ALGEMEENE KARAKTERTREKKEN EN EIGENSCHAPPEN.

De Alfoeren van West-Seran zijn welgebouwde, vrij groote personen met

wilden oogopslag en fiere houding. De Midden-Seranners zijn kleiner

van gestalte en vredelievender van voorkomen. Eene gemiddelde meting

van 10 Nisawélé-Alfoeren gaf als lengte aan 1.52 M.; de mannen en

vrouwen daar zijn niet zoo fraai gebouwd als de West-Seranners,

terwijl de bewoners van Oost-Seran zeer schuwe lieden zijn van een

vreesachtig voorkomen. De strandbewoners aldaar hebben zeer veel

overeenkomst met Ternatanen, wat betreft kleeder- en haardracht,

die zij waarschijnlijk van hen overnamen. In lichaamsbouw zijn zij de

minste der bewoners van Seran. Behalve te Seléman, trof ik langs de

geheele Noord- en Westkust of in de bezochte bergnegorijen nergens

albino's aan. Te Seléman toonde men mij een kind, dat met zijne

blanke huid, blauwe oogen en lichtblonde haren, volkomen het type

van den Europeaan bezat en dat volstrekt niet het terugstootende

uiterlijk van den albino, met zijne rose huid en roode oogen,

vertoonde. Men zeide, dat in zijn geslacht de kinderen altijd eerst

blank waren en later pas donker werden. De vader en de grootvader,

die nog leefden en zeiden evenzoo blank te zijn geweest als 't kind,

waren wel eenigszins lichter gekleurd dan de overige bevolking, doch

niet opvallend; ook bezat de vader lichtbruine oogen, in plaats van

de algemeen voorkomende donkerbruine of bijna zwarte.

Alle Alfoeren zijn zeer zenuwachtig, opgewonden en blufferig van

aard. De Alfoer spreekt bijna immer in superlatieven, vervalt spoedig

in een luiden toon en als hij zich warm maakt onder zijn gesprek,

begint het geheele lichaam op en neder te schokken. Opmerkelijk is dat

de Christen en de Mohammedaansche strandbewoners deze eigenaardige

gewoonte bijna geheel hebben afgelegd, die bij den Berg-Alfoer

een zeker teeken is dat hij zich boos maakt. Door zijne overdreven

spreekwijze, zijne heftige gebaren, tracht hij op zijn tegenstander

indruk te maken. In eene vergadering met Malowan-Alfoeren b.v. stelde

het bestuur voor, een hunner, die overwicht op zijne kameraden bezat,

tot Kapala soa te benoemen. Als antwoord op dit voorstel sprong de

man woest op, greep zijne lans, slingerde die over onze hoofden in een

boom, waarin zij trillend bleef steken, voerde eenige krijgsdanspassen

uit en bleef toen in trotsche houding voor ons staan, zeggende:

"mijnheer heeft gelijk, ik ben een kranig man!"

Vraagt men een Berg-Alfoer naar de sterkte zijner negorijen, dan geeft

hij maar een groot getal op, hetgeen schatting der bergbevolking zeer

bemoeilijkt. Bedreigingen om eene negorij aan te vallen gaan altijd

gepaard met de verzekering: "dat thans die negorij geheel uitgeroeid

zal worden!" Een koelie, wiens vracht te zwaar is, verklaart u, dat

zijn hals reeds gebroken is! Iemand, die mededeelt dat hij aangerand

werd zegt: "ik was reeds dood, maar toen kwam die en die en redde

mij." Met deze voorbeelden wenschten wij aan te toonen, dat de Alfoer

liefst den overtreffenden trap gebruikt bij zijne verhalen, waarmede

men dus rekening heeft te houden.

Eene hoofdondeugd der Alfoeren is de dronkenschap.

Vooral op West-Seran is de drankzucht zoo groot, dat er verscheidene

negorijen zijn, waarvan bijna alle mannen tegen 11 uren des ochtends

min of meer onder den invloed van drank zijn.

Bij besprekingen met Berg-Alfoeren moet men met die ondeugd rekening

houden, daar men het den Alfoer niet altijd kan aanzien, of hij

gedronken heeft of niet en in dien toestand belooft of beweert hij

vele zaken, waar hij zich later niet aan houdt of waarvan hij zich

niets meer herinnert. Ook onder de Christenen komt dronkenschap

nog veel voor. Vaak spreken eenige mannen af, om zich gezamenlijk

te bedrinken. Zij begeven zich daartoe, voorzien van sagoeweer,

sagobroodjes en visch of vleesch naar een sagéroeboom in het bosch,

om dadelijk weer nieuwe voorraad bij de hand te hebben en bedrinken

zich daar dan zoodanig, dat zij buiten kennis blijven liggen. Dikwijls

worden zij zoo eene prooi van de koppensnellers, die op eene dergelijke

pic-nic loeren.

De sagéroe wordt afgetapt uit het vruchtbeginsel van den arènpalm. De

steel, waaraan de vruchten hangen, wordt door heen en weer zwaaien

en kloppen gedurende eenige dagen, murw gemaakt; daarna wordt hij

afgesneden en de palmwijn drupt eruit in lange bamboekokers, die

eronder worden gehangen. Men slaat ook wel bamboebuisjes in den stam,

om het vocht af te tappen. Door toevoeging van eene zekere houtsoort

krijgt men een groengrijs, bitter vocht en men staat verwonderd, dat

zelfs Europeanen daar zoo aan verslaafd raken. Te Kamarian b.v. woonde

in 1904 een gepensionneerd Europeesch fuselier, die alleen om volop

sagéroe te kunnen drinken, zich aldaar had gevestigd. Per dag gebruikte

hij minstens 4 "vierkante potten" dus 6 L. Het eenig doeltreffende

middel tegen deze drankzucht zou zijn, den sagéroepalm zooveel mogelijk

uit te roeien, ware het niet, dat men aldus doende ook de gemoetoe

[11] zou doen verdwijnen. Zeker is het, dat een dergelijk onmatig

gebruik van alcohol een van de redenen is, dat dit ras zoo achterlijk

blijft en weinig vruchtbaar is, zoodat het bestuur middelen behoort

te vinden om het euvel zooveel mogelijk te bestrijden; onderwijs en

godsdienst kunnen daartoe ten zeerste medewerken.

Gelukkig staat de bevolking van Midden- en van Oost-Seran hierin hooger

en is het drankmisbruik aldaar lang niet zoo sterk of algemeen. De

Nisawélé-stammen gebruiken zelfs in 't geheel geen sagéroe. Evenzoo

is het met de betrouwbaarheid gesteld: van het Oosten naar het Westen

wordt de betrouwbaarheid der bevolking minder, zelfs in die mate dat de

West-Seranners soms trachtten om een gedanen eed, die in het algemeen

door den Alfoer heilig wordt gehouden, op listige wijze ongedaan of

slechts gedeeltelijk van kracht te verklaren.

Door dit vermelden der hoofdondeugden zou echter de meening kunnen

gevestigd worden, dat de Alfoeren een weerzinwekkend volkje zijn en

dit is de bedoeling niet. Integendeel, zijn de Alfoeren een volk,

waarin men belang gaat stellen en waarvoor men bij nadere kennismaking

gaat gevoelen. Het is vooral bij het bivakkeeren op tochten, als men

na een vermoeienden marsch de leden uitstrekt op de warme heldere

grintbedding eener halfdroge rivier (eene geliefkoosde kampeerplaats),

dat men het best verneemt van de grieven en nooden, het lief en leed

van zijne halfwilde begeleiders. Vertrouwelijk en gezellig komen zij

dan bij u neerhurken, zich gemoedelijk de beenen inwrijvende met daon

gatal, of het slijk van hunne kuiten krabbende met den parang.

Het vroolijke en kinderlijke, gepaard aan de poging om zoo hulpvaardig

mogelijk te zijn bij het opslaan der afdakjes, onder welk werk de

Alfoer van tijd tot tijd, bij gebrek aan taalkennis, u eventjes minzaam

toegrinnikt met een hoofdknikje, maakte dat vooral de Midden-Seranners

aan alle officieren sympathiek waren en ook de soldaten best met hen

konden opschieten. Ook luisteren zij naar vertoogen en valt zeker met

hen te redeneeren, indien zij met takt geleid worden en de woordvoerder

hun vertrouwen bezit. Dit was bijv. in ruime mate het geval met onzen

tolk Laha, iemand van Ternataansche afkomst. Als hem het te behandelen

onderwerp goed werd uitgelegd, dan kon men zeker zijn van een goeden

uitslag der besprekingen. Hij won zich dan ook den eeretitel van

"Kapala tolleki" (hoofd der tolken).

Van tijd tot tijd echter ontstaat er eene "strubbeling"; dan schalt

de stem van Laha door het huis of door het woud, rad vliegen de

woorden, vergezeld van breede gebaren, over zijne lippen en teekent

zijn gelaat hevige verontwaardiging. De woorden "Sulthan Wilhelmina

en Kompania en Kommandant" komen veelvuldig in zijne rede voor en

alle Alifoeroe luisteren eerbiedig, met de oogen naar den grond

geslagen en bewonderend knikkend toe, want welsprekendheid of liever

volubiliteit is bij hen hoog in eere. Dit is, als de Alifoeroe zich nu

maar niet dadelijk met de hun voorgelegde zienswijze kunnen vereenigen

en als Laha dan op adem is gekomen en ik vraag hem naar de reden

van deze philippica, dan heet het: "Och, meneer, die kerels wisten

het natuurlijk beter en toen heb ik hun verteld, dat ik mij voor hen

schaamde, dat Koningin Wilhelmina en de kommandant (men vergeve deze

gelijkstelling, zij is van een eenvoudigen Alfoer!) zich nog met hen

bemoeiden!" Daarna spuwt Laha nadrukkelijk ter zijde en zwijgt in

stille verontwaardiging. Dan was hij magnifiek! En altijd na eenige

oogenblikken van drukkende stilte, nam dan de een of ander het woord

en zeide: "'t Is ook zoo, wij zijn maar domme menschen, de kommandant

moet maar niet boos zijn," en dan was de vrede weer geteekend en het

gesprek weer algemeen.

Het ontroerde mij, als ik in het halfduister liggende, te midden van

dit natuurvolk en die woeste, ongerepte wouden en bergen, hoorde hoe

Laha de meest wondere verhalen van de Koningin deed, hij die zelf

maar een flauw begrip van Haar had. En toen een Alfoer hem naïef

vroeg, waarom de Sulthan niet eens te Wahaï kwam, gaf hij dezen een

goedaardigen, luid klinkenden slag om zijn ooren en vroeg hem, of hij

zoo onbeschaamd durfde zijn om de Koningin te verschrikken met zijn

zwarte gezicht? En daarna den een na den ander te hooren stamelen het

moeilijk woord "Wilhelmina", dat onze waardige zelf ook niet zuiver

wist voor te zeggen.

Brave Laha, onbekende, trouwe dienaar van H.M.!

Het eiland Seran en zijne bewoners · 第 12 / 18 题