F. J. P. SACHSE.

Den Haag, 1906-1907.

Nog altijd behoort Seran tot de weinig bekende streken van den

Indischen Archipel. Het gebrek aan behoorlijke wegen en in het westen

vooral, een moeilijk beklimbaar bergland, bedekt met dichte bosschen,

eindelijk een onhandelbare, veelal woeste en den Europeaan vijandelijk

gezinde bevolking zijn hiervan de oorzaak.

Weinig blanken waren dan ook in de gelegenheid om door persoonlijke

aanschouwing het binnenland te leeren kennen; nog geringer is het

aantal van hen, die Seran in verschillende richtingen doorkruisten

en zoodoende in staat werden gesteld om een eenigszins bruikbaar

overzicht over het schoone land en zijne bergbewonende stammen te

verkrijgen. Wat men hiervan heeft verteld, is in vele gevallen enkel

geput uit de mededeelingen der kustbewoners, mededeelingen, die soms

onbetrouwbaar, ook wel verkeerd begrepen waren en die nu op meer of

minder gelukkige wijze werden weergegeven. Soms zijn de schrijvers

naïef genoeg geweest om ook de intiemste gewoonten der inboorlingen

te willen berichten, alsof ze die werkelijk hadden waargenomen,

terwijl toch ieder met het land en de zeden eenigszins vertrouwde

onderzoeker begrijpt, dat het onmogelijk zoo kan wezen.

Het is daarom bijzonder gelukkig te achten, dat de schrijver van dit

boek, die de meest verschillende streken van Seran leerde kennen, de

moeite genomen heeft, om hetgeen hij waarnam zorgvuldig op te teekenen,

voor zooverre zulks onder zijn bereik lag. Hij vermeed over dingen

te berichten, die toch enkel door den geschoolden natuuronderzoeker

op betrouwbare wijze kunnen worden nagegaan en weergegeven, terwijl

het voor den officier voor de hand lag, zijne aandacht in de eerste

plaats aan land en lieden te wijden.

Zoo ligt dan ook het zwaartepunt van dit boek in de geographische

en etnographische gegevens, die heel wat nieuws bevatten én bij de

bevolking waarover het zacht, bezadigd oordeel al dadelijk in het

oog valt. De in verschillende streken gemaakte waarnemingen worden

ook duidelijk uit elkaar gehouden en niet dadelijk veralgemeend. Maar

ook daar, waar bekende zaken worden medegedeeld, zal men die gaarne

nog eens vernemen uit den mond van hem, die zelf heeft gezien en goed

heeft gezien, teneinde oudere berichten op hunne vertrouwbaarheid te

kunnen onderzoeken.

Blijkbaar heeft de schrijver den woesten Alfoer van nabij leeren

kennen, want tal van bijzonderheden wijzen op een eenigszins intiem

samenleven. Daarbij kwam dan ook nog wel iets anders dan woestheid

voor den dag: de ziel van den mensch, die ook onder het donkere

vel van den Seranschen inboorling nog veel van hare bleekheid deed

bekennen. De beruchte koppensneller staat in menig opzicht bij zijnen

overbeschaafden Europeeschen broeder geenszins ten achter; misschien

is hij wel evengoed en zal hij bij eenigszins verstandige leiding

weldra een bruikbaar Nederlandsch onderdaan worden.

Dat toch dit boek niet enkel voor de wetenschap, maar ook voor het

bestuur van nut moge wezen! Dat het zijnen weg vinden, die er voor

is aangewezen, in de kamer van den geleerde en van den ambtenaar

der Regeering, die het in de Molukken als een bron van informatie

zal begroeten en niet ongestraft zal mogen verwaarloozen. Volgaarne

onderschrijf ik ook de aansporing van den schrijver om het kostbare

eiland te kultiveeren, zoodat het een bron van welvaart voor Nederland

zoude worden.

Het eiland Seran en zijne bewoners · 第 2 / 18 题