De oorspronkelijke bewoners van Seran, waarvan de bergbewoners de
afstammelingen zijn, duidt men met den algemeenen naam van Alifoeroe
of Alipoeroe aan, evenals de bewoners van het binnenland van Djilolo,
Celebes en Nieuw-Guinea. Zelfs werd, met de vaardigheid, waarmede
de Europeaan de polynesische namen verbasteren kan, deze naam tot
Harafoera. Wat of het woord Alifoeroe beduidt, of waarvan het is
afgeleid, is niet bekend. Eenmaal zag ik de meening verkondigd,
dat het zou ontstaan zijn uit de woorden "hari poeroen", aangevende
menschen, die wonen, waar de dag opgaat. Mij dunkt deze uitleg nog
al gezocht. De bergbewoners noemen zich zelve niet "Alifoeroe",
men spreekt slechts onder dien naam van hen en deze betituleering
heeft eigenlijk eene eenigszins minachtende beteekenis. Spreekt men
op beleefde wijze over den Alfoer, dan noemt men hen "orang hindoe"
(heiden) of, zooals aan de Noordkust wel voorkomt, wémalé. De
strandbewoners zijn grootendeels eveneens Alifoeroe, doch in
verscheidene negorijen, vooral in de Mohammedaansche, is het ras
vermengd met dat van vreemdelingen (Javanen, Makassaren, Maleiers)
en in het Oosten is de invloed van de Ternataansche overheersching,
in bloedsmenging duidelijk. De groote Virchow kwam na het bestudeeren
van een Alfoerenschedel tot de uitspraak: "dasz die Ceramesen in
ihrer Hauptmasse keine Papuas sind, dasz sie sich aber auch von den
eigentlichen Malayen unterscheiden". Prof. Martin voegt hier echter
aan toe: "Ich glaube betönen zu müssen, dasz es sich hier um die
Schädel von Strandbewonern handelte, welche ohne Zweifel gemischt
sind und das Resultat der Untersuchung Virchows nicht ohne weiteres
auf die Bergalfuren übertragen werden darf".
De Seransche bevolking behoort tot drie hoofdstammen: de Patasiwa,
de Patalima en die van het Oostelijk deel des eilands, die geen
bijzonderen naam dragen.
De Patasiwa verdeelt men weer in Patasiwa hitam en Patasiwa poetih,
d.w.z. in getatoeëerde en niet geteekende P.s. Wat die namen beteekenen
is ook al weer onbekend, de bevolking zelve kan ze niet verklaren. Op
de Oeliassers noemt men ze ook Oelisiwa en Oelilima. Siwa beduidt
negen, in vele Alfoersche taaleigen, terwijl lima vijf beteekent,
evenals in 't Maleisch. De getallen 9 en 5 zijn voor de betreffende
stammen dan ook heilig, terwijl oorlogsschattingen betaald worden in
veelvouden van die cijfers. Ook gebeurt het wel, dat bij de Patasiwa
bijv., na het afleggen van een eed of belofte, men plechtig telt tot
9 en daarbij na het uitspreken van het getal 8 een oogenblik wacht
en daarna eerst besluit met "siwa"! Hoe een deel der Patasiwa er toe
overging om zich te tatoeëeren en met welk doel, is onbekend. Van
Hoëvell vermoedt, dat die mannen, die zich met voorbijgaan van
onderlinge veeten wilden te weer stellen tegen de geweldenarijen
der O.I. Compagnie, zich, ter herkenning, van een ingeprikt merk
in de huid voorzagen en aldus een politieken bond gevormd werd en
geheel onmogelijk is dit niet, als men waarneemt, dat die getatoeëerde
Alfoeren, alleen op West-Seran voorkomen, dat dan ook bijna uitsluitend
van de heerschappij der O.I. Compagnie te lijden had.
Volgens den ter dood veroordeelden Kapitan Marcus Kakiay, die in
de gevangenis te Amboina mededeelingen heeft gedaan omtrent het
Kakihanisme, bestond dit reeds voor de komst der Portugeezen. Dit
is echter bijna niet aan te nemen, daar Valentijn als nauwkeurig
geschiedschrijver er dan zeker wel melding van gemaakt zou hebben
en zou dus het Kakihanisme ontstaan zijn in de eerste helft der
zeventiende eeuw, welke meening ook von Rosenberg verkondigde. In ieder
geval is het tatoeëeren thans adat geworden en vormen de Kakihans,
zooals zij genoemd worden, tegenwoordig geen zelfstandige politieke
partij meer. De grenzen van het adatgebied der Patasiwa hitam zijn in
het Noorden de Wae Pinang bij Warasiwa (volgens den adat eigenlijk de
Haoe, die van weerszijden voortdurend bewaakt werd)--awara = wachten,
bewaken--in het Zuiden de Malarivier bij de negorij Elpapoetih. Die,
tusschen de Patasiwa poetih en de Oost-Seranners zijn niet zoo scherp
te trekken, doch men rekent in het Noorden de Aké Ternate en in het
Zuiden de Bobot tot de grensscheidingen. Ondertusschen ziet men,
dat te Paä en te Roemah Sokat Patasiwa hitam, te Wae Loeloe Patasiwa
poetih wonen, dus midden in het gebied der Patalima.
Dit is het gevolg van het feit, dat toen het bestuur er toe overging
om de Alifoeroe van uit de bergen naar de kust te verplaatsen, dit
geschiedde zonder kennis van zaken, dus verkeerd en het gevolg van deze
dooreenmenging van stammen was, dat er voortdurende veeten ontstonden
over grensscheidingen van doesons, vischterrein enz., die tot op den
huidigen dag onrust verwekken en aanleiding geven tot koppensnellen.
De negorij Lisiëla is door De Vlaming van Hoeamoal verjaagd en behoort
thans tot de Patalima; Lisabata, dat zich heeft afgescheiden van
Lisabata op West-Seran, behoort eigenlijk ook tot de Patasiwa poetih,
ofschoon het thans het gezag voert over Patalima-negorijen.
Men kan de bevolking van Seran niet als een geheel beschrijven,
daar behalve bovengenoemde algemeene indeeling de Alfoeren in zeer
vele stammen verdeeld zijn, die ieder een eigen dialect spreken
en waarvan zeden en gewoonten dikwijls bepaald verschillen. Dit
is zelfs zoo sterk, dat twee negorijen, die dicht naast elkander
zijn gebouwd en waarvan de straten ineen loopen, toch verschillende
gebruiken kunnen hebben en eene verschillende taal spreken. Het zou
eene nauwgezette studie vorderen om te bepalen, welke stammen eene
bepaald verschillende taal spreken en welke slechts in uitdrukking,
klemtoon en enkele woorden verschillen.
Aan de Noordkust dient de behasa Hatoé, in de Piroebaai die van
Loehoe, eenigermate als lingua franca, met dien verstande, dat de
toegesprokene de genoemde behasa wel verstaat, doch antwoordt in zijn
eigen dialect. Langs de geheele kust echter wordt als voertaal der
gedachte Maleisch gesproken en daar zeer velen die taal op school
hebben geleerd en deze sinds eeuwen her in de Molukken op die wijze
is onderwezen en gesproken, zoo is dat Maleisch vrij zuiver het
Riouwsch Maleisch gebleven, zij het dan ook dat eigenaardig Moluksche
zinswendingen en vreemde woorden zijn ingeslopen. Het bovenstaande
in aanmerking nemende, is het duidelijk, dat vele reisbeschrijvingen
in zooverre onjuist zijn, omdat zij generaliseeren en plaatselijke
gebruiken als algemeene voorstellen. Vooral bij het lezen van het werk
van Riedel "de sluik- en kroesharige rassen" rijst menigmaal de vraag:
"waar doet men zulks en in welk dialect spreekt men zoo", terwijl
eene beschrijving van land en volk, opgesteld naar mededeelingen
van verschillende personen op Seran, die uit den aard der zaak toch
zeker niet altijd bevoegd waren tot scherp oordeelen en waarnemen,
noodzakelijkerwijze veelvuldige onjuistheden en soms volkomen
onwaarheden zal bevatten.
De heer Boot geeft op blz. 1186 T. A. G. een aantal woorden in
verschillende dialecten. Alleen moet ik hierbij aanteekenen, dat
het geen zin heeft van een behasa Patasiwa of Patalima te spreken,
daar op West-Seran het door hem vermelde dialect niet kan worden
gebezigd, evenmin als op de Zuidkust het door hem bedoelde dialect
voor de Patalima aldaar geldt. Daar waar het dus geen algemeene
karaktereigenschappen of zeden der Alifoeroe betreft, behoort steeds
te worden aangegeven, waar ter plaatse men het vermelde waarnam.
Behalve de indeeling in Patasiwa en Patalima worden nog de
Hoaoeloe-Alfoeren onder den verzamelnaam van Makoeala, die van het
achterland van Soekaradja (Wahaï) Malowan, die van het achterland
van Nakaela, Makahala-Alfoeren genoemd. Zoo heeten de bewoners van
de omstreken van Sollok (achter Wahaï) de Wae Ramastammen, die,
welke om Makoeala Inan aan den bovenloop van de Isal wonen, de Hatoe
Olo-Alfoeren, wier hoofd gevestigd is te Ajerbesar.
Sterkte der bevolking. Deze is nog altijd niet nauwkeurig op te geven,
ten eerste, omdat de door de posthouders gehouden tellingen, niet met
de noodige nauwkeurigheid geschiedden en veelal afgingen op opgaven
van de hoofden, die zelden in staat zijn, groote getallen te tellen;
ten tweede, omdat in de bergnegorijen de bevolking uit vreesachtigheid
dikwijls het zielenaantal verbergt, of wel uit eene neiging tot
grootspraak, die bij de Alfoeren wordt aangetroffen, het aantal
stamgenooten overdreven groot opgeeft en
ten derde, omdat nog zeer vele negorijen niet eens bekend zijn of
ooit bezocht werden.
Zoo schatte Van der Crab het aantal bewoners op 78.214 zielen; Van
Hoëvell, die zoo goed mogelijk zijne cijfers verzamelde, doch geen
persoonlijke telling hield, kwam tot een totaal van 63.487; Bleeker
schatte het zielenaantal op 150.000; Riedel daarentegen op slechts
40.000, terwijl Van Eck 39.955 zielen, alleen aan kustbewoners opgeeft
en Ribbe het aantal inwoners zelfs op 350.000 begroot. In 1902 werd
voor het eerst de bevolking van Wahaï, in 1904 die van West Seran
zooveel mogelijk bepaald geteld, waarbij wij tot resp. ± 11.000 en ±
17.000 zielen kwamen; rekent men voor de afdeelingen Amahei en Waroe
ongeveer gelijke getallen, dan zal de opgave van Van Hoëvell het
dichtst bij de waarheid komen.
De telling geschiedt aldus: De Alfoerenstammen zijn ingedeeld in
families of soa, die eenzelfden geslachtsnaam dragen en waarvan een
man bij keuze wordt aangesteld tot Kapala soa. Deze man kent al zijne
familieleden bij name en nu legt hij voor ieder door hem getelde
persoon een stokje neder, verschillend in grootte voor man, vrouw,
knaap of meisje. Het tellen van de aldus verzamelde bosjes stokjes,
geeft vrij nauwkeurig het zielenaantal der beide seksen aan.
Huizen. De huizen der heiden-Alfoeren zijn alle paalwoningen en
onderscheiden zich daardoor van die hunner Mohammedaansche en
Christenrasgenooten, die het aardoppervlak tot vloer bezigen.
Het algemeene type dezer laatste woningen is een vierkant gebouw met
een smalle open voorgalerij. Het dak is viervlakkig en heeft openingen
in de hoeken tot doorlating van den rook. De meer vooruitstrevenden
echter bouwen achter tegen het huis een kleiner optrekje, dat als
keuken dienst doet. Aan ventilatie en raamopeningen wordt geen zorg
besteed. Het raam bestaat dikwijls in 't geheel niet of is een klein
vierkant gat in den wand. De stijlen van het huis zijn uit het woud
gekapte rondhouten, de omwanding van gabba2 (nerven van de arèn- en de
niboengpalm, die van de bladeren ontdaan, naast elkander gesteld en
door middel van bamboepennen verbonden worden). Slechts zeer zelden
treft men eenige versiering aan. Alleen het huis van den Regent of
van een Kapala soa wordt soms hechter gebouwd en meer op Europeesche
wijze in elkander gezet van geschaafde balken en stijlen met een
planken omwanding, terwijl de vloer wordt opgehoogd en omgeven door
een gemetseld walletje. Het is nog niet lang geleden, dat het verbod
heerschte op West-Seran, om eenig metselwerk aan zijn huis te bezitten,
daar dit alleen voorbehouden was aan het kakihanhuis (zie daar).
Dat de kustbewoner onder leiding zeer goed bouwen kàn, blijkt uit de
woningen van de Regenten van Roemah Kai, Kaibobo, Lisabata, Hatoé,
Iha, Loehoe en vele andere, waar men werkelijk zeer goed opgetrokken
huizen, kerken en missigits aantreft. Deze woningen zijn van goede
ramen voorzien en hebben eene indeeling in kamers, terwijl kerken en
missigits meestal een half steenen muur bezitten. Doch om dergelijke
gebouwen op te richten moet de ongelooflijk luie strandbewoner ten
krachtigste worden aangespoord; hij leeft voor zichzelf even lief in
eene "paparisa" d.w.z. een afdakje van atap, met atap of bladeren
omwanding. Zóó heeft, nadat Hatoe Soea door de vloedgolf van de
Elpapoetihbaai in 1899 verwoest was, de bevolking tot 1904 geleefd in
dergelijke hutjes die men zonder eenige regelmaat aan het strand had
opgetrokken, waarvan de daken lekten en vele zelfs geene omwanding
bezaten. Slechts onder krachtigen druk van het bestuur bouwde men in
1904 in 5 maanden tijds de oude negorij weer op. En Hatoe Soea telde
nog wel eene Christenbevolking, die voor vrij beschaafd doorging,
waaronder jarenlang een posthouder had gewoond, waar eene talrijk
bezochte school stond! Hatoe Soea werd "klein Ambon" genoemd!
De Alfoerenwoningen van Seran bewesten de lijn getrokken van Roemah
Olat naar Sepa bestaan uit kleine huizen voor eene familie. De
vloer is op palen, op verschillende hoogte (op West-Seran meestal
op manshoogte), aangebracht, terwijl van de huizen in het binnenland
van Oostelijk Seran de vloer op meer dan reikhoogte wordt gebouwd.
Ofschoon het viervlakkige dak bij de West-Seransche huizen alle licht
en lucht afsluit, (soms reikt dit dak tot op nauwelijks een meter
hoogte van den grond), dus zeer onhygiënisch moet zijn, zoo begrijpt
men toch, dat de Alfoer er toe gekomen is, een dergelijken bouwstijl
te bezigen, als men overnacht in een Alfoerendorp, dat meestal op een
hoogen bergtop gebouwd is. In den Westmoesson gieren dan snerpend
koude winden door de bergen en is des avonds het aanleggen van een
vuurtje geen overbodig iets.
De lange dakvlakken beschutten dan het huis zeer goed. Op het eerste
gezicht meent men dat het huis eene driehoekige doorsnede moet hebben,
totdat een onderzoek onder het dak den inwendigen zesvlakkigen vorm
laat zien. Het gezin brengt overdag het leven meest op de dego2
(rustbank) onder het huis door, daar het binnen bijna geheel duister
is. De vervuiling van die donkere huizen is natuurlijk zeer groot en
het ergste is dit bij de stammen oostelijk van Wahaï, waar men ook
zijne behoeften door openingen in den vloer doet!
De woningen oostelijk van de straks gegeven lijn zijn familiewoningen,
die tot een 100tal zielen kunnen bevatten. Vooral de huizen achter
Kobi zijn zeer groot en bestaan uit een vloer op palen rustend en een
dak. De omwanding is alleen daar doorgetrokken, waar de kamertjes der
gehuwden zijn. Overigens is er een rondloopende dego2 beschut door
een wand van eenige decimeters hoogte om het geheele huis gebouwd,
waarop de ongehuwden slapen en het dagelijksche huiswerk wordt
verricht. Iedere familie heeft haar eigen vuurhaard, bestaande uit eene
leemen schijf, gevat in een band van boomschors, die over den vloer,
welke meestal uit gespleten bamboe bestaat, heen en weder kan geschoven
worden. Huisraad is er al bijzonder weinig en bestaat in hoofdzaak uit
eenig keukengerei. Aan den wand ziet men bamboekokertjes om daarin
harsfakkels voor nachtelijke verlichting te kunnen steken. Eenige
rekken dienen om potten, borden en brandhout op te stapelen, terwijl
messen, jachttuig e.d. eenvoudig tusschen de atappen van het dak worden
gestoken. Bijna in iedere Alifoeroewoning vindt men de bekkeneelen van
varkens, herten, koesoe2 enz. aan een balk hangen, terwijl de staarten
van visschen tegen de wanden en stijlen worden gespijkerd. Dit doet
de jager, om zich van eene voortdurend goede jacht te verzekeren.
Kleederen en sieraden worden opgeborgen in "tetoemboe" of "tagalaja",
vierkante doozen van pandanusbladeren gevlochten, terwijl in een hoek
altijd eenige bamboekokers, gevuld met drinkwater, gevonden worden
en in West-Seran met de onmisbare sagoeweer.
Als huisdier heeft de Alfoer een leelijk, mager soort hond met steile
ooren, gelijk aan het algemeen door Indië verspreide "gladakker"
type. Hij zorgt er zeer goed voor en als het beest nog klein is,
wordt het door den eigenaar steeds in den arm heen en weer gedragen,
om het te gewennen zijn meester te volgen. Voor het opdrijven van
wild zijn die dieren uitnemend geschikt. Merkwaardig is het te zien,
hoe behendig deze honden tegen den klimbalk, een rondhout waarin
treden zijn uitgekapt en waarlangs men in het huis komt, weten op te
klimmen. (Te Wakolo heeft men een afzonderlijke ladder of klimbalk
voor mannen en voor vrouwen, een gebruik dat men elders niet aantreft).
Dat de hond (even als de kat), is ingevoerd, kan misschien blijken uit
den naam "asoe" dien hij bijna overal draagt. De kat, die de Alfoer
gaarne bezit, doch die niet veel voorkomt, heet "mèong", dus eene
zuivere onomatopee. Verder kweeken vele Alfoerenstammen het varken
als huisdier, terwijl men dikwijls tamme herten en kasawari in de
negorijen ziet rondloopen.
De woningen der Patasiwa staan meestal bij elkander zonder regelmaat,
terwijl de tusschenliggende grond zeer schoon wordt gehouden. Deze
dorpen bevinden zich doorgaans op bergtoppen om aldus beter beveiligd
te zijn tegen aanvallen. Daar de Alfoer zeer weinig water drinkt
en zich nooit wascht, heeft de nabijheid van een riviertje geene
aantrekkelijkheid voor hem. Hij ziet er niet tegen op om het water
in bamboekokers eenige honderden meters den berg op te moeten voeren
of liever, hij laat zijne vrouw zulks doen. De huizen van Oost-Seran,
waarvan soms één huis eene negorij bevat, staan daarentegen meest bij
rivieren en verspreid (daar hier geen koppensnellen gevreesd wordt)
zonder dat men de moeite neemt om den grond er omheen of zelfs er
onder van onkruid te zuiveren. De negorij Maneoe bestaat uit drie
huizen, die door een overdekten overloop aan elkander verbonden zijn.
Bij de woningen ziet men zeer kleine hutjes staan, die dienen om
door de vrouw tijdens de menstruatie bewoond te worden. Men kan er
nauwelijks in staan, zij zijn ellendig ingedekt en van eene slordige
omwanding voorzien, zoodat het verblijf daarin voor de vrouw verre
van aangenaam moet zijn. Het is den man ten strengste verboden in
die huisjes te komen en het verbod van omgang met de in dien toestand
verkeerende vrouw komen alle Alfoeren zeer streng na. Het visschen naar
garnalen in de riviertjes is haar dan verboden. Het gebeurde eens bij
de Roemah Soalstam, dat een jong meisje, terwijl zij de menstruatie
had, toch ook aan het garnalenvisschen had meegedaan. Zij werd niet
minder dan ter dood veroordeeld. Men plaatste haar op een steen midden
in de rivier en kapte aan den oever een boom, die haar in zijn val
moest verpletteren. De berekening faalde echter en het meisje bleef
ongedeerd. De hulpprediker, die toevallig in de buurt aanwezig was,
wist de lieden te overtuigen, dat de booze geesten blijkbaar het
offer niet wilden en zoo redde hij het meisje.
Op Oostelijk Seran ziet men ook wel, dat die roemah pamali tegen de
algemeene familiewoning zijn aangebouwd.
In Van Doren's "Fragmenten" leest men op blz. 149, dat de Alfoeren
van Masisihoelan in holen leefden. Het bezoek van dien heer greep
plaats in 1839; doch thans zijn van die holenwoningen niets te vinden
en bestaat het dorp Masisihoelan uit zulke woningen als elders op
West-Seran worden aangetroffen.
Iedere Alfoerennegorij heeft haar "batoe pamali", naar het heet,
den steen dien men uit de bergen van de oorspronkelijke negorij heeft
medegebracht. Dikwijls liggen deze steenen bij de baileo of ook wel op
eene meer verborgen plaats in de nabijheid. Het is een gewone kei, soms
op drie andere keien geplaatst, doch meestal half ingegraven. Veelal
liggen daarnaast eenige tahoeri of groote kinkhoorns, waarop bij
plechtige gelegenheden geblazen wordt.
Kleeding. De Mohammedaansche strandbevolking kleedt zich zooals
elders in den Archipel gebruikelijk is [10]. De Christenen hebben de
kleederdracht der Ambonsche Christenen overgenomen, d.i. een buis en
broek van katoen, terwijl het haar kort wordt geknipt en het hoofd
onbedekt blijft. De Christenen uit den omtrek van Amahei en ook die
van Kaibobo hebben een eigenaardigen broek, waarvan de pijpen tot aan
de kuiten reiken en waarvan het zeer wijde kruis maakt, dat de pijpen
eigenlijk slechts een decimeter lang zijn. Als kerkgewaad draagt men
een samaar van zwart katoen, de vrouwen eene zwarte lange kabaja,
die tot bijna aan het ondereind van den sarong reikt. De ouderlingen
hebben op dat zwarte hemd een staand kraagje achter in den nek,
ongeveer zooals men aan de Scheveningsche vrouwenmantels ziet.
De Regenten kleeden zich, als zij het betalen kunnen, geheel
Europeesch en voelen eene groote voorliefde voor den rok of "smoking"
en kunnen er daarin inderdaad zeer deftig uitzien. Zoowel bij de
Mohammedanen als bij de Christenen geldt de adat, dat alleen Regenten
en hunne familieleden schoenen mogen dragen. De vrouwen en dochters
van Regenten dragen drie haarnaalden aan de rechterzijde van den
haarwrong, terwijl de overige vrouwen zich met een of twee naalden
moeten vergenoegen. De onderscheiding van "njonja plooi" en "njonja
rok", te Amboina gebruikelijk, kent men hier echter niet.
Behalve deze dracht hebben verscheidene negorijen het "pakean
tanah" of de landsdracht, die alleen bij feestelijke gelegenheden
door de meisjes gedragen wordt. Zij bestaat doorgaans uit een kort
baadje van gekleurde stof, versierd met zilveren ornamentjes en eene
sarong van eigenaardig geweven stof, die zeer oud moet zijn. Meestal
draagt men twee sarongs boven elkander, de eene korter opgeschort
dan de andere. Te Sawaï en Hatoé hebben de meisjes over dit kleed
nog een wit hemd aan, waarvan de mouwen niet gebruikt, doch tot een
knoop samengebonden, over de schouders geworpen worden. De bedoeling
hiervan wordt bij de beschrijving der dansen uitgelegd. Bij dit gewaad
wordt meestal een losse kraag van gekleurde stof gedragen, die met
passement en filigraanwerk versierd is, terwijl om den kondeh een
snoer, vervaardigd uit een soort vlierpit (papatjéda) gewikkeld wordt,
in verschillende kleuren geverfd. De meisjes zien er aldus soms lang
niet onaardig uit en zijn even coquet en hebben even lang werk met haar
toilet als hare westersche zusters. In het dagelijksche leven echter
maken zoowel mannen als vrouwen weinig werk van hunne kleeding en zien
er doorgaans zeer armoedig, om niet te zeggen onoogelijk uit. Tot het
verrichten van werkzaamheden in het bosch of in hunne prauwen zijnde,
behouden de mannen alleen den broek aan of trekken eene sarong tusschen
hunne beenen door, aldus een schaamgordel vormende.
Als sieraad dragen de vrouwen in het haar, behalve de genoemde
haarspelden, de "sisir mas" (gouden kam), een hoornen kammetje
van den halven maanvorm, beslagen met een stukje gebloemd koper-
of zilverblik. Om de polsen dragen zij zeer eenvoudige zilveren
of vergulde armringen en ook zulke vingerringen. Te Piroe en
te Hatoe Soea behoort bij het boven beschreven pakean tanah een
hoofdtooisel bestaande uit een zilveren pennetje, waaraan evenals
bij een schelleboom, kleine ruitvormige zilveren plaatjes hangen aan
korte stukjes ketting. Vroeger schijnt men meer gouden en zilveren
sieraden bezeten te hebben, vooral genoemd wordt de "oelar mas"
(gouden slang), doch bij den overgang tot het Christendom werden die
zaken als behoorende tot heidensche verfoeilijkheden, in zee geworpen;
hiertoe werd men aangezet door het drijven van fanatieke inlandsche
godsdienstleeraars.
De tegenwoordig gedragen sieraden werden door Makassaarsche handelaars
ingevoerd. Een sirihdoosje, van den vorm van eene ouderwetsche
horlogekast, hangende aan een platten, zilveren ketting, die bij het
dansen nog wel gedragen wordt, schijnt echter van ouderen oorsprong te
zijn. Wanneer zij geheel in feestgewaad zijn, mag een klein zakdoekje,
soms vrij aardig bestikt, niet gemist worden bij het toilet. In enkele
negorijen van Wahaï geven de vrouwen b.v. den bestuursambtenaar de
hand met dit zakdoekje over de handpalm gespreid, welk voorbeeld door
sommige Alfoerenvrouwen wordt nagevolgd. Bij het menari noodigt het
meisje den jongeling uit met haar te dansen, door hem het zakdoekje
aan te bieden of toe te werpen. Na afloop geeft men het weder aan de
eigenares terug.
De kleeding der heiden-Alfoeren is eenvoudig en bestaat voor de mannen
alleen uit den tjidako of schaamgordel en den rooden hoofddoek. Eene
uitzondering maken de Nisawélé en Wae Ramastammen, die een hoofddoek
dragen van ingevoerde, bedrukte stof, zooals ook elders in den Archipel
gebruikelijk. De tjidako bestaat uit eene strook witte boombast,
die door aanhoudend kloppen met een houten hamer, waarin dwarse
groefjes zijn aangebracht, buigzaam is gemaakt. De Patasiwa hitam
hebben voor het gedeelte, dat om het midden komt, een afzonderlijk
stuk dikkere boombast (zie photo) waar omheen een stuk tjidakostof
wordt gewikkeld; bij de overige stammen maakt dit gedeelte één geheel
uit met de rest van den gordel. De uiteinden worden met strepen en
driehoekjes van roode, gele of blauwe kleur beschilderd, doch indien
de eigenaar zich erop beroemen kan een kop gesneld te hebben, dan
wordt op het middenstuk eene ringvormige figuur geteekend; heeft hij
meerdere koppen gesneld, dan komen daarbinnen weder nieuwe ringen,
de witte banden die dan blijven staan, stellen het aantal koppen
voor. Over den tjidako, die met een breed einde van voren afhangt,
wordt een driehoekig stuk roode stof gehangen.
Het haar, dat de Alfoer lang draagt, wordt om een ring van klapperdop
gewonden en om den aldus gevormden "chignon" wordt dan stevig de
hoofddoek gewikkeld, die dan verder bevestigd wordt met een riem of
band, bezet met schelpen en stukjes paarlmoer. De dikke wrong haren
beschermt op die wijze het hoofd voldoende tegen een paranghouw. De
ongehuwde mannen der Patasiwa dragen het haar los op de schouders
hangende en in het midden gescheiden, terwijl het in bedwang
wordt gehouden door een bandje van rottan of klapperblad om het
voorhoofd. Evenzoo doen de Honitétoe-Alifoeroe, wier sluik haar ook
met eene scheiding wordt gedragen. Ook vele Christenen van Kaibobo,
Eti en Piroe laten het haar loshangen, doch houden het bijeen door een
kromme kam, die in het midden geen tanden heeft. Echter dragen alleen
de ouderen dezen kam en hij raakt langzamerhand in onbruik. Wanneer
zij in oorlogstooi zijn of bij feestelijke gelegenheden worden
in den hoofdriem hanevederen of wel een samenstel van kasuari-
en kakatoeavederen gestoken in den vorm van eene V, hetgeen een
krijgshaftigen indruk maakt. De Roemah Soal Alifoeroe steken ook wel
eene enkele haneveder schuin boven het oor en meenen, dat deze hun
snelheid van beweging zal geven.
Verder wordt het lichaam behangen met kralensnoeren, diagonaal over
de borst hangende. Niet zelden hangt aan het uiteinde der snoeren een
koperen schelletje of wel de porseleinschelp, die ook bij de versiering
van andere voorwerpen en van den nok van een huis eene rol speelt. Om
den bovenarm draagt men dan van riet gevlochten armbanden in zwart en
geel gekleurd of zij bestaan uit een samenstel van ringen uit schildpad
of uit klapperdop gesneden, welke door de strandbewoners vervaardigd
worden en vrij kostbaar zijn. Tusschen deze breede armbanden worden
dan neerhangende pluimen van klapperbladeren of aan reepjes gesneden
en gekleurde tjidakostof gestoken. Bij eene spontane versiering bezigt
men hiertoe ook wel bosjes crotonbladeren.
Verder is de Alifoeroe nimmer zonder zijn maskéké (aan de Noordkust
aldus geheeten) d.i. een klein vierkant taschje van gevlochten bamboe,
bekleed met een lap linnen met overhangende klep. Het linnen wordt door
insmering met bloed en het sap van den toeriboom ondoordringbaar voor
water gemaakt en de klep dikwijls met knoopen en schelpjes eenvoudig
versierd. In de maskéké bergt de Alfoer zijn sirih en pinang,
zijn haarkam, kogels, buskruit (in kleine bamboekokertjes) mes,
geld, vuurslag en verdere artikelen voor 't dagelijksch gebruik. Het
taschje wordt aan een touwtje over den schouder gehangen, zoodat het
onder den arm komt en slechts zelden legt de Alfoer de maskéké, die
dan ook zijne meeste schatten bergt, af. Velen hangen terzijde van
de tasch een halven klapperdop als drinkbeker en een klein fleschje
met olie tot onderhoud van het geweer, terwijl meestal eene vuurroode,
platte, harde boon of wel de porseleinschelp als versiering ervan wordt
aangebracht. De meeste officieren en minderen van de detachementen
op Seran schaften zich ook een maskéké aan, omdat zij werkelijk zeer
praktisch zijn, om daarin zakboekjes, rookgerei enz. op te bergen en
daarin beter te beschermen zijn voor vocht, dan in de zakken gedragen.
De kleeding der Alfoersche vrouwen van Midden- en West-Seran bestaat
alleen uit een tjidako of koelit kajoe. Eene uitzondering hierop
maken de vrouwen van Roemah Olat, Opin, Wae Loeloe, Loöen, Lisiëla,
Hérélaoe en Hatoe Noeroe-Aloené. Om welke reden deze dit niet doen,
doch slechts eene korte sarong dragen, evenals de vrouwen van oostelijk
Seran, is niet bekend. De vrouwelijke tjidako bestaat uit een dun
koord van gevlochten bamboe of rottan, dat om den buik wordt geknoopt
en zoolang gedragen wordt, totdat het vergaan is en vernieuwd moet
worden. Voorin wordt eene smalle strook van tjidakostof gestoken; het
gedeelte dat tusschen de beenen komt, wordt als een touw ineengedraaid
en het andere einde vervolgens met een lossen knoop weder om het
buikkoord gestrikt. Bij de gehuwde vrouwen laat men dit losse einde
lang afhangen, soms zoo lang, zooals bij de vrouwen van Hatoe Noeroe
Wae-Mataoe, dat het als een omgekruld staartje onder de sarong, die
tot aan de knieën reikt, uitsteekt. Merken zij, dat men er naar kijkt,
dan worden zij verlegen en vluchten.
De vrouwen van Warasiwa vervaardigen den band, die het schaamdeel
moet bedekken, niet van tjidakostof, doch van het blad van een
pandanussoort. Alleen met dezen schaamgordel gekleed vertoont de
Alifoeroevrouw zich tegenwoordig niet meer aan het strand, doch
zij draagt alsdan eene lendenlap daarover heen. Bij werkzaamheden
in de tuinen en in het bosch echter vormt de tjidako het eenige
kleedingstuk. Andere kleedingstukken worden door haar alleen als
versiering beschouwd. Bij feestelijke gelegenheden trekt zij dikwijls
zooveel mogelijk daarvan aan; soms twee of drie sarongs en baadjes
over elkander en daarover nog eene slendang, alleen om haren rijkdom
te toonen. Verder hangt zij zich alle kralensnoeren, waarover zij kan
beschikken, om den hals en wordt de arm tot aan den elleboog voorzien
van armbanden van koper, zilver, schildpad of uit vlakgeslepen schelpen
vervaardigd. Ook enkelringen worden wel gedragen en voornamelijk bij
de Patalimastammen.
Evenals de mannen dragen de vrouwen een plat mandje met kralen
versierd, onder den arm, doch het bezit geen sluiting en is geheel van
gevlochten bamboe vervaardigd. Zoowel de mannen als de vrouwen leggen
den tjidako voor het eerst aan bij de intrede der puberteit. Wanneer of
men rekent, dat dit bij de jongens geschiedt, is niet bepaald uit te
maken. Te Oewin Patahoé ziet men kleine kereltjes van naar schatting
8 jaren bij krijgsdansen reeds met den tjidako loopen, terwijl men
elders lang opgeschoten jongelingen met de sarong gekleed ziet,
blijkbaar dus reeds man genoeg om niet meer naakt te mogen loopen.
De man bindt den tjidako zoo stevig om het middel, dat de maag er
dikwijls sterk overheen uitpuilt. Men beweert, dat zij daardoor in
staat zijn om buitengewoon hard te loopen, wat ook werkelijk het geval
is, doch het behoeft geen betoog, dat door die insnoering lever en
milt zeer moeten lijden en wellicht is dit ook een van de redenen,
dat de Alfoer over het algemeen geen hoogen ouderdom bereikt.
Bestuur. Over geheel Seran is het bestuur patriarchaal. Onder de soa,
die zich tot een geheel hebben samengevoegd en die bestuurd worden
door den bovenvermelden Kapala soa, is er een, die de "soa latoe" of
familie, waaruit het algemeene hoofd verkozen moet worden, genaamd
wordt. Het bepaald kiezen van een soa-hoofd of van eenen regent
schijnt echter langzamerhand onder den invloed van ons bestuur te
zijn ingesteld. Vroeger waren bijna immer de oudsten der stam, de
bestuurders daarvan en het schijnt, dat bij de Berg-alifoeroe iemand,
die zichzelf krachtig genoeg vond om als leider der krijgstochten op
te treden, zich daartoe opwierp.
Zoo ziet men, dat ook thans nog de Roemah Soal-alifoeroe evenals
de Nisawélé, aangevoerd worden door 3 hoofden, die gelijke macht
bezitten. Te Roemah Soal worden zij Naten, Sérik métan en Sérih
poetik geheeten, bij de Nisawélé-alifoeroe noemt men ze eenvoudig
"oudsten". Door onze regeering worden tot hoofden aangesteld, mannen
door de bevolking daartoe verkozen, met den titel van Orang kaja,
Patih en Radja. Ten teeken hunner waardigheid voeren zij een rottan met
zilveren knop, voorzien van het rijkswapen, terwijl ter belooning van
verdiensten, aan hen kunnen geschonken worden papieren zonneschermen
van de 1e, 2e en 3e klasse, evenals wimpels, om aan den mast hunner
orembaais te voeren, terwijl de grootste onderscheiding wordt geacht
te zijn, het verleenen van een gouden rottanknop.
Over het algemeen onderscheiden deze regenten zich weinig van hunne
onderdanen; zij trekken gezamenlijk met hunne onderhoorigen er op
uit om het dagelijksch brood eigenhandig te verdienen en het gezag
door hen uitgeoefend, is volstrekt niet onbetwist. In de grootere
Christen- en Mohammedanennegorijen is deze toestand wat gunstiger en
tracht de Regent door zijn meerdere beschaving, betere kleeding en
fraaiere woning zich zijn ambt waardiger te maken. De Regent wordt niet
bezoldigd door het gouvernement, doch heeft recht op de zoogenaamde
quarto diensten, d.w.z. op de kostelooze dienstbaarheid van 4 mannen
uit zijne negorij, die bij toerbeurt hem eene maand moeten dienen. In
de kleinere Alfoerennegorijen echter met een gering aantal mannen,
worden deze quarto-diensten met goedvinden van den Regent, vervangen
door eene gave in tuinproducten a.a., waartoe ieder ingezetene
bijdraagt. Men begrijpt, welk een verkeerd stelsel bovenstaand is,
daar de Regent op deze wijze zeer afhankelijk van zijne bevolking
wordt en hij niet al te streng tegen hunne vrijheden durft op te
treden, daar hij anders moeite krijgt met zijne quarto-diensten.
Het aantal klachten over nalatigheid of onregelmatigheid in deze, is
dan ook zeer groot en eene bron van last voor het bestuur. Verscheidene
der Alfoerenhoofden, die in het binnenland wonen, wenschen geen
rottanknop te ontvangen, daar dit voor hen "pamali" is, doch de acte
van aanstelling nemen zij gereedelijk aan en zij worden ook zonder
tegenzin in hunne waardigheid beëedigd. De hoofden van Wae Rama,
Hatoe Olo of Ajerbesar en Maneo verzochten bij hunne aanstelling
om eene jas, die dan eenigszins uitgemonsterd wordt, zonder aan een
bepaald model te voldoen.
In West-Seran staan de Alfoeren, al is het dan eigenlijk slechts in
naam, onder het Saniribestuur. Er zijn 3 Saniri's of raden: van de
Sapoléwa, de Eti en de Talarivier, die tot voorzitter hebben den Kapala
Saniri of Inama. Deze voorzitters worden door de Alfoeren zelf gekozen
en door het Gouvernement benoemd. Zij ontvangen dan een frak met broek
van rood, groen of geel laken, met geel koperen knoopen, terwijl zij
eene muts van dezelfde kleur, voorzien van drie punten, en waarop in
eene rijzende zon van zilverblik hunne waardigheid staat vermeld, op
het hoofd en een ijzeren drietand, waarop een plaatje met wapen, in de
hand dragen als symbool der drie wateren. Aan ieder is toegevoegd een
Oedjong en Pohon bandera (uiteinde en stam van den vlaggestok), die hen
als boodschappers dienen en evenzoo gekleed zijn, doch geen drietand
voeren. In Tala is nog een bijzondere boodschapper, de Siwaléte,
die zich meestal aan de Zuidkust te Asinahoe ophoudt. Wanneer of
deze Saniriraden werden ingesteld, is niet meer na te gaan, doch zij
moeten van tamelijk jongen datum zijn, daar Valentijn ze niet vermeldt;
zelfs meenen sommigen, dat zij tijdens het Engelsche tusschenbestuur
werden in het leven geroepen. Hoe dit zij, de instelling er van
was eene fout. Want de Kapala Saniri zijn tevens de hoofden van het
Kakihanverbond en zitten voor bij de aanneming van neophyten. De ritus
van het Kakihanisme eischt, dat bij de instelling van nieuwe leden ook
een of meer koppen gesneld worden. De Regeering staat dus feitelijk,
daar zij de Saniri's erkent, het koppensnellen toe, terwijl zij aan
den anderen kant pogingen doet om dit wreede bedrijf uit te roeien.
Het doel der Saniri's was om van tijd tot tijd eene groote algemeene
vergadering der Alifoeroe te houden, op welke zij hunne 101 grieven en
veeten zouden kunnen voorbrengen en beslechten. Op deze vergaderingen
zond de Regeering ook een afgevaardigde, ten einde op de hoogte te
blijven van het verhandelde. Maar tot het beslechten van twisten
en tot rechtspreken is centraal gezag noodig en dit nu misten
de Sanirihoofden ten eenenmale. Al zeer spoedig werden juist die
vergaderingen een bron van nieuwe twisten en beleedigingen; naar de
uitspraken der Sanirihoofden luisterde men zelden; het driftige,
onafhankelijke karakter der Alifoeroe maakte, dat hij zich niet
eenvoudig kon neerleggen bij een geveld vonnis en eindelijk gebeurde
het, dat bij het uit elkander gaan der verschillende stammen velen
het eene geschikte gelegenheid vonden, om een paar koppen mede naar
huis te nemen. Toen ten slotte zelfs de Siwalété van Tala gesneld
werd, zag men in dat het geheele Saniribestuur een wassen neus was
en verbood de Regeering verdere vergaderingen, ofschoon de Kapala
Saniri met hunne boodschappers gehandhaafd bleven.
Voor de negorijen in welker buurt zulk een Saniri gehouden werd,
was die vergadering een ramp, want al die honderden gasten moesten
zoo goed mogelijk onthaald worden, hetgeen den armoedigen gastheeren
met hunne geringe hulpmiddelen uiterst moeilijk viel, terwijl de plek,
waarop die talrijke benden Alifoeroe waren nedergestreken, er uitzag
of zij door eene sprinkhanenplaag bezocht was geworden.
Het oude bestuur der Patasiwa hitam had behalve de 3 Kapala Saniri en
boodschappers nog 3 Radja's, die van Tala of Latoe Ponoenoe, van Eti
of Latoe Asaoedi en van Sapoléwa of Latoe Pasanea, benevens 3 Patihs,
die respectievelijk den naam droegen van Latoe Toeha Tomatala, Loekoe
en Latoe Iha (dit is dialect voor Lisabata).
Voor de aanvoering in den strijd de kapitans Makorissi (ook thans nog
bestaande) Tépé Soewa en Manoemétan. Al deze titels en waardigheden
zijn in onbruik geraakt of althans treden de laatstgenoemde Radja's,
Patihs en Kapitans niet meer in het openbaar op. Merkwaardigerwijze
is de Latoe Pasanea, in de afdeeling Wahaï terecht gekomen, welke
bevolking thans tot de Patalima behoort.
Iedere negorij heeft verder haar Marinjo, veldwachter of politieagent,
blijkbaar eene instelling uit den Portugeeschen tijd. Deze man moet
de bevelen bekend maken, verlangde personen oproepen en voor de orde
zorgen; hij is gerechtigd tot het zoo noodig uitdeelen van slagen met
een rietje, dat tot zijne uiterlijke waardigheidsteekenen behoort en
wordt door den Regent aangesteld.
De afdeeling Wahaï is nog in de onderafdeelingen Hatiling, Sawaï,
Pasanea, Lisabata, Warasiwa, Soekaradja en Hoaoeloe verdeeld; de
hoofden der gelijknamige negorijen voeren in schijn het oppergezag
over de hoofden der verschillende andere negorijen. Het is eene fout
onzerzijds geweest, om iedere negorij zijn eigen hoofd te geven en het
gezag niet meer te centraliseeren, want al die negorijen vormen thans
even zoovele zelfstandige staatjes, wier belangen quasi altijd met
elkander in strijd zijn en waarvan ieder tegenover zijn buurman een
toon van gezag poogt aan te nemen. Men kan deze fout herstellen door
langzamerhand in de door sterfgeval a. a. ontstane vacaturen niet te
voorzien en geen hoofden over de kleine negorijen (er zijn zelfstandige
Orangkaja over een dorp van ± 15 zielen!) meer aan te stellen, doch
deze te doen besturen door den oudsten Kapala soa en de verschillende
afdeelingen, evenals die van Wahaï, te verdeelen in onderafdeelingen
onder één Radja. Eerst dan kan er aan gedacht worden om deze weinige
hoofden te bezoldigen, waardoor zij onafhankelijk worden en een
werkelijk bestuur over hunne onderhoorigen kunnen uitoefenen.
Nog behoort de "Radjah tanah" in zekeren zin tot het
negorijbestuur. Zijne taak is het bewaren van den adat en het
onderzoeken van geschillen over grond- en vruchtboomenbezit, terwijl
zijne waardigheid erfelijk is. Mocht hij al vroeger macht hebben gehad,
tegenwoordig treedt zijne figuur zeer weinig op den voorgrond.