarvan

het refrein luidt:

Ko-lé ko-lé o rem ba ai ko-lé

ra dja pa tih ta nah ba rat o rem ba ai ko lé

"roei voort, orembaai, roei voort, hoofden van het westen, orembaai,

roei voort."

Een zeer oud roeiliedje, dat waarschijnlijk uit den tijd der

hongitochten dagteekent en ook op Ternate en Djailolo bekend is,

luidt als volgt:

Ka-ra dja na kom pa ni a kang gé la djo

wé o djo wé la djo wé o kang gé la djo wé. D.C. ad. inf.

hetgeen beduidt: "Het werk voor de Kompania is zwaar, ja zeer

zwaar!" waaruit dus nog immer een verwijt spreekt, dat uit de tijden

van de Vlaming tot ons is overgekomen.

Vroolijker is echter het onderstaande liedje, dat algemeen gezongen

wordt bij het hela rotan (touw trekken), wanneer bij helderen

maneschijn en onder prikkelenden tifaslag jong en oud op de been komt

om aan het geliefde spel deel te nemen

He la, he-la ro-tan e ro-tan e ti-fa dja-wa dja-wa e ba

boe ni he-la ro-tan he-la ro-tan soe-dah poe toes oe djong

doe-wa doe-wa ba koe da pat he la ro-tan he-la

ro tan soe dah poe toes oe-djong doe wa doe wa ba koe da-pat!

d.w.z.

"Touw trekken, touw trekken

De Javaansche trom luidt reeds.

Trek er aan, mocht het breken,

Dan komen de einden weer bij elkaar!"

(worden weder vastgeknoopt).

Maar merkwaardig is het, dat dit primitieve volk zonder litteratuur of

schriftgeleerden en letterteekens, toch ook zijne klassieke liederen

heeft, bewaard in twee zangen, die van ouder op ouder over zijn gegaan

en die waarschijnlijk reeds in het jaar 1652 zijn ontstaan. In de

twee liederen "Séri Kambélo" en Patinama, wordt namelijk bezongen

de strijd, dien de bewoners van het schiereiland Sial streden

tegen de O.I. Compagnie, die aldaar onder Vlaming de kruidnagel en

notemuskaatboomen kwam verwoesten. In het eerstgenoemde lied wordt

verhaald van het bouwen van verschansingen en het veroveren daarvan

door onze troepen, die de vrouwen molesteerden, zoodat iedereen

vluchtte.

Het tweede, de lijkzang op den Seranschen held Patinama laten wij,

zooals deze te Wahaï gezongen wordt, voor de eigenaardigheid en om

een denkbeeld van de taal te geven, hieronder volgen, naast eene zoo

letterlijk mogelijke vertaling. De melodie, waarop deze liederen

door de ouderen van dagen gezongen worden, is zeer eentonig, toch

is er iets plechtigs in de wijze van voordragen, met begeleiding van

doffe rebanaslagen.

Patinama.

Sial soeli panoeja lani lété létéroewa rimbaloeli

Hoesa posi nahoewaroe, Hoetoe rimba loa.

Nalahamba élarita, awé moea hinia hitoe

Wawé moegagoeroe loea Hité kaoelé manélatoe

Hita kaoelé koro bangoe, laoe noesa jéla

Nalahamba élarita

Sio, Sio Patinama

Patinama toö jea.

Laoenala roembajéa nasilélé kadir

Nalahoeta rimba loa posihala

Nasisoelé koeboer, laoenala moeloe jea

Solotania rési rési, solotania ké Batjan

Solotania ké Tadoré, solotania ké Djailolo

Solotania Térinaté, solotania Paimoeli

Sio, Sio Patinama,

Patinama toö jea.

Nalahamba élarita wawé moeroe néna hitoe

Pasé toeoe manésia, wawé soenggi tésaloso

Nalahoeta rimba mai, tjoetji koeboerésia

Nasi batja talakine, nasi hala janesio

Nalaléa mataoe soö, nalaléa mataoe wéli

Nalaléa mataoe koko, nalahamba élarita

Sio, Sio Patinama

Patinama toö jea.

Patinama's lijkzang.

Verlaten lag toen Sial en het sprak: maak U op (ter lijkvaart)

En de prauwen werden in zee geduwd door 50 mannen

Aldus luidt het verhaal. Zijn zeven geliefden volgden.

Ook zijn vader en moeder. En men offerde eene witte kip

En offerde eene geit op het groote eiland (Kelang)

Zoo luidt het verhaal.

Helaas, helaas, Patinama

Patinama de doode!

Zijn naam is verdwenen. Zijne baar wordt van klamboes voorzien

Vijftig mannen waren er om hem te dragen

En groeven het graf. Verdwenen is zijn naam,

Hij, de glansrijke Sulthan, zooals die van Batjan.

Even hoog als de Sulthan van Tidore en van Djailolo

Zoo hoog als de Sulthan van Ternate, was hij, Sulthan Paimoeli

Helaas, helaas Patinama

Patinama de doode!

(En) zoo luidt het verhaal: De zeven soa (stammen) waren dáár

Die wikkelden het lijk in rijke stoffen.

Vijftig mannen groeven het graf.

Toen las men den lijkzang, en daarop nam men hem op

(Dit duurde) van dat de zon opging, totdat de zon in het midden stond,

Totdat de zon onderging. Aldus luidt het verhaal.

Helaas, helaas Patinama

Patinama de doode!

De beschrijving van alle liederen en melodieën zou echter weder eene

studie op zichzelf kunnen worden en wij willen met de bovenvermelde

hier volstaan, alleen is wellicht nog meldenswaard, dat evenals bij

ons, ook de jeugd hier hare onwijze rijmpjes bij het spelen bezit,

waarover men zich verwondert, hoe of die toch ontstaan zijn. Als een

tegenhanger van het "klassieke" "onder de groene boomen, daar ligt

een Engelsch schip" onzer jeugd, kan b.v. dienen:

Boelan di dalam pajong

Tataroega betelor

Nonna datang dari ambon

Minta kawin di kantor.

Kawin baik baik

Laki-laki beredom

Kembang apa

Kembang pérak

Anak laki-laki

Djangan takoet mati

Anak perampoean

Mati di haloewan.

De maan is in een ring (letterlijk paraplu)

De schildpad is aan 't eieren leggen.

De juffrouw, die uit Ambon komt

Wil trouwen op 't kantoor.

Trouwen in den vorm.

De mannen slaan op de tifa.

Wat voor bloemen?

Zilveren bloemen.

Jongens,

Weest niet bevreesd te sterven,

Meisjes

Sterven op den voorsteven.

Doch hoe zinledig het versje ook moge zijn, de kleinen hebben er

niet minder pleizier in om het gezamenlijk op te dreunen en het is

een aardig gezicht, die halfnaakte, tengere figuurtjes daarbij in

den maneschijn in een kringetje gehurkt te zien zitten.

Dansen en spelen. De Alifoeroe zijn hartstochtelijke liefhebbers van

feesten en zij grijpen iedere gelegenheid tot feestvieren met graagte

aan. Wordt b.v. een hoofd bevorderd, dan duren de feestelijkheden

minstens eene volle week en de Christen-Alfoeren vieren het

Nieuwjaarsfeest soms wel veertien dagen lang! De dansen vangen

ongeveer te 8 uren des avonds aan of ook wel eerder en moeten duren

tot den volgenden zonsopgang, waarna men op West-Seran een rondgang

maakt door het dorp, om de jongelieden, die weg zijn gebleven of weg

zijn gegaan, eene boete op te leggen. Voor de ambtenaren of reizigers,

die men aldus eene beleefdheid meent te bewijzen zijn die dansen eene

wanhoop, daar men zich, wil men de menschen niet grieven, niet te

spoedig kan verwijderen en dan toch het luide gezang en het gedreun

der tifa, den geheelen nacht den slaap uit de oogen verdrijft.

Om de dansenden heen groepeeren zich de negorijbewoners en blijven,

in hunne sarongs gewikkeld, tevreden toeschouwers gedurende den

geheelen nacht. De kinderen leggen zich van tijd tot tijd te slapen

en liggen dan tusschen het publiek verspreid, terwijl zorgzame moeders

en verwanten als het noodig is, oprijzen om wat aan de kleeding hunner

dansende dochters te verschikken of te verbeteren.

Voor ons Europeanen is echter het uit den treure herhalen van dezelfde

eentonige zangwijzen en eenvoudige dansbewegingen machtig vervelend,

al vindt men het in den aanvang belangwekkend. Het leek mij toe, dat

bij de kahoewa de deelnemers door hun voortdurend langzaam schuiven

om een middelpunt, eigenlijk zich zelf biologeeren en daardoor in

staat zijn om die beweging uren lang achter elkaar vol te houden.

De algemeene dans der Alifoeroe is de "Kahoewa"; ofschoon bij de

verschillende stammen eenigszins van elkander afwijkend, is de wijze

van dansen en ook de begeleidende tifaslag bij allen dezelfde.

De kahoewa bestaat uit het vormen van een grooten kring om de in

het midden gezeten tifaslagers. Bij de strandbewoners komen in

de rij afwisselend een jongeling en een meisje; deze dans wordt

n.l. alleen door jongelingen (ngoengaré) en maagden (djodjaro)

gedanst. De jongelingen reiken elkaar de hand. Het meisje steunt

met den rug tegen hunne saamgevoegde handen en vat hare buurlieden

bij den gordel. Nu wordt op de maat van den tifaslag met eenvoudige

pasjes om de tifaslagers heen bewogen; de meisjes begeleiden het

koor, dat na elk couplet van den voorzanger invalt, met het geklink

van de koperen ringen om hare enkels. Daar deze dans, zooals gezegd

is, van zonsondergang tot zonsopgang duurt, bijna zonder verpoozing,

zoo zijn de enkels der meisjes altijd opgezwollen en bij velen zelfs

bloedig ontveld en kunnen de ringen in de eerste dagen niet verwijderd

worden. Toch nemen de meisjes met hartstocht aan de kahoewa deel.

De dansers zijn bij de Alifoeroe uitgedost met fantastische

hoofdtooisels van vederen en geheel behangen met kralensnoeren,

de meisjes schikken zich kabelbont op met drie rokjes over elkander,

terwijl zij over haar baadje een tweede los omgeslagen dragen; hiervan

hangen de mouwen, waarin een knoop gelegd is, over de armen der

mannen, dit met het doel, om als het meisje zich bukken moet om haar

enkelringen te verschikken, de mannen haar aan de losse mouwen kunnen

vast blijven houden, waardoor de dans niet onderbroken wordt. Het

is een grappig gezicht, die meisjes als aan leidsels vastgebonden,

bukkende, te zien voortschuiven. Wordt de kring der dansers zeer groot,

dan vormt men een spiraal.

Bij vele Alifoeroestammen staan de meisjes niet tusschen de

mannen, doch vormen een kring, binnen den kring der mannen. Zij

leggen dan de samengevouwen handen op den linkerschouder van hare

rechterbuurvrouw en neigen het hoofd ter aarde, zoodat die langzaam

zijdelings voortschuivende kring meisjes een bedeesden, zedigen indruk

maakt. De kahoewa is eigenlijk een krijgsdans, die gehouden werd na

een gelukten sneltocht. De verkregen koppen werden dan in het midden

van den kring gelegd.

Als wij aan de Berg-Alifoeroe verzochten om de kahoewa te zien, werden

altijd eerst verontschuldigingen gemaakt over den aard der dans. De

Alifoeroe zijn er zeer op gesteld dat wij officieren deel nemen aan

de kahoewa. Zoodra men in den kring plaats neemt, barsten allen in een

luid gegil (menjélé) los en doen eenige fanatieke sprongen voorwaarts,

daarbij met den rechterhiel met nadruk op den grond stampende. Deze

sprong komt echter ook telkens in de kahoewa voor, de meisjes nemen

daaraan geen deel. De coupletten van den zang behelzen verhalen van

vroegere tochten en zijn zooals gezegd werd gesteld in de behasa doloe

(oude taal). Bij de Alifoeroe is de zang dikwijls zeer welluidend, bij

het refrein "hia ho" klinken hunne stemmen zeer helder en metaalachtig.

De stam Pasinalo zingt zelfs driestemmig en op eenigen afstand gehoord,

maakt het gezang wel eens den indruk van een harmoniumgeluid.

Bij de West-Alifoeroe zijn het meestal oude vrouwen die als tifaslagers

en voorzangsters optreden.

De Alifoeroe van Lisabata Wahaï stellen zich ook wel stervormig

op. Elke straal van de ster wordt door vier mannen gevormd, die

arm in arm voor- en achteruit springen. Deze dans wordt "loemaulai"

genoemd. Na elk couplet slaat de tifa snelle slagen achter elkaar,

waarop allen onder een lang gerekt Oh! onordelijk rondloopen om

dadelijk den danspas te hervatten, als de tifa het sein daartoe geeft.

De Oostelijke Alifoeroe kennen den "séwa". Deze dans bestaat in het

uitvoeren van een beurtzang, waartoe de deelnemers in twee groepen gaan

zitten en het er voor de eene groep op aankomt, op de improvisatie

door de andere groep gemaakt, dadelijk te antwoorden. De begeleiding

geschiedt op een tifa van meer dan een vadem lengte. De Alifoeroe van

Oehé Kachlakin verstaan ook onder den Séwa een dans, waartoe men zich

op twee gelederen tegenover elkaar opstelt; beurtelings maakt een

der partijen eene diepe kniebuiging en springt daarna met gesloten

hielen loodrecht op en neer en heen en weer, hetgeen een bijzonder

dwaas schouwspel is. De deelnemers lachen er trouwens zelf om. In de

handen houdt men een bos aaneen geregen pitten, die dan een ratelend

geluid maken. Als men dezen dans in het maanlicht ziet uitvoeren,

krijgt men den indruk, alsof de Alifoeroe hem hebben afgezien van

spelende kasawari.

Verder kennen alle Alifoeroe den tjakalélé of krijgsdans met zwaard

en schild, waarbij een spiegelgevecht wordt uitgevoerd.

De strandbewoners doen nog aan de menari, ingevoerd uit Amboina en

aan het "hela rotan" afkomstig van het "tug of war" onzer matrozen.

Tot de menari stellen de meisjes bij drieën of vieren, zich op

en bewegen dan, zonder van de plaats te gaan, onder het op de maat

zachtjes buigen der knieën, de armen langzaam, één voor één omhoog en

weder omlaag, terwijl tevens het lichaam langzaam eenigszins rechts

en links wordt gewend. De oogen worden daarbij hardnekkig naar den

grond gericht. Sommigen voeren deze uiterst langzame bewegingen niet

zonder gratie uit. De mannen zijn wat vrijer in hunne bewegingen en

schuiven om de meisjes heen, eveneens onder het zwaaien der armen.

Het orkest, uit eenige rebana's, tifa's en een gong bestaande, zingt

met die begeleiding de aloude liederen, echter bijzonder leelijk,

dikwijls is het een afschuwelijk geblaat, wat ten gehoore gebracht

wordt, d.w.z. als het Mohammedanen zijn.

Bij het "hela rotan" verdeelt men zich in twee partijen, die, aan

een lange rotan trekkende, elkander zoeken te overmeesteren. Dit spel

geschiedt alleen bij volle maan.

Op West- en Zuid-Seran kent men nog een dans makko of kairori

genaamd. Hiertoe stellen de deelnemers zich tegenover elkaar op en

leggen de armen gestrekt op elkanders schouders; een jongetje of

meisje kruipt nu langzaam over die brug van armen heen. Het paar,

dat het kind voorbij is, gaat hand aan hand onder wiegelende, soms

potsierlijke danspassen naar den anderen kant der rij, om daar weder

plaats te nemen enz. Dit alles gaat met gezang en tifaslag gepaard. Wat

of dit spel eigenlijk te beduiden heeft, wist men niet goed uit te

leggen. Het kind moet een koesoe2 voorstellen.

Enkele negorijen zooals Hatoé, Boano en Loehoe voeren soms de menari

kipas en menari parisi uit. Bij de eerste hebben de deelnemers

een waaier of een bos casuarisvederen in de hand en voeren, in

twee rijen opgesteld, onder aanvoering van een voordanser, die de

vroeger beschreven lans in de hand houdt, gelijktijdig de gewone

menaribewegingen uit; hierbij zijn de dansers van kleine schilden

voorzien, die met bont papier zijn beplakt, terwijl de deelnemers

soms schilderachtig en sierlijk zijn uitgedost.

Deze dansen hooren echter eigenlijk op de Oeliassers thuis.

Groeten. De Alfoer is niet van zekere hoffelijkheid ontbloot en meestal

brengt hij zijn groet door het opheffen der rechterhand ter hoogte

van het hoofd, wellicht eene nabootsing van het militair saluut. De

Mohammedanen maken hierbij nog eene lichte buiging, terwijl de meer

beschaafden zelfs hunne muts afnemen, hetgeen zeker al zeer zonderling

is en onvereenigbaar met de Mohammedaansche gebruiken.

De Christenen vouwen de handen samen voor den schoot en maken dan

eene kleine kniebuiging, zooals onze ouderwetsche "knix".

Te Manéo begroeten de Alfoeren elkander bijzonder hoffelijk. Met eene

sierlijke buiging legt men de linkerhand op de borst, terwijl met

een bevalligen zwaai de rechter uitgestoken wordt voor den handdruk

of liever de handbetasting.

Zeer eigenaardig was de groet, dien ik zag wisselen tusschen hoofden

van Wae Rama en Nisawélé. Zij vatten elkanders rechterhand, drukten

die beurtelings tegen elkanders borst en streelden elkander daarna

langs de wang om met een kort rukje aan den sikbaard, dien zij daartoe

erop na schenen te houden, den groet te beeindigen.

Op West-Seran spreken de Alfoeren hunne meerderen en hoofden aan met

het woord "oepoe" (ook op Celebes bekend), terwijl men op Midden-Seran

daartoe het woord "kamaré" bezigt.

Vrouwen van Regenten worden aangesproken met "njora", zeker afgeleid

van het Portugeesche senhora, terwijl hunne dochters worden genoemd

nonna, hunne zonen njong.

De strandbewoner is doorgaans overdreven nederig in zijne

beleefdheid. Zal hij U b.v. uitnoodigen om zijne woning met een

bezoek te komen vereeren, dan is onveranderlijk zooals bij de meeste

verzoeken, de vorm: "Ik smeek U, Heer, van Uwe schoenzolen tot aan

de kroon op Uw blanke hoofd, om heden avond mijne stinkende woning

te komen bezoeken!"

Het gekste is, dat deze woning dikwerf inderdaad "stinkende" is!

Gelijken groeten elkander niet dan met het toeroepen van een paar

woordjes. Verder spreken, vooral de Christenen, ouderen gemoedelijk

aan met vader, moeder, oom of tante. Het handen geven aan Europeanen

is algemeen en maar al te graag steekt men U de hand toe, hetgeen hoe

vriendelijk ook, met het oog op de onreinheid van die hand, dikwijls

wel bedenkelijk is!

Doch letten wij daarop niet en waardeeren wij slechts de goede

bedoeling, die eruit blijkt. De in den grond goede geaardheid en

vriendschappelijke gezindheid van den Alfoer maken, dat indien wij

ons met hem blijven bemoeien en hem beschaven, hij spoedig een even

loyale en gelukkige onderdaan wordt van Hare Majesteit als zijne

Amboineesche stamverwanten.

Het eiland Seran en zijne bewoners · 第 15 / 18 题