AARDRIJKSKUNDIGE BESCHRIJVING.

Het grootste eiland van den Molukschen Archipel dat zich uitstrekt

van 127° 50' tot 130° 50' O.L. en van 2° 45' tot 3° 55' Z.B. wordt

Seran genoemd. Over dezen naam is eenig twistgeschrijf geweest. De

heer Riedel beweert, dat de schrijfwijze Serang behoort te zijn,

wijl hij de schrijfwijze Ceram de Portugeesche spelling van dat woord

acht. Hij leidt dit af, uit de veronderstelling dat, toen vreemdelingen

dat eiland voor het eerst bezochten, hun werd toegeroepen "sei raha",

hetgeen zou moeten beduiden: "wiens schip?" Nusera of nusela welke

namen volgens hem ook aan Seran gegeven zouden worden, moet beteekenen

"sago eiland". Men vraagt bij dit betoog dadelijk: in welk dialect

beduidt sei raha, wiens schip en hoe werd dit tot Serang? Doch ten

tweede wordt Seran niet nusela, maar wel eens noesa jéla genoemd,

hetgeen in vele Alfoerendialecten beduidt: groot eiland! Van de

groepjes kleine eilanden, die om Seran liggen, wordt vaak het grootste

noesa jéla gedoopt. In het Patinamalied heet het, dat de lijkstoet

van dien held zich richtte "laoe noesa jéla."

Valentijn vermeldt reeds, dat alleen het oostelijke deel des eilands

Seran heet, zooals ook Van Hoëvell schrijft en ook thans nog is

dit zoo. Spreekt men van orang seran zonder meer, dan bedoelt men

de bewoners van de afdeeling Waroe en bij het uitspreken van dit

woord hoort men duidelijk "Seran" zeggen, waarom wij ons aan die

schrijfwijze houden, hierin steun vindend bij Prof. Martin, die zegt:

"die Riedelsche auch auf der Karte des Hydrografischen Bureau's und auf

andern Blättern vorkommende Schreibart "Serang" ist dagegen unrichtig,

da sie nur der Ambonschen Mundart entspricht, während die noch ältere

"Ceram" gar keine Berechtigung besitzt."

Overdekt met een grillig gevormd, veeltoppig gebergte strekt Seran

zich evenwijdig aan den evenaar uit, in eene flauw gebogene naar het

Zuiden holle lijn, met eene oppervlakte van ± 311 G.M2. De groote

Piroe, Elpapoetih, Sawaï en Teloeti baaien zijn als het ware in het

lichaam des eilands uitgebeten en daar het gebergte aan deze baaien

tot vlak aan zee loopt, zoo maakt het den indruk, alsof door groote

beroeringen het land daartusschen is weggezonken.

De hoogste bergtop is de Moerkélé, die, naar eene wel is waar

ruwe berekening, eene hoogte heeft van ± 1900 M. (op sommige

kaarten staat hij als Goenoeng Mansela met 2000 M. en meer hoogte

vermeld). Het gebergte is, voor zoover bekend, over het algemeen van

niet vulkanischen aard met uitzondering van een gedeelte der Zuidkust

en het Zuidelijk deel van Hoeamoal (Verbeek Geologische reis). Ook

warmwaterbronnen of solfatoren zijn onbekend. Slechts treft men bij

Boela slijkvulkanen aan. Aardbevingen komen veelvuldig voor, op de

Noordkust in veel geringer mate voelbaar dan op de Zuidkust.

De Zuidkust leed van tijd tot tijd onder zeebevingen, waarvan

de laatste in 1899 zeer hevig was. Doorgaans vielen zij samen

met de aard- en zeebevingen, die het eiland Ambon teisterden in

1671--1673--1674--1755--1777--1830--1835--1837--1845--1850--1852--1853

enz. en de zéér hevige in 1898. Hierom alleen reeds is Ambon eene

minder geschikte plaats tot bestuursvestiging en behoorde deze reeds

lang naar Wahaï te zijn overgeplaatst.

Het schiereiland Hoeamoal, dat slechts door eene smalle landengte van

nauwelijks 4 à 5 K.M. breedte met Seran verbonden is en waarvan de

as loodrecht staat op die van het groote eiland, is wellicht vroeger

daarvan gescheiden geweest. Merkwaardig zijn de twee waterpoorten

ten Oosten en ten Westen van het eiland Babi, dat als het ware eene

verbinding tusschen het moedereiland en Kellang vormt. Het Oostelijke

gat, ook wel Nassausche gat geheeten, omdat in 1625 de Nassausche vloot

van 4 schepen die onder Geen Huigen Schapenham naar Amboina stevende

daardoor heen voer, is misschien 50 M., het Westelijke ongeveer 200

M. breed.

Bij het wisselen van het getij staat in deze beide gaten een hevige

stroom, doch voornamelijk in de Lobang Solé of Zonnegat, alwaar dan

vrij groote draaikolken van eenige meters diepte worden gevormd, die

eene kleine visschersprauw naar beneden kunnen zuigen, zooals nog

wel eens voorkomt. Zuidelijk van de Lobang Haja of 't Nassausche

gat, strekt zich een rif uit, waarop jaarlijks door de groote

onverschilligheid der Seranners ettelijke prauwen stranden.

Mag men den inboorling gelooven, dan strekt dit rif zich reeds veel

verder naar het Westen uit dan bekend was bij hunne vaderen en zou

mogelijk de Lobang Haja ook langzamerhand dichtslibben of dichtgroeien?

Over de formatie van het eiland Seran spreken de deskundigen zich niet

met beslistheid uit, wijl het nog niet volgens een wetenschappelijk

plan is onderzocht geworden, doch de vondst van de overblijfselen

van eenen reusachtigen ichthyosaurus op Zuid-Seran duidt toch zeker

op een hoogen ouderdom. Hen, die belang stellen in het geologische

Seran, verwijzen wij naar de geschriften van:

J. L. C. Schroeder van der Kolk, 2 dln. 1899. Mikroskopische Studien

über Gesteine aus der Molukken.

Het eiland Seran en zijne bewoners · 第 8 / 18 题