K. Martin, Reisen in den Molukken. Geologischer Theil. 1901, en

R. D. M. Verbeek. Voorloopig verslag over eene geologische reis door

het oostelijk gedeelte van den Ind. Archipel in 1899. Batavia 1900.

Daar de wetenschappelijke bezoekers van Seran door de onvriendelijke

gezindheid der bergbewoners het binnenland niet bezochten, zoo was

omtrent het bergstelsel zeer weinig bekend. De zoogenaamde postweg

van Makariki naar Pasanea werd door Von Rosenberg, Van Hoëvell, Ida

Pfeiffer en Martin begaan en van dezen laatstgenoemden nauwkeurigen

natuuronderzoeker nemen wij het profiel van deze doorsnede van Seran

over. Verder bezocht Martin de negorij Honitétoe, alwaar de zeer

onbetrouwbare bevolking hem kwaadgezind werd en hij zeer spoedig

naar Kairatoe moest vertrekken. Naast eenige door hem vervaardigde

profielen geven wij ook de onze, opdat men eenig denkbeeld krijge

van het relief van het eiland. Stond Von Rosenberg de meening voor,

dat eene centrale bergketen, in de lengte-as van het eiland loopende,

het eiland doorsneed, "einer Mauer gleich die Nordküste von der

Südküste trennt," Prof. Martin merkte op, dat dan toch West-Seran

zeker niet door het Centraalgebergte in twee deelen gesneden wordt,

welke laatste opvatting de juiste is. Naar onze meening bestaat er

een Centraalgebergte, dat echter slechts van den Goenoeng Dibaban

tot aan den bergknoop Hatoe-Walokoné loopt. Van deze beide uiteinden

loopen straalsgewijze bergruggen in de afdeelingen Waroe en West-Seran

uit. Het Wallacegebergte vormt een afzonderlijk bergcomplex, dat

met een vrij vlakken rug verbinding heeft met de uitloopers van den

Hatoe-Walokoné. Onze meening hierover motiveerden wij reeds uitvoeriger

in het T. A. G. 1906 p. 439.

Eene merkwaardigheid van het eiland Boano, ten N.W. van Seran gelegen,

is, dat het uit twee deelen, die slechts door eene smalle engte van

elkander gescheiden zijn, bestaat. Reeds Valentijn maakte daarvan

melding: "Tot slot moeten wy, eer wy er afscheiden, hier nog byvoegen,

dat schoon men dit eiland Boano zo lang bezeten, en van onzentwegen

bestiert heeft, men egter in deze latere tyden by gelegenheit van

een Hongitogt eerst ontdekt heeft, dat de inlander, tot onze groote

verwondering, tot nog toe voor ons zeer listig bedekt heeft gehouden,

te weten, dat dit eiland waarlyk in twee deelen verdeelt, en aldus

gelyk men altyt gemeent heeft, geen een eiland is, maar dat Bonoa

uit twee eilanden, die door de zee volkomen van een gescheiden zyn,

bestaat, waarop de Christenen en Mooren plagten te woonen."

Op de kaart n°. 16 (1898) in den atlas van Ten Siethof en Stemfoort

vond ik eveneens aangegeven, dat het eiland Boano uit twee gedeelten

bestaat, doch de configuratie, alsmede de ligging der negorijen,

is daarop verkeerd. Nieuwere kaarten vermelden die straat niet meer

en ook bij een groot deel der bevolking is haar bestaan onbekend. Een

plaatselijk onderzoek bracht aan het licht, dat aan het N.O. gedeelte

van Boano zich een vrij groot meer bevindt, dat, westelijk verborgen

voor het oog, door een diep kanaal van 100 tot 200 M. breed in

verbinding staat met de zee, terwijl het meer aan de Z.O. zijde

eveneens eene uitmonding in zee heeft.

De rivieren van Seran loopen in 't algemeen naar het Noorden en

naar het Zuiden; het gevolg van de omstandigheid, dat zij op het

middengebergte ontspringen. Eene uitzondering hierop maken de Eti in

West-Seran, de Koea en de Sapoléwa in Wahaï en de Masiwan in Waroe,

wier algemeene richting Oost-West is. Zij zijn met uitzondering

van deze laatste en de Roewata, meest alle onbevaarbaar, uitgenomen

dicht bij de monding, voor kleine inlandsche vaartuigen. De Masiwan,

de Roewata en de Samal, die in vlakke dalen stroomen, zijn vele uren

ver stroomopwaarts nog te bevaren, hoewel ook slechts voor vaartuigen

van geringen diepgang. De rivieren zijn dan ook te beschouwen als

afvoerleidingen van het overvloedig vallende hemelwater; in den

Westmoesson niet over te steken, wild stroomende, breede wateren;

in den Oostmoesson slechts een smal stroompje vormende, waarvan de

mondingen dikwijls geheel of gedeeltelijk door verzanding afgesloten

worden van de zee. De Aké Ternate heeft eene bandjirbedding van soms

tot 500 M. breedte, die echter slechts in den Westmoesson gevuld

is. Voor de Alifoeroe vormen de droge rivierbeddingen dikwijls de

eenige verkeerswegen tusschen de kust en de bergen en als de rivieren

in den regentijd sterk gezwollen zijn, is dan ook de gemeenschap met

het binnenland voor vele streken volkomen afgebroken en blijven de

inboorlingen op hunne bergen.

Aan de Noordzijde ten Oosten van de plaats Wahaï strekt zich eene

schoone, uiterst vruchtbare vlakte uit, zeer waterrijk en bedekt met

een tamelijk open bosch, waarin de prachtigste houtsoorten worden

aangetroffen.

Ook tusschen de grillig gevormde uitloopers van het gebergte naar het

Westen en Oosten ontstonden vruchtbare vlakke dalen van alluvialen

grond, terwijl deze aan de Zuidkust schaarsch zijn en het gebergte

daar meestal trapsgewijze tot zeer dicht aan de kust nadert. Bij Sawaï

dringt het gebergte plotseling naar voren en valt daar met zeer steile,

zelfs overhangende wanden in zee; dit geschiedt nog eens bij Moernaten,

alwaar de rotsen van die plaats tot aan Kawa, eveneens loodrecht in

zee loopen, terwijl het water in de onmiddellijke nabijheid van de

laagwaterlijn, reeds tientallen vademen diep is.

Overigens wordt Seran omboord door een min of meer breed strand.

Ten Oosten van Wahaï loopt dit strand glooiend soms tot ± 1 K.M. ver

in zee (zooals bij Samal) en het bestaat uit fijn zand en verweerde

schelpen. Ten Westen en langs de Zuidkust loopt het strand veel

steiler in zee, zoodat deze op eenige honderden meters van de

laagwaterlijn, reeds 40 tot 100 vademen diep is; het strand bestaat

daar uit fijn kiezelgruis en breccie, waarin groote rolkeien en

reusachtige stukken rots verspreid liggen (Hatoe Soeweni bij Woloe),

terwijl de koraalriffen, die men overal aantreft in hunne prachtige

verscheidenheid, de zoogenaamde onderzeesche tuinen vormen, die

wemelen van vreemdsoortige en schitterende visschen.

Vooral om de Poeloe Toedjoeh, eene kleine eilandengroep aan den

Westelijken ingang van de baai van Sawaï, zijn deze koraalbosschen

het fraaist. De eilandjes zijn waarschijnlijk ook niet anders dan

boven het watervlak opgegroeide koraalriffen. Levend water komt er

niet op voor, doch op enkele geven putten van weinig diepte, goed

drinkbaar water. Opmerkelijk is, dat, hoewel de naam aanduidt, dat

er zeven eilanden moeten zijn, men er slechts zes vindt. Het zevende,

dat in vroeger tijden bij eene hevige aardbeving moet zijn verdwenen,

is het Bali rif, (zoo genoemd, omdat Hr. Ms. ss. Bali daar eens op vast

is geloopen), waarvan bij zeer laag water slechts enkele steenen droog

vallen. Aan den Zuidkant van het grootste eiland Poeloe Elo komt eene

oestersoort voor, waarin men kleine pareltjes vindt. Ook bij de monding

der Samalrivier treft men deze oester aan. Van tijd tot tijd vertoont

zich op deze eilanden eene kudde herten, een bewijs, dat deze dieren,

ondanks de sterke stroomingen, die tusschen deze eilandjes heerschen,

er al zwemmende weten te komen. Inboorlingen vertelden, dat zij zelfs

naar Misool aldus overstaken en daar soms gezien werden, terwijl

er op Misool anders geen herten voorkomen. Nog eenige natuurkundige

merkwaardigheden zijn de volgende: de Moeal en Toloearang-rivieren

staan met elkander in verbinding door een ± 3 K.M. breede grintvlakte,

waarover in den Westmoesson het water van de Toloearang in de Moeal

loopt, waarom die vlakte op de kaart werd geplaatst als "overlaat".

Op den weg van de kust naar Roembéroe treft men eene natuurlijke

brug aan, die een ravijn met 260 en 280 M. hooge wanden overwelft. Op

100 M. onder het slechts een tiental meters lange bruggedek stroomt

de Nala door den bergwand heen. Schertsenderwijze noemde men die

brug de "Ponte dei Sospiri" om den moeilijken weg, die daarover

heenvoert. In den Hatoe Patola, een scherp kegelvormigen berg op de

grens der afdeelingen Wahaï en West-Seran, treft men eene fraaie

zeer ruime grot aan; kleinere grotten vindt men bij Seléman en

Wahaï. Meren van eenige beteekenis zijn het Tifoe meer op Hoeamoal,

dat bij Hatoe Noeroe en het Asélé meer bij Laboean, dat eigenlijk

meer eene lagune is. Verder verdient nog vermelding dat bij Sanahoe,

jodium en ijzerhoudende bronnen worden aangetroffen.

Aan de geheele Noordkust is Wahaï de eenige goede haven. Onze

tegenwoordige vestiging is gelegen aan eene smalle diepe geul,

ongeschikt tot het opnemen van groote vaartuigen, maar ten Oosten van

deze invaart is de baai van Hatiling gelegen, met eene monding van ±

400 M. breedte, eene ruime, buitengewoon fraaie haven vormende, ten

O. beschermd door den tandjong Héwal, ten W. door het uitgestrekte

Wahaïrif, en waarin groote schepen eene veilige ligplaats vinden. De

groote diepte van de zee onmiddellijk bij de strandlijn maakt het

in den Westmoesson voor schepen onmogelijk om te ankeren bewesten

Wahaï. Bij kalme zee is voor Bessi, Soekaradja, Nakaela en Boano

op 30 à 40 vadem te ankeren. Ook in de baai van Sawaï kan men

goede ankerplaatsen vinden, doch verscheidene koraalriffen manen

tot voorzichtigheid. In de zeer beschermde Piroebaai kan ten allen

tijde geankerd worden, doch ook hier noodzaken zandbanken en riffen

zulks op vrij grooten afstand uit de kust te doen. De Elpapoetihbaai

levert door hare open ligging dikwijls moeilijkheden, de zee is met

uitzondering van gedeelten voor Mani en Makariki zeer diep, terwijl

Amahei eene goede haven bezit met eene diepte van 11 à 12 vadem.

Door den minder vruchtbaren bodem echter en doordat de vlakte

daarachter tamelijk smal is, zal Amahei moeilijk eene plaats van

eenige beteekenis kunnen worden. De Teloetibaai staat ook bloot aan

heftigen golfslag en hooge deining, bij Woloe gaat het ankeren met het

minste bezwaar gepaard. Op de Oost- en Noordoostkust vindt men weder

gemakkelijker ankergrond, doch men moet vrij ver uit de kust blijven,

bij Boela ongeveer 2 K.M. Eene kleine, doch zeer goede invaart heeft

men in de Inglasbaai, terwijl het Oostelijk deel der Noordkust met

haren zandigen oever in denzelfden toestand verkeert als de Oostkust.

Van Tandjong Tapi tot aan de Lobang Haja vertoont de kust in het

klein eene fjordenvorming. Diepe spleten, begrensd door steile

wanden gaan daar als barsten in het gebergte landinwaarts. Het meer

Tifoe, wellicht door instorting van een wand gevormd, wordt van den

zeearm gescheiden door een zeer lagen dam van slechts enkele meters

breedte. In het midden ligt een dicht met ananas begroeid eilandje,

dat de geliefkoosde verblijfplaats is van talrijke krokodillen. Het

meer is zeer vischrijk en heeft onderaardsche gemeenschap met de

zee en opmerkelijk is het, dat men van tijd tot tijd langs de oevers

talrijke groote visschen vindt liggen, die gestorven zijn door eene

onbekende oorzaak. Hoewel er dikwijls in gevischt wordt, heeft de

inlander toch eene zekere vrees voor dit meer en vindt men op den

Westelijken oever plaatsen, waar men offeranden neerlegt.

Om de kust van Seran loopen regelmatig met het tij zeer sterke

stroomingen en niet alleen inlandsche vaartuigen, doch ook stoomschepen

dicht langs de kust houdende, hebben daarmede soms rekening te

houden. Uit de Piroebaai naar Ambon stoomende, ziet men gebeuren,

dat bij Tandjong Sial een schip ineens door den stroom wordt omgezet;

vooral bij dergelijke vooruitstekende punten schiet de stroom als eene

bruisende rivier in zee voorbij en in den West-moesson heerscht in

straat Manipa en benoorden Boano dikwijls een woeste golfslag, waarbij

golven van 8 M. geene zeldzaamheid zijn. De Oost- en West-moesson

zijn op Seran zeer scherp gescheiden en door de aanwezigheid van het

Middengebergte, heerscht niet dezelfde moesson gelijktijdig over het

geheele eiland. Geven wij hier liever het woord aan Prof. Martin,

die deze omstandigheid zakelijk mededeelt:

"Bekanntlich herrscht in den Molukken von Mai bis September

meistens der reguläre S.O. Passat, im Australischen Sommer dagegen

ein N.W. Muson, weil in dieser Jahreszeit die grosze Erwärmung im

nördlichen Neu-Holland eine Anflockerung der Luft zur Folge hat, und

somit daselbst ein Anzichungspunkt für die Luftmassen des nördlich

vom Festlande befindlichen Meeres gebildet wird. Dieser N.W. Muson

dauert nun in den Molukken von November bis März; die Monate April

und October sind die Zeiten des Passatwechsels (kentering). Es wehen

aber an der Südküste Serans während des N.W. Musons bisweilen auch

W. u. S.W. Winde, welche letztere stürmisch zu sein pflegen; ebenso

kommen zur Zeit des S.O. Muson nicht selden O. Winde vor; der Kürze

halber werden beide Passate im gewöhnlichen Leben einfach als West-

und Ost-Muson bezeichnet.

"Dieser weht ununterbrochen, Tag und Nacht hindurch, und an der

Südküste Serans steht in der betreffenden Jahreszeit in der Regel

eine so gewaltige Brandung, dasz Fahrten in Segel- oder Ruderböten

kaum auszuführen sind; der West-Muson dagegen weht hier meistens

nur über Tag, während es nachts, morgens früh und gegen Abend

ruhig zu sein pflegt. Deswegen lassen sich auch während seiner

Herrschaft Küstenfahrten in beliebiger Richtung unter Zuhilfenahme der

Nachtstunden ausführen, und sind die Monate November bis März als die

beste Zeit für Reisen in der betreffenden Gegend zu bezeichnen. Da

beide Passate übers Meer streichen und sich ihnen nun auf Seran ein

hohes Gebirgsland in den Weg stellt, so bringen sie auch beide Regen

an, aber selbstredend scheidet das Gebirge, welches von West nach

Ost durch Seran zieht die Niederschläge; während die Windseite ihre

Regenzeit hat, ist die Gegend welche an der Leeseite, im Windschatten

der Höhen, liegt, trocken. Deswegen hat die Nordküste des Eilands ihre

Regenzeit während der Dauer des N.W. Passats, die Südküste während

derjenigen des S.O. Passats--allerdings mit einer Ausnahme, welche

auf den ersten Blick sehr befremdlich erscheint; denn während sich

Hatusua und der ganze östlich von dort gelegene Küstenstrich in der

Regenzeit befindet, ist die Gegend von Kaibobo, das Innere der Pirubai

und Huamual, bis zum Tandjung Sial, trocken. Das Reispflanzen, welches

bekanntlich in der Regenzeit geschehen musz, wird aber in diesen

Gegenden in December und Januar vorgenommen, also in derselben Zeit, in

der auch die Nordküste Serans ihre Regenzeit hat; in Hatusua, welches

nur ein wenig südostlich von Kaibobo liegt, pflanzt man dagegen schon

den Reis im Juni und Juli. Somit schlieszt sich Huamual und Küstenlinie

im Innern der Pirubai bis Kaibobo betreffs der Vertheilung von Regen-

und Trockenzeit nicht an die südliche sondern an die nördliche Hälfte

Serans an. Die Erklärung hierfür glaube ich durch Zuhilfenahme der

Gestaltung des Bodenreliefs von West-Seran und der südlich von ihm

gelegenen Inseln geben zu können:

"Die Feuchtigkeit, welche der S.O. Passat anbringt, wird im Westen

durch das hohe Gebirgsland von Ambon aufgefangen und Huamual liegt

alsdann im Windschatten dieser Insel, verhält sich also zu Ambon

ebenso wie die Nordküste Serans zu seiner Südküste. Gegenüber Hatusua

und dem östlich sich anschlieszenden Küstensaume können aber die

Uliasser nicht die gleiche Rolle spielen, da sie weit niedriger sind

als Ambon und noch über dies durch breite Meeresstraszen von einander

geschieden werden. Die Feuchtigkeit des S.O. Musons wird also hier

im Osten erst an der Küste Serans abgesetzt; dort aber stelt sich dem

Passate im N. und N.W. van Hatusua ein Höhenrücken in den Weg, welcher

die Ebene von Hatusua begrenzt und bei Kaibobo einen Ausläufer bis

unmittelbar ans Meer sendet. Dies ist der regenscheidende Gebirgszug,

und da Kaibobo während des S.O. Musons an der Leeseite gelegen ist,

so hat es auch dann seine Trockenzeit. Die umgekehrte Rolle spielt

derselbe Gebirgszug, während der Dauer des N.W. Musons; denn die

schmale Brücke welche Huamual mit der Hauptstrasze Serans verbindet,

trägt sehr niedrige Berge, an denen der Niederschlag nur zum geringen

Theile stattfinden wird, während die Feuchtigkeit sich weiterhin an

dem zwischen Piru und Kaibobo gelegenen Gebirge absetzt, so dasz also

Hatusua trocken bleibt.

"Dasz sich im übrigen Huamual und auch Boano im West-Muson gleich der

Nordküste Serans in der Regenzeit befinden, bedarf keinen weiteren

Erläuterung. Es lassen sich demnach die obrigen Betrachtungen dahin

zusammenfassen, dasz Ambon und die Uliasser sowie die Südküste

Serans, von Kaibobo an ostwärts, ihre Regenzeit im Ost-Muson haben,

die Nordküste Serans dagegen und Boano, gleich einem Theile der

Südküste von Tandjung Sial ob bis nach Kaibobo im West-Muson."

Over 25 jaren gemiddeld bedroeg de regenval in mM.

=========+=================================================================

PLAATSEN.| Jan.|Febr.|Maart|April|Mei.|Juni.|Juli|Aug.|Sept.|Oct.|Nov.| Dec.

---------+-----+-----+-----+-----+----+-----+----+----+-----+----+----+----

Wahaï | 300 | 445 | 307 | 200 | 142| 101 | 105| 79| 85 | 102| 102| 211

Amahei | 112 | 101 | 146 | 198 | 309| 380 | 456| 431| 247 | 152| 110| 107

=========+=====+=====+=====+=====+====+=====+====+====+=====+====+====+====

Het klimaat van Seran is over het algemeen zeer goed te noemen. Te

Wahaï is de temperatuur gemiddeld des ochtends om 6 uur 26° C., om 12,

30°-31° C. en des namiddags om 6 uur 28° C., doch niettegenstaande

de vrij hooge middagtemperatuur, is het door de altijd waaiende

zee- en landwinden, aanmerkelijk koeler dan op de kustplaatsen van

Java. Verschillende schrijvers achten dan ook Seran geschikt niet

alleen voor inlandsche immigratie, doch zelfs ook voor kolonisatie

van Europeanen. De gezondheidstoestand van de aanwezige garnizoenen,

zoomede van de weinige Europeanen aldaar, is bij voortduring

goed. Aan de kust, die op vele plaatsen, door moerassige gedeelten

is omboord, komt in de kentering wel malaria voor, doch deze is van

een goedaardiger karakter dan elders.

Den inboorling met zijn door eene onregelmatige levenswijs, gebrekkige

voeding en alcohol verzwakt lichaam, is zij natuurlijk gevaarlijker

dan ons. Ook de onverschilligheid, waarmede hij zich, vaak slechts

ten deele bedekt, aan het strand uitstrekt om te overnachten, maakt

hem eene gemakkelijke prooi van de ook hier voorkomende annopheles.

De wouden van Seran bevatten een grooten schat aan uitmuntende

houtsoorten. De meest waardevolle zijn bij hunne inlandsche namen

genoemd: het nannihout, van een glad donkerbruin voorkomen. Dit hout

heeft eene zoo groote hardheid, dat het zeer moeilijk te bewerken is

en, wanneer het goed droog is, slaat men minder deugdelijke bijlen

er op stuk. Het leent zich voortreffelijk tot pilaren, duc d'alven

e.d. Dan volgt het goefasahout, dat een buitengewoon geschikt hout is

voor den scheepsbouw. Het is van eene lichtgele kleur, zwak gevlamd,

vrij hard en bezit de eigenschap van zeer weinig te krimpen, zoodat

de inlanders dan ook de versch uit het bosch gekapte planken bezigen

tot het vervaardigen hunner prauwen. Daarenboven wordt het zeer weinig

aangetast door paalworm en andere zeeinsecten. Eene plank, die zeker

12 jaar in zee had gelegen, vertoonde zich nog bijna geheel gaaf. Voor

meubelhout zijn bijzonder geschikt het lassihout of "witte ebbenhout",

dat veelvuldig op Boano en verdere steenachtige streken voorkomt, het

salamoelihout, zeer veel gelijkenis hebbend met notenhout, het kajoe

koening, eene fraai gevlamde, citroengele houtsoort en het lingoea

of Ambonsch mahonihout, terwijl voor timmerhout van algemeenen aard,

het ijzerhout in twee soorten, in geweldige hoeveelheid voorkomt

naast eene talrijke verscheidenheid van zachtere houtsoorten tot

plankenmateriaal geschikt. De djatiboom komt sporadisch voor, hier

en daar op last onzer Regeering in vroeger jaren aangeplant, doch

dit hout tiert er niet zoo welig als op Java. Een zeer eigenaardige

boom, die niet nalaat de verbazing van den vreemdeling te wekken is

de patola. Deze heeft een gladden, recht opgaanden stam van dikwijls

meer dan een meter middellijn en is bekleed met eene glinsterende

schors, die op een lichtgroenen ondergrond, grijze en rose vlekken

vertoont, aldus een wonderlijken indruk makend. De schors laat zich

gemakkelijk in breede lappen afschillen en uitmuntend bezigen tot

dakbedekking van bivakhutten en tot bekleeding van den grond. In

gedroogden toestand is het hout lichtbruin gekleurd, vrij zacht en

geschikt tot pakkistenmateriaal e.d. Eene bijzonderheid is nog,

dat deze boom uitsluitend aan den kant, of in de onmiddellijke

nabijheid van stroomend water groeit. Op Midden-Seran komt hij in veel

grooter exemplaren en ook talrijker voor dan op het overige deel des

eilands. Verder treft men voornamelijk op Hoeamoal, Boano en Kellang

de kajoepoetihboom aan (melaleuca leucododendron) uit welks bladeren

de door geheel Oost-Indië welbekende en gezochte kajoepoetiholie

wordt gedistilleerd.

Op hoogten boven de 300 M. groeit de dammarboom (dammara

alba Rumph.) die een zeer gezocht hars levert, ook "gom koopal"

genaamd. Verder is overal de arènpalm verspreid, die naast de voor de

bevolking zoo onontbeerlijke "gemoetoe", tot het vlechten van touw,

ook de voor haar verderfelijke palmwijn "sagéroe" levert, waarover

later. De bamboe (boeloeh) komt op geheel Seran voor in meer of minder

dichte bosschen, doch in de omstreken van Loemah Pèloe (Malowan) groeit

eene bamboe betong soort van zulke afmetingen als op Java niet worden

aangetroffen. De ondereinden dezer bamboesoort zijn veelal van 2 tot

3 d.M. in doorsnede, vormen een uitmuntend materiaal voor huizenbouw,

waartoe de Malowan-Alfoeren het dan ook bezigen. De begroeiing van

den bodem is niet overal gelijk in dichtheid, maar houdt verband

met de woestheid van de oppervlakte. Zoo nemen de bosschen van het

Oosten naar het Westen geleidelijk in dichtheid toe; treft men op

Oost-Seran vrij open bosschen aan, waardoor het niet moeilijk is zijn

pad te kiezen, op de bergen van West-Seran, het best te vergelijken

met de versteende golven der zee, maakt het dichte onderhout het

doordringen in de bosschen moeilijk en opmerkelijkerwijze is ook de

geaardheid der bevolking, van het Oosten naar het Westen gerekend,

toenemend in ruwheid en onbeschaafdheid.

Over de aanwezige mineralen op Seran kan niet veel gezegd worden,

daar dit eiland nog nimmer ernstig is onderzocht geworden.

Te Boela komt petroleum voor, dat er uit den bodem opwelt in de

nabijheid van de reeds vermelde moddervulkanen. De rivieren de Isal,

de Samal en de Aké Ternate voeren dikwijls steenkoolbrokken af en ook

aan de kusten van Oost-Seran vindt men veel stukken kool, waarvan de

heer Verbeek getuigde "zij zijn hard en glanzend, bevatten weinig asch,

zoodat zij een nader onderzoek wettigen". Ondanks het groote handels-

en maritiem belang, dat een kolenstation op dit gedeelte van den

Archipel zou kunnen hebben, is tot dusverre nog geen onderzoek naar

kolen ingesteld. Omtrent andere aanwezige mineralen wordt slechts

sporadisch door toevallig aanwezige, of gelegenheidsgeologen wat

vermeld. Door den off. v. gez. Schneider werd in 1854 medegedeeld,

dat sommige door hem op de Zuidkust aangetroffen grondsoorten tot 10%

tinerts bevatten. Verder werd door hem dicht bij Batoe Tambaga (Loehoe)

een primitieven mijnput voor het winnen van zwavelijzer gevonden,

terwijl hij vermoedde, dat bij Batoe Kapal steenkolen moesten aanwezig

zijn. De geoloog Maier onderzocht later de verzamelde ertsen en bevond,

dat zij geen spoor van tin bevatten. De Alifoeroe dragen overal tinnen

staafjes als oorhangers, doch dit behoeft volstrekt niet te duiden

op de aanwezigheid van dat metaal, om welke reden men het b.v. op

Flores vermoedde te zijn. Die oorhangers hebben een hoogen ouderdom

en zullen waarschijnlijk vroeger door Makassaarsche handelaren over

de Molukken verspreid zijn.

De heer Moorrees, voor een onderzoek naar Seran gezonden, zegt o.a.:

"Uit het gehouden chemisch onderzoek blijkt, dat er waarschijnlijk

zeer rijke goudaderen moeten aanwezig zijn. Koper komt ook zeer veel

en in rijke lagen voor. Verder is er veel steenkool van zeer goede

kwaliteit en aan de Noordkust zijn rijke petroleumbronnen".

Ook Ribbe deelt mede, dat op Seran behalve steenkool, graphiet, ijzer,

koper, petroleum en in de rivieren goud gevonden kan worden.

Prof. Martin, die het meeste geologische materiaal verzamelde, vond op

zijne reizen geen nuttige mineralen. Zeker is het, dat de bevolking

nimmer eenige delfstof uit den bodem won, terwijl zij het door ons

verzamelen van gesteenten en het onderzoek doen naar kolenaderen

met zekere vrees beschouwen en daarom gemakshalve voor zich zelf

"pamali" verklaren.

De Seransche wouden bevatten geen groote verscheidenheid van

diersoorten, indien wij de insecten, waarvan wellicht alle soorten

nog niet eens bekend zijn, buiten beschouwing laten. (Ribbe verzamelde

b.v. 19000 insecten). Roofdieren worden alleen vertegenwoordigd door

eene soort civetkat (viverra tangalunga Gray) en door verscheidene

slangensoorten, terwijl in vele riviermondingen evenals overal elders

in onzen archipel de krokodil huist.

In zeer groote hoeveelheid komt eene hertsoort voor (Cervus

moluccensis) die, ondanks dat er sinds jaren een levendige handel in

huiden en hoorns van de dieren gedreven wordt, niet merkbaar schijnt

te verminderen. Eene eigenaardigheid van deze dieren is, dat zij met

vallend water naar de kust toekomen en met opkomenden vloed weer naar

het binnenland trekken. De jagers houden dan ook met deze eigenschap

rekening. Des avonds bij wassende en volle maan begeven geheele

kudden zich naar het strand om daar te spelen en ziet men op zulke

"dansplaatsen" het zand over eene groote oppervlakte omgewoeld door

hunne hoeven. Bijna even talrijk als het hert leeft op Seran het

wilde zwijn.

Vooral Oostelijk Seran telt hiervan zeer groote exemplaren met

zware slagtanden. Het hertzwijn, dat men wel op Boeroe aantreft,

komt op Seran merkwaardigerwijze niet voor. Veel minder talrijk is de

kasawari (casuaris galeatus Neill), die vooral op West Seran weinig

gezien wordt, hetgeen zeer zeker ook verband houdt met de meerdere

dichtheid der bosschen, waarin zich een dergelijk groote tweevoeter

moeilijk kan bewegen. Op Oost-Seran komt hij daarentegen in veel

grooter aantal voor. Over geheel Seran verspreid is de koesoe2

(phalangista orientalis) een buideldier, dat in de boomen leeft en

eene vrij mooie vacht heeft, die de Alfoer echter niet waardeert,

daar het beest altijd mèt de huid op een vuur wordt geroosterd. De

reuk van het verbrande haar, die ons zoo tegenstaat, geeft volgens

den Alifoeroe juist een eigenaardig aroma aan het vleesch. Andere

zoogdieren komen op Seran niet voor. Ook de vogelwereld is niet rijk

aan verscheidenheid. De grootste vogel is de tahon2 of jaarvogel,

dus genoemd naar de bewering, dat hij met elk jaar op den snavel een

ring meer krijgt (Buceros plicatus Penn).

Vervolgens treft men de zeer talrijke blauwe en witte houtduif aan

(Myristicivora bicolor Scop. en Carpophaga neglecta Schleg.) die

de grootte van eene kleine kip hebben en een smakelijk vleesch

leveren, terwijl verder witte, roode en groene papegaaien, loeris

en parkieten de bosschen met hun geschreeuw vervullen [8]. In

sommige reisbeschrijvingen leest men ook wel van het voorkomen van

paradijsvogels, doch deze leven zeer beslist niet op Seran. Ook de

groote witte Seransche papegaai (cacatua moluccensis Grn.) verschilt

van die der Papoeaeilanden in grootte en door zijn oranjekuif, terwijl

de loeri in tegenstelling met die welke op Ternate en Nieuw-Guinea

leeft, een zwart-paarsch kapje op den kop draagt. Ook is opmerkelijk,

dat ofschoon het diertje uiterlijk geen verschil in vederdos heeft,

de loeris van Malowan (het achterland van Soekaradja), de eenige

zijn, die kunnen leeren napraten. Een onaanzienlijke grauwe vogel,

de boeroeng siang of dagvogel, is de profeet der Alifoeroe en uit

zijn gekrijsch leiden zij af, of zij al dan niet gelukkig in hunne

ondernemingen zullen zijn. Eenige kleinere vogelsoorten uitgezonderd,

herbergen de kuststreken behalve eenige exemplaren van steltloopers,

die ook elders in den archipel voorkomen, ook nog de moeleoe, eene

soort van boschhoen (Megapodius Wallacei).

Ofschoon van de grootte van eene gewone kip, legt deze vogel eieren,

die wel tweemaal zoo groot zijn als een hoenderei en eene licht

oranje gekleurde schaal hebben. De graad van verschheid van het ei

kan men eenigermate bepalen, naar gelang men de kleur met den nagel

meer of minder gemakkelijk er af kan krabben. Hoe ouder het ei is,

hoe gemakkelijker dit kan gebeuren. De moeleoe legt hare eieren alleen

des nachts. Van de twee soorten, die Seran telt, de zoogenaamde bosch-

en de strandmoeleoe, legt de eerste haar eieren in groote zandhoopen,

die het dier zelf opkrabbelt en die soms wel 3 tot 4 meter doorsnede

hebben, bij eene hoogte van 1/2 meter. In dit heuveltje maken

dan verscheidene moeleoe hare legholen, die tot 4 dM. diep zijn en

waarin de eieren tot ontwikkeling komen door de warmte der zich daarin

bevindende rotte bladeren en humus. De strandmoeleoe maakt haar leghol

in het strand en bedekt de eieren daarna weer met het uitgekrabde zand

[9].

Slangen komen op Seran zeer veel voor, doch zoover bekend is, is hun

beet althans voor den mensch niet vergiftig. Het meest verspreid

is de patola, eene Pythonsoort, die reusachtige afmetingen kan

aannemen. Pythons van 5-6 M. lengte zijn geene zeldzaamheid en eens

bracht men de huid van een 9 M. lang exemplaar te Wahaï. De Alifoeroe

vreezen dit dier niet bijzonder en slechts zelden worden zij er door

aangevallen. Het vleesch wordt door verscheidene stammen gegeten. De

kleinere Pythonsoorten van 1 tot 2 M. lengte komen veelvuldig in

de huizen voor en zijn met hunne glinsterende, gladde lijven eene

onaangename nachtelijke verrassing. Een merkwaardig dier is de "oelar

kaki ampat", eene dikke hagedis met stompen staart en geen slang,

zooals de naam zou aanduiden. Dit dier wordt ten zeerste gevreesd en de

Alfoer beweert, dat de beet er van doodelijk is. Een onderzoek echter

deed, voor zoover onze kennis reikte, blijken, dat het geen giftanden,

doch wel twee knobbelachtige kiezen bezat. Een haan, door het dier

gebeten, toonde geen sporen van vergiftiging. Met dat al is het een

afkeerwekkend dier, dat met opengesperden muil, den mensch aanvalt,

als hij in zijne nabijheid komt. Het houdt voornamelijk verblijf in

alang2 velden.

De wateren van Seran zijn buitengewoon vischrijk en het zou

ondoenlijk zijn de talrijk voorkomende en vreemdsoortige visschen te

beschrijven. Ook hiermede, evenals met de beschrijving der fraaie

schelpen heeft Valentijn zich voor de liefhebbers verdienstelijk

gemaakt. In zijn werk over de Molukken, komen vrij goede teekeningen

van talrijke visch- en schelpsoorten voor. Wij willen volstaan met

de mededeeling, dat verscheidene schildpadsoorten, waaronder de

waardevolle karetschildpad (chelonia imbricata S.) naast de doejong,

de potvisch, de gewone haai en de zygaena, de zwaard- en zaagvisschen,

in de Seransche zeeën worden aangetroffen.

Wellicht is nog wetenswaard, dat tweemalen te Wahaï is gevonden de

door conchylienverzamelaars zoo gewaardeerde en met honderden guldens

betaalde schelp, conus gloria maris.

Het eiland Seran en zijne bewoners · 第 9 / 18 题