Godsdienst. Een bepaalden eeredienst of godsdienst hebben de Alifoeroe
niet. Bij de stammen achter Kobi en ook wel op Oost-Seran, heerscht
eene soort vooroudervereering. Men treft in een uitbouwseltje aan
de familiewoning, een of meer doodskoppen, afkomstig van gestorven
Kapitans aan. Hier worden van tijd tot tijd eenige eetwaren aan
geofferd. Bij de Halamoeristammen vindt men op het gewone rek, waarop
ook het huisraad ligt, een doodshoofd op een schotel liggen, dikwijls
met een hoofddoek bekleed. Op den weg naar Halamoeri vonden wij eene
paparisa [12], waaronder vier op schotels geplaatste doodshoofden
elkander aangrijnsden, terwijl bij den ingang van eene negorij eveneens
een doodskop op een soort tafeltje naast een parang lag. De bevolking
wist er niet (of wilde er niet) meer van te vertellen, dan dat het
aldus behoorde en dat de schedels van beroemde voorvaderen moesten
vereerd worden. Alle Alifoeroe gelooven aan goede, doch meest aan
booze geesten, de nitoe2, die in het bosch moeten rondzwerven, ook
roept men bij sommige plechtigheden de schimmen der voorvaderen aan.
De Alfoeren van het Oostelijk Seran roepen bij hunne eedsaflegging een
opperwezen "Lahatalla" [13] aan, in alle dialecten aldus geheeten. Daar
zij het gelaat alsdan opwaarts richten, zoo kan verondersteld worden,
dat die geest in den hemel wordt gedacht. Maar verder bewijst men
aan Lahatalla geenerlei eer en brengt hem geen offeranden; ook bij
uitroepen wordt die naam niet genoemd.
De westelijke Alifoeroe roepen bij hunnen eed en hunne bezweringen
zon, maan en sterren aan en erkennen Lahatalla niet. De Patasiwa
hitam hebben een soort eeredienst in het Kakihanisme. Het ritueel
wordt echter zeer geheim gehouden en v. d. Crab heeft gelijk, als hij
uitroept: "indien men 20 verschillende Alifoeroe naar het Kakihanisme
vraagt krijgt men ook 20 verschillende verhalen, terwijl ieder verhaler
beweert, dat zijne mededeelingen de juiste zijn en dringend verzoekt ze
geheim te houden." Verscheidene artikelen treft men in de tijdschriften
hierover aan met bijzonderheden, die wij geheel voor rekening van de
schrijvers moeten laten, terwijl het ons verwonderen moet, op welke
wijze de schrijvers, die met uitzondering van den heer van Ekris,
Seran slechts vluchtig bezochten, al die mededeelingen wisten te
ontlokken aan inboorlingen, die slechts ongaarne de bijzonderheden van
hun intieme leven vertellen en dan nog wel omtrent het Kakihanisme,
dat zoo geheim gehouden wordt, dat nog heden ten dage zelfs verboden is
om te vragen: "wat is dat voor een teeken op uwe borst", eene vraag,
die dengeen die haar doet op het leven kan te staan komen en bijna
zeker de oorzaak is geweest van de vernieling van Wae Samoe in 1903
door de Roemah Soal-Alifoeroe. Vreemd is het tevens, dat zelfs de
Christen Alifoeroe nog veelvuldig lid zijn van dien geheimen bond. Het
volgende kan met zekerheid omtrent den bond worden medegedeeld.
Zoodra bij de knapen de puberteit intreedt, moeten zij in den bond
worden opgenomen. Tot het aanrichten van een kakihanfeest moet
de vergunning worden gevraagd van het hoofd der negorij en van
den gouvernementsambtenaar, hetgeen zeker zonderling genoeg is,
maar het feest mag volstrekt niet in het geheim geschieden; eerst
nu tegenwoordig een dergelijk verzoek steeds geweigerd wordt, komt
het voor, dat de aanneming geschiedt bij stammen, die in de bergen
wonende, zich aan ons toezicht kunnen onttrekken.
Elke negorij van West-Seran heeft hare "maoewin", een soort priesters,
waaronder één de "maoewin besar" als opperste optreedt en de bewaker
van de baileo (raadhuis) en het kakihanhuis is. Eerst wordt onder
leiding van deze maoewin, (wier waardigheid alleen erfelijk is voor
den oudsten zoon) de mannelijke bevolking verzameld om het kakihanhuis
in orde te brengen of opnieuw te bouwen. Eene merkwaardigheid is
dat dit gebouw, op eene geschikte plaats in het bosch opgetrokken,
gedeeltelijk van eene gemetselde omwanding voorzien is, van daar
het hiervoren vermelde verbod voor den Alfoer om metselwerk aan
zijne woningen te hebben of zelfs om kalk te branden. De anders zoo
buitengewoon vadsige inboorling gaat thans met grooten ijver aan
het bouwen van den tempel en de maoewin zetten hen hiertoe nog meer
aan, door het uitdeelen van duchtige slagen, zoodat kreten van pijn
veelvuldig weerklinken. In gewone omstandigheden zou de Alfoer zich
niet zoo laten mishandelen. Is het huis gereed, dan deelt de maoewin
besar in de negorij mede, dat de jongens naar zijn huis moeten gebracht
worden en dat de vrouwen en meisjes eetwaren moeten gereedmaken. Von
Schmid vertelt ons: "Het geheele wezen van den kakian is eigenlijk
niet anders dan een bedrog der mannen om gedurende eenigen tijd lui en
lekker te leven en de vrouwen te noodzaken voor goed eten en drinken
te zorgen, waartoe deze zich niet zouden leenen zonder de vrees voor
den duivel en voor hare kinderen!"
Zulk een eenvoudig doel nu heeft het Kahihan zeer zeker niet. Bij
alle Alfoerenfestijnen wordt zeer veel gegeten en gedronken, trouwens
ook in de beschaafde maatschappij is dat veel het geval en daarom
alleen behoeft de Alfoer zich niet met een waas van geheimzinnigheid
te omhullen.
Leeken mogen het kakihanhuis tot op een tiental passen naderen; het
binnentreden is hun op doodstraf verboden. Nadat de opperpriester de
knapen weggevoerd heeft, komt hij terug en deelt mede, dat de duivel
hen verslonden heeft. Onder luid geweeklaag trekken moeders, zusters
en magen naar de noodlottige plek, waar men groote bloedplassen op den
grond vindt en de struiken met bloed bespat zijn. De negorij blijft
dan in rouw, tot op een zekeren dag de priesters komen vertellen,
dat door hunne kracht de jongelingen weer in leven zijn teruggekeerd
en weldra komen deze in het dorp terug, vuil en beslijkt; zij praten
niet, doen alsof zij niet loopen kunnen en eerst weder opnieuw de
levensverrichtingen moeten leeren. Zij hebben een grillig besneden
en beschilderd bamboestokje in de hand, dat zij van den duivel heeten
ontvangen te hebben. Tijdens hun verblijf in het kakihanhuis hoort men
daarin een dof gebrul en gekrijsch, veroorzaakt door het schreeuwen
in holle bamboes. Dit moeten dan de stemmen der voorvaderen verbeelden.
Volgens sommigen worden de knapen door eene opening in het huis,
dat den vorm van een krokodillenmuil heeft, naar binnen gestoken en
dadelijk daarop quasi onthoofd, terwijl aan de vrouwen die buiten
staan, bebloede speren en parangs worden vertoond van achter de
omheining van het huis. Ook Valentijn meldt: "Pas na de overgave van
hunne kinderen hooren de ouders een afgryselijk gehuil en gejammer en
zien ook tegelyk verscheidene pieken, daar het bloed by neder druipt
door het dak te voorschyn komen, dat hun doet vooronderstellen, dat
de kinderen vermoord worden, hoewel zy weten, dat zy na drie jaren
er in geweest te zyn, naar het ouderlyk huis terugkeeren.
"Wanneer die tyd daar is, krygt ieder kind een geschilderd stokje van
dun wit bamboe, waarop eenige zonderlinge figuurtjes of karakters
gebrand zyn en waaraan eenige snoertjes met een soort van koperen
plaatjes als penningjes hangen.
"Als deze kinderen weder thuis komen, kunnen zy nog gaan nog spreken
en moeten zulks opnieuw als pasgeboren kinderen leeren."
Van Doorn voegt hier naïef aan toe: (de Alfoeren van Wahaï besprekende)
"Deze tempels vond men in vroegere tijden ook bij de Wester-Cerammers,
die ook de heidensche leer beleden." (!)
Het feit is, dat zij nimmer bij de Patalima en Oost-Seranners hebben
bestaan. Doch uit Valentijns beschrijving blijkt, dat het ritueel
in zijn tijd reeds bestond, al sprak men toen niet van den geheimen
kakihanbond.
Van Rees gaat zelfs zoover met mede te deelen welke woorden door de
holle bamboes aan de neophyten worden toegeroepen. De geslotenheid
van den Alfoer op dit punt kennende, ook zelfs van hen die bij
ons in dienst zijn getreden als soldaat en een beschavingsproces
hebben ondergaan, kunnen wij niet anders dan aan de juistheid daarvan
twijfelen. Bij een laag staand volk als de Alfoeren treft het toch, dat
men zoo iets als de idee eener wedergeboorte heeft, alsook het bestaan
van een geheim woord Fahadjoel, waarom sommige spreken van de Seransche
vrijmetselarij. Bij hunne terugkomst dragen de ingewijden op borst,
rug of dijbeen ingeprikte figuren in ster- of halvemaanvorm. Soms zelfs
komt een kinderlijk geteekend dierfiguurtje voor. (Zie Martin. Reisen
in den Molukken, plaat XXVI). De vrouwen van de Hatoenoeroe's en van
enkele Owinstammen dragen op het voorhoofd ook een getatoeëerd halve
maantje of kruisje. Dit heeft echter niets met het Kakihan te maken,
daar vrouwen nimmer in den bond worden opgenomen.
Moge het Kakihan eertijds een politiek doel gehad hebben, thans is
daarvan niets te merken. Een aaneengesloten geheel vormen de stammen
volstrekt niet en er worden onderling ook koppen gesneld, als men
daartoe gelegenheid heeft. Zeer beslist staat het Kakihan echter tegen
het Christendom en verstoort het de orde en rust, want deze ritus
zou onschuldig zijn, als niet na de aanneming der jongelieden deze
verplicht waren erop uit te trekken om minstens één kop te snellen,
terwijl ook de bouw van het kakihanhuis en van de baileo niet kan
voltooid worden zonder dat een kop geofferd is.
De zendeling van Ekris zegt aan het slot van zijne beschrijving van
het Kakihanisme: "Haar met geweld te ontbinden is niet raadzaam;
Christendom en beschaving moeten haar oplossen. Zij begint in het oog
van sommigen reeds belachelijk te worden." Wij kunnen het hiermede
eens zijn, doch nu de Regeering zich langzamerhand wat meer van Seran
begint aan te trekken, kunnen wij dit succes bespoedigen met alle
moreele en materieele dwangmiddelen, die ons ten dienste staan. De
inwijding der nieuwe leden moet verboden blijven, en de maoewin en
de vaders der aangenomen jongens moeten gestraft worden, indien het
blijkt dat zij zich in het geheim toch van de kakihanteekens hebben
voorzien. De Christenen die tevens Kakihan zijn, moeten wel in de
kerken en bijeenkomsten worden toegelaten, doch men moet hun niet
toestaan de belijdenis te doen. Dit moge hard klinken, doch het is
een zedelijke dwang waarom de Alfoer wel zal geven en die zal maken,
dat hij zijn zoon niet meer tot het Kakihan zal toelaten, opdat deze
aldus ook voor "vol" zal worden aangezien. Men voere leerplicht in
en zorge, dat vooral de zonen der maoewin, die zooals gezegd alleen
hun vader mogen opvolgen, ter school gaan en meer ontwikkeld worden,
opdat zij het dwaze van de Kakihanleer in zullen zien en zich ervoor
schamen zullen maoewin te worden. Is aan de kust het Kakihan aldus
uitgeroeid, dan zullen de bergstammen ook wel volgen. West-Seran kan
niet tot orde en rust komen, zoolang het Kakihan bestaat en daar zijne
leer strijdig is met de zedelijkheid, zoo is de Regeering volkomen
gerechtigd tot het verbieden van de uitoefening daarvan.
Baileo. Bij de Patasiwa is de baileo een vrij groot gebouw met slechts
eene gedeeltelijke omwanding, waarin de raadsvergaderingen gehouden
worden en waarin de bovenvermelde koppen worden bewaard, hangende aan
den nokbalk. Aan deze koppen wordt groote waarde gehecht. De negorij
Lisiëla heeft bij hare overplaatsing naar Wahaï, zooals vroeger werd
medegedeeld, een aantal doodshoofden weten mede te nemen, die nu
in de baileo aldaar hangen, hoewel de negorij thans tot de Patalima
behoort en de bevolking niet getatoeëerd is.
De Patalima bezitten geen baileo. Bij de Alifoeroe van Malowan (achter
Soekaradja) heeft men geen bezwaar vreemdelingen in de baileo toe te
laten en zijn deze huizen voor de troep het aangewezen logies. Bij
de West-Seranners echter laat men ons slechts noode, dikwijls in het
geheel niet daarin toe. Huisraad treft men in de baileo niet aan;
een dego2 (rustbank) is rond de muren aangebracht om tot zitplaats
te dienen. In de baileo van Moesihoé (Malowanstam) vindt men voor
de hoofden een verhoogde dego2, terwijl de zitplaats der kapitans
bestaat uit een balk van zacht hout, waarin ovale zitplaatsen en
relief zijn uitgesneden.
Versieringen treft men zeer weinig aan en waar zij aangebracht zijn,
bestaan zij uit eenig snijwerk in den vorm van krullen, aangebracht
in stijlen of aan de gevelplaat. Aan de stijlen bij den ingang van
de baileo te Séa (Malowan) ziet men het mannelijk geslachtsdeel en
vrouwenborsten uitgebeiteld, in die van de baileo van Horali Kolalinje
zijn vrij sierlijk krokodillen en schilden uitgesneden. Behalve
de vuurplaat vindt men ook nog wel een vorkvormigen tak midden in
den vloer vastgemaakt, waarop de bamboekoker, waarin de sagéroe zich
bevindt, komt te rusten, terwijl aan de dakrichels ook wel de mamakoer
hangt. Dit is een glazen ring, waarvan men de herkomst niet meer
weet en die een zeer waardevol sieraad van den Alfoer uitmaakt. Zij
bestonden reeds voor de komst der Portugeezen in de Molukken en zullen
waarschijnlijk wel door vreemdelingen zijn ingevoerd.
Ofschoon wij niet in staat zijn den echten van den modernen mamakoer
te onderscheiden, ziet de Alfoer dadelijk het verschil. Sommige van
die ringen worden van tijd tot tijd in bloed gelegd om eene heldere
kleur te behouden en bijna alle worden omwikkeld met gemoetoetouw
ter beveiliging tegen beschadiging. Aan den arm wordt de mamakoer
nooit gedragen.
In de baileo van Eti ziet men een hertengewei, dat afwijkt van het
gewone type, doordat de takken plat en breed uitloopen, evenals dat
van een eland, doch van veel kleiner afmeting. De inwoners beweren, dat
het al heel oud is en afkomstig van een vroeger bestaande hertsoort.
In de baileo van Noniali treft men een zeer oud zwaard aan met
kruisgevest, van geheimzinnigen oorsprong, daarom dus "pamali"
verklaard en het wordt slechts zeer ongaarne aan vreemdelingen ter
bezichtiging gesteld, aanraken mag men het in geen geval.
Scholen. De Christenalifoeroe, die evenals de Mohammedanen allen
aan de kust wonen, worden in hunne gemeenten voorgegaan door een
goeroe of inlandschen godsdienstleeraar, die zijne opleiding daartoe
ontvangen heeft aan eene school te Amboina. Te Amahei en te Lokki
zijn Europeesche hulppredikers gevestigd die gedurig de gemeenten
afreizen en aldaar onderricht geven; ook de goeroe moet den kinderen
onderwijs geven in lezen, schrijven en rekenen. Over het algemeen
is de Alfoer zeer leerzaam en staat men verrast te zien hoe snel de
kinderen lezen en schrijven leeren, terwijl het koorgezang door hen
ten gehoore gebracht, volstrekt niet behoeft onder te doen voor dat
van Nederlandsche schoolkinderen.
Behalve deze scholen, die door de zending worden gesticht, heeft men
nog gouvernementsscholen te Amahei, Roemah Kai, Tihoelalé, Kamarian,
Seroeawan, Hatoe Soea, Kaibobo, Lokki en Boano, terwijl te Piroe eene
door het gouvernement gesubsidiëerde zendingsschool bestaat. (Ook te
Wahaï zal eene gouvernementsschool worden opgericht.)
Naar gelang van het aantal leerlingen staan aan het hoofd dezer scholen
inlandsche hoofdonderwijzers met twee tot vijf hulponderwijzers, die
over het algemeen eenvoudig en goed onderwijs geven. Deze leeraren
verzuimen ook niet hunne leerlingen, voor zoover zij zelf ermede
bekend zijn, te verhalen van ons Vorstenhuis en van Hollandsche
aangelegenheden.
Zoo werden wij indertijd bij eene inspectie van de school in de
kleine negorij Latéa verrast met het Transvaalsche Volkslied in het
Maleisch en niet minder verraste het ons te Boano, dat na het doen
opnoemen der namen van ons Vorstenpaar, van den Gouverneur-Generaal,
van den Resident enz., de onderwijzer de vraag stelde: "En wat is
de zinspreuk van Prins Hendrik?" Waarop de kleine Alfoertjes als uit
een mond riepen: "Per aspera ad astra!"
Hoewel deze scholen onmiskenbaar bijdragen tot de beschaving van het
volk, is het toch te betreuren, dat niet meer partij daarvan getrokken
wordt door het geven van ambachtsonderwijs, daar thans de leerlingen
na hun 14de jaar van school afgaan en verder weder het werkelooze
leven hunner ouders leiden, terwijl anders nijverheidsontwikkeling
en daarmede gepaard gaande geregelder levenswijze zou bevorderd worden.
Kerken. De kerken worden door de inboorlingen zelve gebouwd en zijn in
de groote negorijen ruim en fraai opgetrokken van metselwerk en zware
pilaren, terwijl eene kleine koperen klok ter oefening oproept. Hoewel
de Christelijke leer nog niet diep is doorgedrongen, is het nut der
zending op Seran toch groot te noemen, daar zij den Alfoeren zachtheid
en zindelijkheid leert, zij zich door hun Christendom veel nader
tot ons gevoelen, en hun onderling verkeer daardoor menschwaardiger
wordt. Over het algemeen zijn de vrouwen beter Christen dan de mannen
en daardoor is het vertrouwen niet misplaatst, dat ook langzamerhand
de mannen het Christendom meer zullen gaan belijden.
De Mohammedanen op Seran wonen meest aan de Zuid-Oostkust; zij zijn
niet talrijk en maken ook op geenerlei wijze propaganda voor den
Islam. De imam en modin, die de oefeningen leiden, zijn bijna niet
bekend met het wezen daarvan en zijn tamelijk onbeschaafde lieden,
waarvan het meerendeel den Koran niet lezen kan. Men krijgt den indruk,
dat het belijden van den Islam alhier meer eene kwestie van adat is
geworden; men kent de algemeene gebruiken, doch bekommert zich niet
veel om de voorschriften.
De Mohammedanen gaan broederlijk met de Christenen om en slechts
zeer zelden zijn twisten om godsdienstredenen voorgekomen. Van tijd
tot tijd gaat een Mohammedaan de reis naar Mekka ondernemen, in de
kosten gesteund door zijne negorij; het aantal bedevaartgangers is
echter zeer gering.
Eigenaardig is het, dat de Alfoeren van Noniali, dat dicht tegen het
Mohammedaansche en daarmede zeer bevriende Lisabata is aangebouwd,
ofschoon nog volkomen Kakihan, toch kleederdracht en eenige gewoonten
der Mohammedanen hebben overgenomen en men soms wel over en weer
vrouwen aan elkaar uithuwelijkt. Alleen gedurende de vasten grijpt
onder de Mohammedaansche gemeente een opgewekter geestelijk leven
plaats; anders zijn de missigits bijna leeg op de uren van het
gebed. Op Z.O. Seran echter houdt men zich meer aan de voorschriften.
Te Boano islam, welks bewoners een teruggetrokken schuwen aard hebben,
heerschen op het gebied van den godsdienst allerlei zonderlinge
gebruiken; het ontsteken van lichtjes, het aanbrengen van bamboekokers
in de missigit wijst op een heidenschen invloed op de Islamietische
leer.
Ook vindt men er woningen, die tot 40 zielen bevatten, iets wat geheel
indruischt tegen de Mohammedaansche begrippen van huisvesting. Trouwens
over de geheele stam van Boano gaat een roep van geheimzinnigheid,
men moet er geestenzieners hebben en zeer listig zijn in het
giftmengen. Een onzer posthouders durfde er zelfs niets te gebruiken
van wat Regenten of volk hem aanboden. Wellicht had hij er reden toe
gegeven dat hij zoo bevreesd was voor de Boanoërs; ons is geen geval
van vergiftiging op Boano bekend. Ook op Manipa rust bovenvermelde
beruchtheid.
Bijgeloof. Evenals alle natuurvolken zijn de Alfoeren buitengewoon
bijgeloovig en het zou een afzonderlijk boekdeel kunnen vullen,
indien men al hunne verschillende voorteekens, spookgeschiedenissen,
wichelarijen enz. wilde opteekenen. Maar in den omgang met den
Alifoeroe moet men soms rekening houden met deze bijgeloovigheid. In
1866 wilden de koelies en hulptroepen ons niet vergezellen, omdat de
Radjah van Taniwel een kwaden droom had gehad. In 1860 moest men een
dag de excursie staken, omdat de "boerong siang" verkeerd gefloten
had. In 1904 waren de koelies slechts met de grootste moeite te
bewegen voorwaarts te gaan, omdat het een slecht voorteeken was,
dat bij de eerste ontmoeting met den vijand aan onze zijde gewonden
waren gevallen en zij bleven gedurende den ganschen tocht onwillig.
Toen een weg moest gekapt worden van Bessi naar Hoaoeloe wilden
de wegwerkers met alle geweld eerst door middel van een haoewé
(wichelarij) onderzoeken of de onderneming zou slagen en men het
vijandelijk gezind veronderstelde Hoaoeloe den baas zou blijven. Men
nam twee van den bast ontdane kokosnooten, doopte de een "Kompania",
de ander "Hoaoeloe" en onder het prevelen van tooverwoorden werden
de twee klappers met kracht tegen elkaar geworpen. Gelukkig voor ons
legde de klapper Hoaoeloe het af, want anders waren de wegwerkers
zeker gedeserteerd.
Een geel blad, dat dwars op het pad valt, is voldoende om eene
Alfoerenbende, die zich ergens naar toe begeeft, de tocht te doen
staken
Bij de Patasiwa mag de tjidako bij het doorwaden van rivieren niet
nat worden en bij alle Alifoeroe geldt het voor onheilaanbrengend om
zich het hoofd nat te laten regenen. Op marsch dekt men zich dan ook
dadelijk bij de eerste regendruppels met groote bladeren of met de
"kokoja", eene kleine mat die men op lange tochten, onder den arm
opgevouwen, meeneemt.
Alle Seranners gelooven aan de mogelijkheid dat iemand behekst is
of een toovenaar of heks kan zijn en zelfs komt men den Civielen
gezaghebber wel eens voor den moeilijken taak stellen, om een van
hekserij beschuldigd persoon daarvan vrij te pleiten en het is zaak
daaraan te voldoen, daar men anders tot geweldadigheden tegenover
die persoon overgaat.
Het gebeurde in 1902, dat de Nisawéléstam mij kwam bezoeken en de vraag
stelde, of zij de ontevredenheid van het bestuur hadden gaande gemaakt,
omdat zoovelen in hunne negorijen ziek lagen en verscheidene personen
gestorven waren. Toen hun verzekerd werd, dat dit niet het geval was,
verzochten de hoofden om eenige flesschen "tooverwater" om daarmede
de zieken te genezen. Toen zij naar den dokter verwezen werden en
hun medicijnen werden aangeboden, wilden zij daarvan volstrekt niets
weten en beweerden, dat alleen de kommandant de kracht bezat om zieken
te genezen. Ten einde raad en wetende dat te Nisawélé veel malaria
heerschte werden hun eenige flesschen opgeloste kinine gegeven,
waarover in hun bijzijn eenige kabalistische teekens werden gemaakt,
met het voorschrift, de zieken daarvan iederen ochtend eene kleine
bamboe vol te geven en de mededeeling, dat het water nu zeer bitter
geworden was, waarover zij niet ongerust moesten zijn. Daarop gingen
zij getroost heen en kwamen later verheugd melden, dat de ziekte
vrijwel geweken was, hetgeen een hechten vriendschapsband gaf.
Te Warasiwa bestaat een godsoordeel om den schuldige in eene zaak
tusschen twee personen, die niet uit te maken is, te ontdekken. De
beide deliquenten krijgen een door den wichelaar betooverd stokje in
de hand en moeten nu gelijktijdig in zee duiken. Hij die het langst
onderblijft, is onschuldig.
Een diefstal, moord of andere misdaad, die niet aan het licht te
brengen is, tracht men overal op Seran uit te vorschen door het stellen
van een "matakau". Men plaatst, meestal onder een afdakje, een ruw uit
gabba2 (bladsteel van den arènpalm) gesneden voorwerp, dat bijv. een
krokodil, een haai, eene slang e.d. moet voorstellen. Men meent dan,
dat hij die het misdrijf pleegde wel spoedig zal sterven door den
beet van een dezer dieren, als hij zich niet aanmeldt.
Soms stelt de matakau een klapper of andere vrucht voor en dat wil
dan zeggen, dat de misdadiger sterven zal als hij zoo'n vrucht
eet. Eigenaardig is, dat de matakau alleen mag geplaatst worden
na bekomen vergunning van het negorijbestuur of van den Civielen
gezaghebber, in welk laatste geval het verzoek natuurlijk altijd
geweigerd wordt. Op den heiden-Alfoer maakt echter de matakau, die
niet dan als uiterste poging wordt opgesteld, in zijne bijgeloovigheid
grooten indruk en doorgaans meldt de schuldige zich of tracht hij op
de een of andere wijze zijn misdrijf te herstellen.
Eigenaardig is de aanblik van zulk een matakau, als men die plotseling
op een heuveltop midden in een wijd en zijd in het rond onbewoond
terrein ziet staan. Zoo troffen wij er een aan op den Topomosolinoi,
daar geplaatst wegens diefstal van sagoboomen. Een klein atap afdakje
beschermde de daaronder geplaatste matakau, terwijl de negorijen
dagmarschen ver van dit punt gelegen waren. Ook tot het voorkomen
van diefstal wordt algemeen de matakau gebezigd.
Huwelijk. Het huwelijk heeft plaats door het koopen van de vrouw. Bij
de strandbewoners wordt dit koopen verbloemd uitgedrukt door den term
"bruidschat geven" doch in den grond is de zaak dezelfde. Bij de
Alifoeroe is de gemiddelde prijs voor eene vrouw ± 50 gulden, bij de
strandbewoners 150 gulden, doch zeer dikwijls worden uit zucht tot
groot doen veel hoogere sommen geëischt, die de aspirant-schoonzoon
nimmer kan betalen, hetgeen menigmaal aanleiding geeft tot allerlei
geschillen. Bij de Nisawélé-Alfoeroe geschiedt de huwelijksovereenkomst
aldus:
De vader of bloedverwant van eenen huwelijkscandidaat doet aanzoek
bij den vader van het meisje. Indien dit gunstig ontvangen wordt,
bepalen zij dadelijk de harta, die de ouders van het meisje zullen
ontvangen. Eene maand lang blijven de jongen en het meisje verloofd,
zonder echter omgang met elkaar te hebben. Na verloop van dien tijd
gaan vader en bruidegom naar het huis der bruid en spreiden voor
den ingang eene mat, (kokoja), waarop de harta wordt neergelegd. De
vader der bruid neemt deze weg en legt er voor in de plaats drie of
meer armbanden van schelpen ( ± f 8 stuk). Daarna is het huwelijk
gesloten en volgt de vrouw haren man.
De Alifoeroe mogen meer dan een vrouw hebben, hetgeen zij echter
zelden doen, terwijl het meisje reeds op kinderlijken leeftijd kan
worden uitgehuwelijkt. Na het huwelijk wordt er eenige dagen lang
gedanst en feest gevierd. De huwelijken worden meest in eigen stam
gesloten. Neemt een Alfoer een meisje van een anderen stam, dan
moet hij, zoolang hij de harta niet betaald heeft, in de negorij
der vrouw blijven. Zeer dikwijls betaalt men de harta niet en het
hoofd der negorij waartoe de vrouw behoort, ziet dat zelfs gaarne,
daar hij aldus zijne onderdanen ziet vermeerderen en daar voordeel
van trekt. Later als er echter oneenigheid komt, dan geeft dit uitstel
aanleiding tot eene geduchte perkara, want de Alifoeroe, Mohammedaan,
Christen of Heiden, zijn aartsliefhebbers van gedingen en processen.
Het kan voorkomen, dat eene vrouw vrijwillig een man volgt zonder dat
van hartabetaling sprake is. Dit noemt men dan ook schaken en wordt
niet zeer netjes gevonden. De vrouw wordt dan ook beschouwd, als niet
meer te behooren tot hare vroegere negorij. Mocht zij ongelukkigerwijze
genoeg krijgen van den man harer keuze, dan is haar hoofd niet veel
meer waard, daar zij na hare vlucht uit het huis, vogelvrij is voor
haren vroegeren minnaar.
Echtscheiding kan plaats grijpen doch op eisch van den echtgenoot
moet de harta of wel een gedeelte daarvan teruggeven worden, naar
gelang van den tijd dat het huwelijk gelukkig heeft geduurd; zijn er
kinderen, dan worden deze gelijk verdeeld. Kan de man echter bewijzen,
dat het zijne schuld niet is, dat de vrouw niets meer van hem wil
weten, dan heeft hij recht op alle kinderen, eveneens als de vrouw
sterft. Sterft de man, dan vervallen de kinderen aan de negorij,
waartoe de man behoort. Voor zoover ik heb kunnen waarnemen, zijn
de Berg-Alifoeroe zeer zedig en komt echtbreuk zelden voor, bij
de strandbewoners daarentegen zooveel te meer. (Eene eigenaardige
uitdrukking voor een onecht kind is: "anak sirih pinang" d.w.z. dat
zoo onder een praatje het leven kreeg).
Eene uitzondering maken de Alifoeroe van Sétie. Met deze stam kwamen
wij eerst in 1902 in aanraking en toen werd opgemerkt, dat de leden
daarvan geen vorm van huwelijk kenden, doch in vrije liefde leven. De
vrouw heeft gemeenschap met den man harer keuze, tot zoolang het beiden
bevalt. Verwekte kinderen, behooren der vrouw en het is eene gunst,
als zij er een afstaat aan hem, dien zij van het vaderschap verdenkt.
De Mohammedanen aan het strand houden zich wel is waar in het
algemeen aan den Koran, doch huldigen ook het gebruik, dat zoolang
als de bruidschat nog niet geheel voldaan is, de vrouw den man nog
niet behoeft te volgen. De bruidegom is verplicht, de bruid een
"méhar" te geven, de eigenlijke bruidschat; deze is haar eigendom en
behoeft bij echtscheiding niet terug gegeven te worden. Verder moet
de bruidegom aan de ouders der bruid, de zoogenaamde "harta hadat"
geven, afwisselend, naarmate van de meerdere of mindere gegoedheid,
van 100 tot 500 gulden. Deze worden echter bijna nooit betaald, het
is meer een bluf, dien men tegenover elkaar slaat en de goederen,
die als hadat gegeven worden, vertegenwoordigen eene waarde, die zij
niet hebben. Bijv. men betaalt den bruidschat met 10 kammen "sisirmas"
ad f 100, 10 stukken madapolam ad. f 50 en 3 gongen ad. f 30.
De sisirmas (zie vroeger) heeft misschien eene werkelijke waarde van f
1.00 of minder; een stuk madapolam, kost tegenwoordig slechts f 2.00,
doch doet immer dienst als betaalstuk van f 5 en bijna iedereen heeft
daartoe eenige stukken van dit slechte goed netjes opgevouwen in zijn
bezit. Verder moet nog eene grootere of kleinere som aan den Regent
der negorij voldaan worden.
Het betalen van dezen bruidschat geeft bijna immer aanleiding tot
verwikkelingen en moeilijkheden en men schaamt zich voor elkander,
om minder te vragen voor zijne dochter. Een voorstel om den bruidschat
te Wahaï niet hooger te maken dan f25, benevens 1 gong aan de moeder
en f5 aan den Regent, op West-Seran resp. f30, 1 gong en f7.50, viel
dan ook dadelijk in goede aarde bij de hoofden. De ingeboren zucht
tot grootspraak maakt echter dat de Alfoer, hoewel in zijn hart
erkennende, dat het officieel bepalen van een lagen bruidsprijs,
voor allen gelijk, zeer in ieders voordeel is, zich uiterlijk niet
ingenomen daarmede betoont.
Soms woont men daar vermakelijke tooneeltjes van bij. De bruidsprijs
werd plechtig vóór den Civielen gezaghebber uitbetaald, de vader
streek het met een hoogst ontevreden gelaat op en als hij dan buiten
den gezichtskring, doch niet buiten het gehoor was gekomen, gaf hij
zijn gemoed in luide verwenschingen lucht. De schoonzoon, zoo riep
hij, moest zich schamen, dat hij slechts zulk een erbarmelijken
spotprijs over had voor zijne dochter, dat prachtjuweel, voor wie
hem reeds menigmaal honderden guldens waren geboden enz. enz. De
schoonzoon echter, in den toon blijvend, riep even luidkeels, dat hij
zich inderdaad schaamde, dat hij zeker veel meer zou willen geven,
als de machtige Kompania het maar niet verboden had! En het zwak van
zijn aanstaande schoonvader kennende, liet hij een "vierkante pot"
achteloos glinsteren, waarop diens woede langzamerhand bedaarde en
tegen den morgen vond men hen dronken en broederlijk in elkanders
armen. M.i. moet het bestuur aan de gemaakte bepaling vasthouden,
om het aantal huwelijken te vermeerderen en vooral ook moet men de
exogamie bevorderen, teneinde het ontaarden en uitsterven van het
ras zooveel mogelijk tegen te gaan.
Onder de strandbewoners komt ook nog wel de schaking voor, doch
dit is dan meer eene "bedriegelijke nabootsing" daarvan, daar
ieder van de zaak afweet. Het is behoorlijk, als de schaker op de
slaapplaats der ontvoerde schoone een passend geschenk voor de ouders
achterlaat. Dikwijls worden de gelieven voor de leus vervolgd met
eenige geweerschoten, terwijl zij ook in de negorij van den man met
geweerschoten ontvangen worden.
Liggen de betrokken negorijen dicht naast elkander, dan gebeurt het wel
eens, dat de jonge lieden en jonge meisjes zich solidair verklaren en
om de hun quasi aangedane beleediging te wreken, dagen zij de jongelui
der andere negorij uit tot eene algemeene vechtpartij. Hierbij mogen
geen wapens gebruikt worden, maar toch komen bebloede koppen wel eens
voor, zoodat het goed is als het bestuur eraan een einde maakt. De
strijders hebben dit ook gaarne daar dan niemands eer in opspraak
komt door het lijden van de nederlaag.
De positie van de vrouw is betrekkelijk hoog; wel is zij het lastdier
waartoe de man bij de Oostersche volken haar heeft bestemd, doch
overigens heeft zij zoowel in den familiekring als in zaken van
algemeen belang, vrij veel te vertellen.
De man behandelt haar met zekere hoffelijkheid en zwijgt zoolang zij
aan het woord is. Bij de krijgsdansen zijn het dikwerf oudere vrouwen
die de liederen daarbij zingen en zelfs is de vrouwelijke invloed in
sommige zaken van politieken aard niet te miskennen. De Alfoer is dan
ook over het algemeen zeer aan zijne vrouw gehecht. Eens gebeurde het,
dat een Alfoer van Sollok, die den eigenaardigen naam Sequah droeg,
toen zijne vrouw stierf, zich met boreh op haar graf vergiftigde. Op de
vraag of men hem niet belet had zulks te doen, antwoordde het hoofd:
"dat mag men niet beletten, hij kon toch niet meer leven zonder
haar!" Een dergelijk bewijs van liefde zou men niet vermoeden bij
dit half wilde volk.
Het jonge meisje geniet eene groote vrijheid. Onder aanvoering van de
Kapala djodjaro (Hoofd der maagden) vormen de meisjes een element van
beteekenis in het negorijleven, vooral op West-Seran. Bij ontvangst
van gasten, bij feestelijkheden e.d. treden zij gezamenlijk op en de
jongeling getroost zich gaarne veel moeite om zijn meisje te voorzien
van kleederen en snuisterijen.
Ook de Seransche jongelingschap, die den verzamelnaam van ngoengaré
draagt, wordt bij feestelijkheden e.d. door den Kapala ngoengaré
aangevoerd. Eigenaardig is het, dat op West-Seran en ook wel op
Midden-Seran, dikwijls pic-nics worden gehouden door de jongelieden
van beiderlei sekse, evenals wij dat doen; men noemt dat "makan
petita". Die vrijheid en onafhankelijkheid echter zijn oorzaak, dat
te vertrouwelijken omgang zeer veel voorkomt en de kuischheid der
djodjaro's dikwijls zeer bedenkelijk is. Het verwekken van abortus
komt dan ook bij de strandbewoners ongelukkig zeer veel voor.
Ook is merkwaardig, dat de jonkman het meisje dat hij lief heeft,
dikwijls op goed geluk en onverwacht in hare des nachts donkere
kamer opzoekt. Is zij van zijne genegenheid gediend, dan houdt zij
zich stil, zoo niet, dan roept zij de huisgenooten wakker, waarop de
indringer maakt, dat hij ijlings wegkomt, daar hij bij ontdekking de
kans loopt van minstens een pak slaag te krijgen, zoo niet erger, daar
de Alfoer in zijne drift al zeer snel naar de wapens grijpt. Zoo wordt
de negorij soms opgeschrikt uit haren slaap door eene wilde klopjacht,
die het gevolg is van eene dergelijke vlucht. Ten slotte geeft dit
gebruik nog al eens aanleiding tot "chantage" en zet menige schoone
den bestuursambtenaar voor de moeilijke taak, uit te maken of de
persoon die zij aanwijst, werkelijk hare onschuld snood belaagd heeft!
Indien vrouwen tegenwoordig zijn, zullen de Alfoeren geen vijandige
daden plegen, wat zeker een hoogstaande adat is, waar tegenover te
betreuren valt, dat als hij eenmaal op sneltocht is, ook de vrouw
niet door hem gespaard wordt.
Deze adat kan ook ons van nut zijn. Na het gevecht met de Roemah
Soal-Alfoeren in 1904, waarbij het vrij scherp was toegegaan,
wenschten deze weder in aanraking te komen met ons bestuur ten einde
te onderhandelen. Maar het vertrouwen was geschokt en zij durfden zich
niet naar Piroe te wagen, ondanks alle verzekeringen van het bestuur,
dat de ontvangst vredelievend zou zijn. Ten slotte ging ik vergezeld
van een drietal jonge meisjes en eenige hoofden, waarbij zich ook
de officier van gezondheid aansloot, de Roemah Soal-Alfoeren, die
ten getale van 80, tot de tanden toe gewapend, op meer dan een uur
afstands van Piroe wachtten, te gemoet. Op het gezicht van de vrouwen
en ons ongewapende officieren, kwamen zij te voorschijn en nadat wij
den eed hadden afgelegd, dat hun te Piroe geen kwaad zou geschieden,
gingen zij willig mede, er in hunne kinderlijkheid op vertrouwend,
dat de eed op Alfoersche wijze afgelegd, ook voor ons Christenen
bindend moest zijn.
Geboorte. Gedurende de zwangerschap neemt de Alifoeroevrouw zich
volstrekt niet in acht, doch blijft zij tot het laatste oogenblik
haar dikwijls zwaar werk verrichten. De vrouw van een der hoofden van
Hoaoeloe ging bij eene patrouille met haren man mee, terwijl zij in
vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde; zij droeg een tamelijk
zwaren last gedurende een zeer moeilijken marsch door heuvelterrein. Na
het beëindigen van den tocht gaf zij het leven aan een zoon.
Gedurende de bevalling wordt de vrouw door eene vriendin bijgestaan;
eene vroedvrouw of doekoen kent men niet. De houding der vrouw is
bij de meeste stammen neergehurkt op de knieën, de armen gestrekt,
steunende op den vloer. Bij eenige stammen in het Westen gaat de
vrouw op het beslissend oogenblik met gestrekte armen hangen aan een
dwarsbalk van het pamalihutje of aan een tak van een boom, op zulk
eene hoogte, dat zij in zittende houding hare voeten op de grond kan
steunen. De navelstreng van het kind wordt afgesneden met een scherp
stukje bamboe, (een mes mag hierbij niet gebruikt worden) en met een
stukje rottan afgebonden. Daarna wordt de jonggeborene zoo mogelijk
met lauw water afgewasschen.
Ook gedurende de bevalling mag de vader het bewuste hutje niet
binnentreden. Bijna altijd is het eten van een of ander voedsel voor
hem gedurende eenige tijd pamali. Ook mag hij bij sommige stammen niet
jagen of op eenigerlei wijze bloed storten; bij andere daarentegen
moet hij juist een varken of hert zien te dooden en dit als feestmaal
doen toebereiden.
Het aantal kinderen is doorgaans klein, de meeste echtparen
hebben slechts twee kinderen, terwijl tweelingen bijzonder zeldzaam
zijn. Ofschoon de bevolkingsstatistiek nog zeer onvolkomen is, zoo doet
een blik op de cijfers toch zien, dat de Alifoeroe langzaam maar zeker
uitsterven. De verschrikkelijke pokkenepidemieën die gewoed hebben,
waarbij het aantal dooden zoo groot was, "dat de bergen stonken van de
onbegraven lijken", hebben het aantal inboorlingen sterk verminderd,
doch misschien is ook het voortdurend onderling en in denzelfden stam
huwen, mede een reden van de weinige vruchtbaarheid en het wegkwijnen
van dit ras.
Puberteit. De intrede van de puberteit gaat voor den knaap met eenige
plechtigheid gepaard. De tjidako wordt hem dan aangelegd en in vroeger
tijd ging de vader een sneltocht ondernemen, om met een kop als
zegeteeken den jongen man te begroeten. Nu wordt deze gerekend tot
de "parang voerenden". De meisjes van den Wae Rama en Nisawéléstam
dragen zoodra zij vrouw worden, een touwtje onder de armen, waaraan
twee lapjes, die de borsten bedekken. Tevens dragen zij dan eene korte
sarong, die van het middel tot de knie afhangt. Bij de Alifoeroe van
Warasiwa dragen de meisjes tot aan de intrede der puberteit een helm,
gevormd uit een caladiumblad. Deze wordt met een gevlochten bandje
op het hoofd vastgehouden. De haren zijn dan zeer kort geknipt,
op het eindje steel van het blad steken de meisjes een pluimpje van
sprieten en vederen, zoodat het geheel een aardig gezicht oplevert,
vooral wanneer men haar des avonds aan den algemeenen dans ziet
deelnemen. Worden zij vrouw dan leggen zij dit hoofdtooisel af en
bekleeden zich met de koelit kajoe (schaamgordel).
Rechtspleging. De voornaamste taak der hoofden is het berechten der
eindelooze geschillen en gedingen hunner onderhoorigen. Het gemis
van letterschrift wordt door het ijzeren geheugen van den Alfoer
tegemoet gekomen en zoo onthoudt hij jaren lang zijne perkara om die
te gelegener tijd voor te brengen. Dit recht zoeken is op zichzelf
een genot voor den Seranner, want hierdoor wordt hij in de gelegenheid
gesteld om ten aanhoore van een groot publiek zijne welsprekendheid te
luchten. Want deze staat bij den Alfoer hoog in eere; hoe meer beelden
hij gebruikt en vooral hoe radder hem de woorden over den tong rollen,
hoe grooter zijn aanzien. Daarom maakt hij van de nietigste geschillen
eene rechtszaak en het is dikwerf de moeite waard om den aanklager
en verdediger tegenover elkander te keer te hooren gaan.
Vooral is het zijn trots om tegenover den blanken bestuursambtenaar
zijn talent te kunnen ontwikkelen. Door de uitgestrektheid van zijn
gebied is deze verplicht om eenige malen 's jaars een rondreis te doen
en de negorijen te bezoeken. Voor die gelegenheid bewaart men dan de
ingewikkeldste perkara's en nu wordt de rechtszitting eigenlijk eene
publieke vermakelijkheid. Iedereen stroomt toe: mannen, vrouwen en
kinderen, tot zelfs zuigelingen worden op den arm medegenomen. Met
de grootste aandacht volgt men het proces en het is zaak voor den
bestuursambtenaar om ook zijn publiek in het oog te houden want
daaronder zijn velen, die het geval op hun duimpje kennen en uit hunne
goed- of afkeurende gebaren is dikwijls veel op te maken. Soms echter
wordt het den een of anderen toehoorder te machtig en roept hij den
rechter luide eenige inlichtingen toe of zegt zijne meening omtrent
den getuige. In dit geval treedt de marinjo op, doet met zijn rottan
eenige woeste uitvallen en deelt slagen uit (die zelden raak zijn)
waarop alles uiteen stuift om grinnikend onmiddellijk achter den
terugkeerenden dienaar des gerechts weder in den kring der hoorders
neer te hurken, volstrekt niet uit het veld geslagen en niet anders
verwacht hebbende.
Maar daarom meene men niet, dat het gemakkelijk is om die zaken te
berechten, want de Alfoer heeft tevens een sterk rechtsgevoel en het
is de groote moeilijkheid om te onderscheiden, welke zaak van belang
is of alleen om bovenvermelde redenen wordt voorgebracht. Want een
schijnbaar nietige zaak, die onjuist berecht wordt, kan aanleiding
geven dat de Alfoer met zijne dikwijls kinderlijke onbillijkheid en
koppigheid, zijne opvliegendheid en achterdocht, gaat broeden over
eene vermeende of werkelijke onrechtvaardigheid en ten slotte naar
den parang grijpt om zijn wrok te koelen. Daartegenover staat, dat
met een grap de publieke opinie dikwijls gewonnen kan worden en men
den Alfoer het onredelijke van zijn eisch kan doen inzien en zijn in
den grond goedaardigen aard bovenkomt.
Doordat zijne zaken dikwijls zeer ingewikkeld zijn en beiderzijds bijna
evenveel getuigen worden aangebracht, zoo is het soms onmogelijk die
te berechten en worden zij slepende gehouden, zoodat men wel eens
komt aanzetten met gedingen, die reeds 30 ja 50 jaren oud zijn,
terwijl het eens gebeurde, dat men een geschil over het bezit van
een eilandje voorbracht, waarbij zich de eene partij beriep op
eene verklaring van den gouverneur Demmers! In een dergelijk geval,
alsmede bij sommige geschillen over doesoens, zegenden wij den ouden
Valentijn, voor wiens dik boek de hoofden respect hebben en van wien
velen wel weten, dat hij de geschiedenis van Seran opgeteekend heeft,
zoodat men zich bij het door hem vermelde nederlegde.
De adatstraffen bestaan bijna uitsluitend in het betalen van boeten,
terwijl voor zeer ernstige misdrijven eene enkele maal de doodstraf
wordt uitgesproken. Maar door het gemis aan gezag der hoofden worden
de straffen wel opgelegd, doch veelal niet ten uitvoer gebracht,
waarvan weer nieuwe geschillen het gevolg zijn.
Ook zijn de uitspraken der hoofden vrij willekeurig en worden zij
wel omgekocht, hetgeen echter gelukkig niet dikwijls voorkomt. Op
West-Seran bestaat een zeer merkwaardig gebruik om iemand tot betaling
zijner schuld te dwingen. De schuldeischer (meestal vreemde handelaren)
neemt dan ongemerkt, dus steelt eigenlijk, een of ander voorwerp
van waarde uit het huis van den Regent, in de verwachting dat deze,
om zijn eigendom terug te krijgen, den schuldenaar zal dwingen zijne
schuld te betalen! Met deze zonderlinge wijze van doen houdt het
wetboek van strafrecht, volgens hetwelk recht moet gesproken worden
op Seran, wel geene rekening?
Heeft men eenmaal het vertrouwen van den Alfoer gewonnen, dan komt
hij met de merkwaardigste zaken die zijn intieme huiselijk leven
raken aanzetten. Hij brengt U zijne dochter om haar te berispen voor
z. i. onbehoorlijk gedrag of tracht U in familiegeschillen te betrekken
en of men zich al onbevoegd verklaart om in dergelijke zaken recht te
spreken, hij laat niet gauw los en vraagt dan listig; "maar wat zou
U zelf in een dergelijk geval doen?" Ook komt een hoofd U plotseling
mededeelen, dat hij besloten heeft zijn zoon eenigen tijd onder Uwe
hoede te stellen om eenige kennis en beschaving op te doen. Hij vindt
dit zoo iets natuurlijks, dat hij niet eens vraagt, of het gelegen komt
en er niet aan denkt dat het huisvesten van eenige van die jongelingen,
die wel is waar behulpzaam zijn in de huishouding, doch die ook op
Uwe kosten gevoed behooren te worden, wel eens bezwaar heeft.
Eigendomsrecht. Het eigendomsrecht op sago- of vruchtboomen,
die verspreid in de wildernis staan, alsmede dat op stukken grond,
wordt kenbaar gemaakt door het "sasi"teeken, aldus op Noord-Seran zoo
geheeten. Dit bestaat uit het plaatsen van eenige staken, meest in den
vorm van een W vóór den boom of op eenige plaatsen van den omtrek van
het stuk grond. Een Alfoer zal een dergelijk teeken nimmer schenden,
evenmin als hij dit een "pélé"teeken zal doen, bestaande uit een kruis
van stokken, geplaatst op een voetpad om dit af te sluiten. Is eene
negorij in vijandschap met eene andere, dan zal eene derde negorij,
die met het geschil niets te maken wil hebben, op de toegangen daarheen
pélé merken stellen, ten teeken van hare onzijdigheid.
Toen onze troepen naar Roemah Soal oprukten, hadden de negorijen
Boeria (Poelia) en Patahoé, die wij voorbij moesten trekken een
geheel hekwerk op hun toegangspad geplaatst, waarachter de bevolking
stond ten bewijze, dat zij niet in het geschil wenschten betrokken te
worden. Vóór dit hek stond een stokje, waaraan een gedraaid stukje
rottan (Poelia) en een steen (Patahoé), aldus symbolisch de namen
der betrokken negorijen aangevend.
Eene latere colonne, waarvan de meeste officieren en minderen
vreemdelingen op Seran waren, vernielde de péléteekens van Roembéroe
en Lohia, toen zij van daar uit naar Honitétoe oprukte, aldus onwetend
een fout begaande, meenende, dat Honitétoe die teekens geplaatst had
om haar den weg te versperren. Indien de Alfoer den weg wil afsluiten
met vijandige bedoelingen, dan plaatst hij naast of op het pad een
stokje met eene pijlpunt er aan gebonden, of wel, hij plaatst een
pijl of lans wijzende naar de vijandelijke richting. Te Loöen trof
ik eene boog met pijl aldus aan, terwijl het teeken dat Roemah Soal
tegen een vijandige stam plaatste, bestond uit een stokje waaraan
twee kruitkokertjes gebonden waren en een pakje van sago bladscheede,
waarin randjoes en pijlpunten, met bloed besmeerd.
Diefstal komt onder de Noord-Alfoeren zeer zelden voor en wordt met
zware boete of met een sneltocht bestraft. Dit is zeker het gevolg van
de afwezigheid van sluiting of zelfs van omwanding in de woningen, die
stilzwijgend de noodzaak in het leven riep bij onderlinge overeenkomst
niet te stelen. Zoo ziet men midden in het woud een pak sagomeel staan
of een hoop dammar liggen, waarvan de eigenaar zijne reis naar de kust
tijdelijk gestaakt heeft en zijn eigendom aldus onbeheerd achterlaat!
Vooral de goederen aan de "Kompania" behoorend, zijn daar heilig. Op
eene patrouille in het gebergte achter Soekaradja (Wahaï) verloor
een soldaat zijn maskéke (Alfoerentaschje), waarin tabak, naaigerij
enz. Drie dagen later langs het veel begane voetpad terug keerende,
lag het taschje nog midden daarop. Een bajonet en een kapmes, in
een ravijn verloren, werden zonder verdere navraag door de bevolking
teruggebracht. Levensmiddelen en bagage der patrouilles werden den
Alfoerenkoelies toevertrouwd, die daarmede soms een dag eerder op
marsch gingen, zonder dat iemand er aan denken zou, van het toch zoo
begeerlijke zout, spek enz, iets weg te nemen.
In West-Seran is dit weer geheel anders, daar komt diefstal vrij veel
voor en worden gouvernementsgoederen volstrekt niet geëerbiedigd,
als zij onbewaakt liggen.
Péla. Eigenaardig is het sluiten van de "péla soedara" d.w.z. verbond
van broederschap tusschen twee of meer negorijen. De aldus verbondenen
beschouwen elkander als zoodanig vermaagschapt, dat huwelijken tusschen
de péla niet gesloten mogen worden en men die als bloedschande
aanmerkt. Zelfs sluiten wel negorijen van de Oeliassers een péla
met die van Seran hetgeen uitsluitend uit winstbejag geschiedt,
want behalve dat de péla elkander steeds moeten bijstaan, zoowel in
den oorlog als bij het verrichten van groote werkzaamheden, huizen-
of kerkbouw enz., mag men elkander bij bezoeken als 't ware niets
weigeren, waarom de Oeliasser de péla, waarmede de minder beschaafde
Seranner zeer vereerd is, bezigt tot het kosteloos en gemakkelijk
verkrijgen van sago, tuinvruchten enz., terwijl de kans, dat hij zelf
wat offeren moet gering is, daar de Seranner zelden of nooit bij hem
te gast komt.
Pamali. Over geheel Seran komt het "pamali" voor, d.i. vrij wel
hetzelfde als het "taboe" der Nieuw-Zeelanders, een verbod om zekere
dingen te doen, terreinen te betreden enz. Zoo is het voor sommige
stammen pamali rijst te eten, voor andere weer zekere vruchten of
riviervisch; ook voor enkele personen kan het een of ander pamali
zijn. De toppen van sommige bergen zijn pamali verklaard d.i. zij
mogen niet beklommen worden; soms ook is dit het geval met terreinen
en kapen, zooals de naam Tandjong Pamali aanduidt. Gedurende het
omvaren van de Noordkaap van Boano is het bijv. verboden zijne
behoeften te doen. Het maken van zout is voor alle Alfoeren pamali,
ook zooals gemeld werd, het bouwen van steenen huizen. Dit pamali
zijn, is soms den Alfoer ook behulpzaam om iets na te laten, waar hij
geen trek in heeft. Zoo b.v. toen zij werden aangespoord om toch wat
meer aan landbouw te doen en den grond om te spitten, antwoordde de
Wae Ramastam, dat zulks pamali voor hen was. De Radja van Hatoé, een
tachtigjarige, vrij ontwikkelde grijsaard merkte toen zeer ter snede
op met eene aardige woordspeling: "och mijnheer, zij zeggen dat het
"pamali" is, doch ik denk dat het "pamalas" (lui) is."
Na een sterfgeval is voor eenigen tijd alle luidruchtigheid, zang
en dans verboden. Doch de Alfoeren zijn een vroolijk volkje en deze
onthouding valt hun zwaar. De Alfoeren van West-Wahaï hebben daar wat
op gevonden in het "minta minjak" letterlijk "olie vragen." Eenige
mannen gaan in vollen krijgstooi op marsch naar eene naburige negorij
en verzoeken daar eenige borden ten geschenke; worden hun deze gegeven,
dan is daarmede het pamali verbroken.
Ook het stuk grond een overledene behoord hebbende is dikwijls voor
langen tijd ontoegankelijk; de erfgenaam kan het pamali opheffen,
doch vergeet dit wel eens of vindt het niet noodig zulks te doen,
zoodat een dergelijk terrein soms jaren en jaren niet wordt betreden;
als er een pad doorheen loopt, tot eenig ongerief der bevolking.
Ribbe deelt nog mede, dat hij bij Illoe (Oost-Seran) een tampat
pamali aantrof, bestaande uit een gladden steen "auf den mit vieler
Mühe ein menschliches Antlitz eingehauen worden ist" en dat hier
omheen als offers menschenschedels en fraaie porseleinen schotels
waren neergelegd. Daar de schrijver zegt dit zelf gezien te hebben,
nemen wij er nota van, anders is op geheel Seran het uithouwen in
steen van eene menschelijke figuur onbekend.
Eedsaflegging. De eed der Alifoeroe is vrij omslachtig. Ten eerste
kan zij alleen tusschen zonsop- en ondergang worden afgelegd en de
eedsaflegger moet buiten staan. Vervolgens neemt men een kommetje,
doet daarin wat sagoweer, arak of anderen sterken drank en een
kogel met wat buskruit. Twee helpers houden een geweer en een parang
met de punt in het vocht. De eedsaflegger vat beide voorwerpen aan
en nu zegt een ouderling, hoofd, of iemand die het formulier goed
machtig is, dit op zangerige, luiden toon op. De aanhef voor Oost-
en Midden-Seran is "oôooh! Lahatalla"; voor West-Seran "oôooh Lanité"
(hemel). Vervolgens wordt de eedsaflegger uitgenoodigd bij Lahatalla of
den hemel, de aarde, waarop dan met den voet gestampt wordt, de zon,
de maan, de sterren en de zee, om de waarheid te spreken of om zijn
eed te houden, daar hij anders zal worden verpletterd door Lahatalla,
verslonden door de aarde, gedood door pijl, kogel of zwaard of op
andere wijze gewelddadig aan zijn eind zal komen. Van tijd tot tijd
vallen de omstanders in met de woorden: "zoo is het", of reciteeren
sommigen het formulier een eindje mede of voegen daaraan toe, wat naar
hunne meening noodig is. Op West-Seran roepen allen na elke zinsnede:
"hio!" Is de beëediging afgeloopen, dan drinken eedsaflegger en helpers
een slokje van het mengsel in het kommetje. Op West-Seran tracht een
ieder der omstanders een slokje van de lekkernij (?) te bemachtigen.
De Nisawéléstammen gebruiken instede van sterken drank, water bij
de beëediging. Bij de Halamoeristammen is de eedsaflegging weer
eenigszins anders. Bij het sluiten van den vrede tusschen Halamoeri
en Seliha ging deze plechtigheid aldus toe:
De hoofden van Hatiling, Manoeséla, Pasahari en Hatoe Olo legden hunne
dienststokken weg en stelden zich op voor den eed van onverbreekbaren
vrede. Een aarden pot met water gevuld, werd op den grond geplaatst,
dáárop een parang, een geweer en een paar sagobroodjes gelegd. De
Radja van Manoeséla hield eene lans met de punt in het water en begon
onder eene doodsche stilte Lahatalla aan te roepen en verder het
eedsformulier op te zeggen. In de met rotsblokken bezaaide rivier,
overschaduwd door woeste plantengroei, leverde deze plechtigheid
van die eenvoudige natuurmenschen, een belangwekkend schouwspel
op. Na den eed raakten allen beurtelings de lans aan, terwijl zij
die schuld hadden aan den vroeger gepleegden moord, hun gezicht in
het water afwieschen.
Daarna werden de handen van den moordenaar en den broeder des
vermoorden in een gelegd over den aarden pot en door den Orangkaja
van Ajerbesar, onder het uitspreken van eenige woorden naar de 4
windstreken heen en weder bewogen, waarna door beide partijen een
schot werd gelost.
Eene andere wijze van eedsaflegging greep plaats tusschen Nisawélé
en Hatiling.
Nadat de noodige besprekingen waren gehouden en de gegeven snelpanden
(zie later) waren ingelost, werd een algemeene maaltijd gehouden
"het pamali-eten", waaraan mannen en vrouwen deelnamen. Na afloop
hiervan gingen de hoofden en Orang toea naar den pamaliheuvel, in
de negorij Hatiling (oudtijds Marawali geheeten) gelegen en onder
het blazen op groote klinkhoorns, werden aldaar met luider stemme de
schimmen der voorvaderen aangeroepen. Teruggekeerd, werd ten huize
van den Gezaghebber van Hatiling, de harta, bestaande uit borden en
kaïns gekeurd en in ontvangst genomen.
Daarna schaarden zich de hoofden en de Orang toea in een kring,
waaromheen de bevolking; de oudste nam een mes, bracht dat in den
mond en gaf het daarna ter handreiking aan allen; nu werd beurtelings
door een der hoofden een duren eed gezworen; bij de aarde (waarvan
eene kleine hoeveelheid in den mond werd genomen) bij de zon en de
maan, bij de zee en onder het luidkeels aanroepen van Lahatalla,
het Opperwezen; gedurig vielen de overigen in koor in met het woord:
"Séhoe" beduidend: "zoo is het, het is uit." Ten slotte nam Nisawélé
een loeri, zwoer eveneens als de anderen, doch ook bij den heiligen
berg Moerkélé en reikte daarna den loeri aan Hatiling over. De
bedoeling hiervan is: het mes, dat Nisawélé ontving zal zich tegen
den stam keeren, zoo hij nu iets verborgen zal hebben of later toch
weer kwaad tegen het strandvolk bedrijven mocht; de loeri beduidde,
dat indien Hatiling mocht vernemen, dat Nisawélé weer aan het snellen
zou gaan, dit niet waar zou zijn en beschouwd moest worden als het
onzinnig gebabbel van een loeri.
Nijverheid. Aan nijverheid doet de Alfoer zeer weinig. Weven,
timmeren, smeden, pottenbakken enz. is bij de Berg-Alfoeren volkomen
onbekend. Eigenlijk verstaat hij niet anders dan het vlechten van
eenvoudige mandjes, vischfuiken en armbanden, het vervaardigen van
tjidako's [14], pijlen en bogen. De voor hem zoo onmisbare parang
(kapmes) kan hij niet zelf vervaardigen, doch betrekt die van de
handelaren. Ook aan versiering van zijne voorwerpen van dagelijksch
gebruik, doet hij zeer weinig. Slechts de kalkkokertjes, die de
vrouwen der Malowan-Alifoeroe dragen, zijn van een aardig snijwerk
voorzien en versierd met kralen en penningen.
De Oost-Alfoeren maken eenig werk van de versiering hunner schilden,
door die in te leggen met stukjes glas en paarlemoer en te bekleeden
met stukken kasawarihuid. Bij de strandbevolking is eenige meerdere
nijverheid te bespeuren. Er zijn verscheidene timmerlieden, die vrij
knap een houten huis in elkander weten te zetten. Hier en daar treft
men een smid aan, met zijne bekende primitieve smidse van bamboekokers
met zuigers, als blaasbalg dienst doende. Weven en pottenbakken is
echter onder hen ook onbekend, met uitzondering van eenige negorijen
op Z.O. Seran, waar enkele vrouwen met een primitief weefgestoelte
eenvoudige kaïn oeté2 weten te vervaardigen. Daarentegen zijn
onderscheidene negorijen bekend voor haar mattenvlechten. De matten
worden vervaardigd van reepen pandanusblad, die rood, geel, zwart en
blauw gekleurd worden; het patroon is dikwijls wel aardig. Roemah Olat
aan de Noordkust is bekend voor het vlechten van manden (tagalaja),
zeeven en groote en kleine doozen, terwijl men op Boano aardige
sirihdoozen vervaardigt in den vorm van missigits.
De Oost-Alfoeren maken hoofddeksels van bamboe en gekleurde
pandanusbladeren, met schelpjes en paarlemoer versierd, terwijl de
Zuid-Oost-Seranners worden genoemd om hunne tetoemboe, groote en kleine
veelkleurige koffers, eveneens van pandanblad, geschikt om kleederen in
te bergen en die dikwijls zeer sierlijk van afwerking zijn. Zij werken
echter slechts op bestelling of wanneer zij er lust in hebben. Van het
drijven van bepaalden handel in nijverheidsartikelen is geen sprake.
Op Hoeamoal zijn zeer enkelen, die hun brood winnen met het stoken van
kajoepoetih olie. Men verzamelt de bladeren van den kajoepoetihboom
in een vat en kneust ze met water vermengd. Daarna distilleert men
het mengsel middels eene eenvoudige koperen distilleerkolf, waarvan
de buis wordt afgekoeld in een tweede vat en vangt de uitloopende
olie in de bekende vierkante jeneverflesschen op.
Daar, waar de kanarieboom in groote hoeveelheid voorkomt, leggen
de vrouwen zich wel toe op het vervaardigen van olie daaruit,
hoofdzakelijk door kneuzing en afkoken der amandels, aldus eene zeer
fijne braadolie verkrijgend, terwijl het vervaardigen van klapperolie
overal bekend is. Indien men voortdurend de bewoners aanspoort en
er toe opwekt, is er wel eenige meerdere levendigheid in handel en
nijverheid te brengen, zooals moge blijken uit het feit, dat in
de afdeeling Wahaï de waarde der uitvoerartikelen (hoofdzakelijk
bestaande in boschproducten, coprah, hout, hertehuiden en hoorns,)
in drie jaren tijds van ± f 9000 op ± f 20.000 kon worden gebracht.
De eenige rijkdom der Alfoeren bestaat eigenlijk in het bezit van een
meerder of minder groot aantal borden, kommen en schotels. Hoewel
het gros hiervan meestal de gewone goedkoope porseleinsoorten
zijn, bezitten zij toch ook vele zeer oude en schoone Chineesch en
Delftsch(?) porseleinen schotels. Zij vertoonen die slechts ongaarne en
weten heel goed, dat Europeanen daar veel geld voor willen geven. Onze
voorvaderen schijnen vrijgevig geweest te zijn met het begiftigen van
de regenten daarmee. Dikwijls ziet men in hunne handen zeer fraaie
langwerpige en zeskantige schotels, met een Hollandsch motief er
op en soms wel van een familiewapen voorzien. Bij het betalen van
boeten, die doorgaans betaald worden met deze borden, onderzoeken de
Alfoeren die nauwkeurig stuk voor stuk. De klank speelt een hoofdrol
daarbij. Terwijl een persoon een schotel, op de vlakke hand geplaatst,
door middel van een tik deed klinken, zag ik een ander, die de beweging
maakte van het uitmeten van vademen met de armen; dit deed hij zoolang,
tot de toon niet meer waarneembaar was en uit het verkregen aantal
vademen kon hij dus vergelijken den duur van doorklinken met andere
schotels, een zeker niet onaardig middel, bij gebrek aan een horloge.
Nog is in aanzien een verglaasde aardewerk schotel van bleekblauwe
of bleekgroene kleur de pinggang batoe. Van een echte pinggang batoe
beweert men, dat het glazuur barst als er vergif in den schotel
gedaan wordt.
Een volledige "harta", oorlogsschatting of boete, bestaat bij de
Patasiwa uit:
9 vlaggen, 9 mangkok serasa (kommen) en groote schotels, 90 oude
borden, 900 kleine bordjes en 9 gongs; bij de Patalima vraagt men geen
vlaggen, doch respectievelijk 5 kommen, 50 oude borden, 500 kleine
bordjes en 5 gongs. Men houdt zich echter niet streng aan deze adat,
doch voegt er wel eens andere zaken aan toe, die men begeert. Vooral
de hebzuchtige West-Seranners zijn hiervoor bekend en dikwijls eischen
zij b.v. een extra harta als een moord geschied is, voor de oogen,
den mond of eenig ander lichaamsdeel van den verslagene. Het niet of
slechts gedeeltelijk voldoen van de geëischte harta is de hoofdoorzaak
van de meeste veeten tusschen de verschillende stammen.
Landbouw. De Alifoeroe zijn nog altijd in hoofdzaak een jager- en
visschersvolk; den landbouw of liever tuinbouw beoefenen zij als
nevenbedrijf. De buitengewone luiheid van dit volk zal wel oorzaak
zijn, dat het een afkeer heeft van het geregeld bewerken van den grond.
De landbouw op Seran is overal roofbouw. Dáár waar hem dit goeddunkt,
kapt de Alfoer een terrein open, plant er zijn gewas en ziet na den
oogst niet meer naar dit stuk grond om, dat spoedig weder in eene
wildernis herschapen is. De tuinen zijn dan ook wijd en zijd om de
negorijen verspreid. Slechts bij de strandbewoners, die zich niet
ver van hunne dorpen willen of durven wagen, kan men eenigszins van
blijvende tuinen spreken, doch men verwachte niet, dat men daarom
wel gezuiverde, goed beplante velden aan zal treffen. Tusschen de
vruchtboomen of veldgewassen in schiet het onkruid welig op, zelfs
de voetpaden door den tuin zijn meestal niet onderhouden. Men moet
er zich toch over verbazen, dat de Alfoer bij al zijne luiheid,
er weinig tegen opziet om groote stukken bosch te vellen, welk
zware werk hem zeer vlug afgaat en vreemd is het, dat hij na zulk
een arbeid verricht te hebben, plotseling tot andere gedachten komt,
zijn met moeite verkregen zaaiterrein schijnbaar zonder eenige reden
verder laat liggen voor wat het is en zijne landbouwplannen opgeeft.
Ook op ander gebied handelt hij zoo. Menigmaal ziet men in het bosch
vierkant bekapte balken en stijlen liggen voor den huizenbouw, waarvan
de eigenaar den verderen arbeid gestaakt heeft; ook wel vindt men in
het bosch eene half of bijna geheel afgewerkte prauw liggen, die men
blijkbaar niet meer noodig had. Wellicht wordt onder het werken de
luiheid den Alfoer toch te machtig en ziet hij tegen de voltooiing op.
Den sagopalm, die hem zijn hoofdvoedingsmiddel verschaft, behoeft
hij eigenlijk niet te verbouwen. Ten eerste groeit deze op Seran in
ontzaggelijke massa en ten tweede plant hij zichzelf voort. Als de
boom ongeveer 6 jaren oud is, is hij geschikt om meel te leveren. Hij
wordt geveld en in de lengte in tweeën gekapt. Het vezelige merg wordt
met een soort dissel verbrijzeld en murw geklopt. Daarna wordt de
massa met water gekneed en door eene zeef geperst en het vocht langs
een goot geleid naar een vat, waarin het sagomeel bezinkt. Hiervan
maakt men kegelvormige of cylindrische pakken (toeman) met behulp
van sagobladeren en hiermede is de bewerking afgeloopen. Bijzondere
hulpmiddelen zijn hiervoor niet noodig geweest. Een der bladstelen
dient als afvoergoot; het dikke ondereinde der takken vormt den
mengtrog; de zeef vervaardigt men uit het weefsel, dat in groote
lappen het boveneinde van den stam bedekt en het vat, waarin men de
emulsie opvangt, kan men uit sago-bladscheeden maken. De natuur zorgt
dus al buitengewoon goed voor den Alfoer.
Ook voor de Oeliassers is Seran de voorraadschuur, daar op die
eilanden weinig palmen voorkomen en door de bevolking moeten worden
bijgeplant. Voor den rijstbouw kapt men een terrein open en nadat
men het omgekapte heeft laten drogen, wordt het in brand gestoken. De
groote boomen die in het terrein liggen, blijven daarna soms wekenlang
doorsmeulen. Met een scherpen stok maakt men gaten in den grond,
werpt daarin eenige korrels en dekt ze dan losjes dicht. Dikwijls
worden er nog takjes en struikjes los overheen gelegd, tot afweer
van de vogels. Tusschen het onkruid schiet dan de padi op.
De korrel der Seranrijst is dan ook klein en vrij hard als ze gekookt
is, maar een proefsawah op Javaansche manier aangelegd, leverde met
zaaipadi van Seran, een prachtigen korrel, geheel gelijk aan Javarijst
en even smakelijk. Slechts de Malowanstammen verbouwen de rijst op
eenigszins groote schaal, terwijl wij aldaar tot onze verbazing,
eenige berghellingen beplant vonden met de gewone aardappels, echter
niet groot van stuk. De Alfoeren vertelden, dat zij zeer lang geleden
eenige aardappels van een Civiel-gezaghebber gekregen hadden en die
waren blijven verbouwen. Ook op Boeroe, waar onder aanmoediging van
het Bestuur, aardappelen worden geteeld, gedijen deze goed. Op Seran
troffen wij ze echter nergens anders aan.
Bij Lisabata, te Amahei en op Manipa groeien eenige honderdtallen
koffieboomen, vroeger op last van het Bestuur als proef geplant. Er
wordt geenerlei zorg aan besteed en toch geven de boomen een tamelijken
oogst. Te Lisabata staan zij op slechts honderd meters van de kust,
eigenlijk nog in het zand en bloeien toch vrij goed. Bijna iedere
Alfoer verbouwt eenige tabaksplanten en stelt deze liefst in de
onmiddellijke nabijheid van zijn huis op, dikwijls onder den dakrand,
zoodat de planten bij regen in den drup komen te staan. De bladeren
zijn groot en krachtig. Nadat zij fijn gekorven zijn, droogt men ze op
platte schotels of wannen op het dak van het huis en als de massa licht
geelbruin geworden is, is de tabak voor het gebruik geschikt. Slechts
om Sétie (Wahaï) heeft de tabaksbouw grootere afmetingen en mag de
tabak der Sétie-Alfoeren zich in een zekeren roep verheugen.
Te Soahoé zijn nog eenige notemuskaatbosschen, en de kokospalm tiert
overal welig; op Noord-Seran nog beter dan op Zuid-Seran, wijl aldaar
de vernielende klappertor weinig voorkomt [15]. Overal verspreid
komt de cacao voor, terwijl op N.O. Seran eenige katoenplanten,
vroeger als proef geplant, in het wild zijn blijven groeien.
De Radja van Amar op Z.O. Seran is vrijwel de eenige der inboorlingen,
die meer uitgebreide notemuskaattuinen bezit en in noten handel
drijft. De overigen verbouwen hunne gewassen hoofdzakelijk voor eigen
gebruik en verkoopen daarvan slechts, als zij zelven het minder noodig
hebben of overvloed bezitten.
Evenzoo primitief als de rijst, verbouwt de Alfoer nog suikerriet,
maïs, cassave, katjang en obi (patater) en het is slechts aan den
buitengewoon vruchtbaren bodem van Seran te danken, dat de bijna
onverzorgde gewassen nog voldoende vruchten afwerpen.
Jacht. De geliefkoosde wijze van jagen is het zich in hinderlaag
stellen, evenals bij het koppensnellen. Men noemt dit aan de kust
"pergi loer" (op den loer gaan). Om den zeer schuwen casuaris te
bemachtigen, moet de Alfoer soms een geheelen dag in hinderlaag
blijven, welke moeite hij zich gaarne getroost, daar het vleesch van
dien vogel zeer gezocht is en de beenderen hem dienstig zijn tot
het maken van lansspitsen, priemen, papedavorken etc. Het gebruik
van springlansen en strikken is algemeen. De eerste zijn zeer scherpe
bamboelansen, die door een veerkrachtigen, sterk gebogen tak voorwaarts
gedreven worden, als de liaan, die dwars over het pad gespannen is,
wordt aangeraakt. Soms plaatst men twee van die lansen evenwijdig
boven elkaar.