Zeer merkwaardig is het, dat de zoo karakteristieke en oogenschijnlijk
geheel oorspronkelijke leer van het Eeuwig Wederkeeren, die hypothese,
die voor Nietzsche als de kroon op zijn werk en als eene soort mysterie
was, wier openbaring de geheele menschheid beroeren moest, tezelfder
tijd door twee Fransche denkers is uitgedacht en uitgewerkt, n.l. door
Blanqui in 1871 en door Dr. Gustave Le Bon in 1881, hetzelfde jaar,
waarin zij te Sils Maria plotseling aan Nietzsche's denkershorizon
verrees. En het merkwaardigst van alles is, dat die omstandigheid
geheel toevallig was, want Le Bon had geen flauw vermoeden van
het bestaan van Blanqui's theorie toen hij L'Homme et les Sociétés
schreef en van Nietzsche kan met zekerheid gezegd worden, dat hij zijne
voorgangers niet gekend heeft; mevrouw Förster-Nietzsche heeft haren
broeder nooit over een van beiden hooren spreken en hunne werken komen
in zijne bibliotheek niet voor; daarbij is 1881 een der jaren, waarin
Nietzsche's ziekte het ergst is geweest en zijne hoofdpijnen en zijne
zwakke oogen hem bijna alle nieuwe lectuur onmogelijk maakten. Wij
moeten dus wel aannemen, dat de drie denkers, onafhankelijk van
elkander, tot de hypothese van het Eeuwig Wederkeeren zijn gekomen.
Blanqui's theorie vinden wij in l'Eternité par les Astres, een
soort prozagedicht, dat de groote drijver in 1871 gedurende zijne
gevangenschap in het fort Le Taureau gemaakt heeft, en dat begin
1872 gedeeltelijk in de Revue Scientifique en in zijn geheel als
boek verscheen.
Men vindt er een overzicht van in Geffroy's l'Enfermé (Parijs
1897) pag. 389-481, terwijl de overeenkomst tusschen Blanqui's
cosmogonische ideeën en Nietzsche's theorie niet lang geleden door
Retté in een artikel van La Plume is aangetoond. Evenals Nietzsche
neemt Blanqui aan, dat aan den eenen kant ruimte en tijd onbepaald
zijn en dat aan den anderen kant de combinaties, die de natuur door
middel van al hare elementen voortbrengen kan, een beperkt getal niet
overschrijden; voor al hare werken bezit zij een honderdtal gewone
lichamen en een wereldgietvorm, het stello-planetenstelsel. Het getal
mogelijke combinaties van die gewone lichamen is reusachtig groot,
maar toch eindig en met behulp van al die combinaties moet de dubbele
oneindigheid van ruimte en tijd gevuld worden; naast de origineele,
de type combinaties moeten dus herhalingen zonder tal voorkomen
om de oneindigheid te vullen; bijgevolg ontwikkelen zich op alle
mogelijke wijzen ontelbaar vele exemplaren van deze aarde en alle
denkbare verscheidenheden van onze planeet bestaan ergens en herhalen
zich onbepaald.
Zoo gaat ook het bestaan van elk individu tot een onbepaald getal
exemplaren: "Hij heeft volledige dubbelgangers en variaties van
dubbelgangers, die zijne persoon voortdurend vermenigvuldigen en
vertegenwoordigen, maar slechts brokken van zijn lot afscheuren. Al
wat men hier op aarde had kunnen zijn, is men ergens anders en buiten
het geheele leven, van de geboorte tot den dood, dat men op tal van
aarden doormaakt, doorleeft men er op andere tienduizend verschillende
vormen van...."
"Wat ik op dit oogenblik in een kerker van het fort de Stier
schrijf, heb ik geschreven en zal ik in alle eeuwigheid schrijven
op eene tafel, met eene pen en gekleed, onder geheel dezelfde
omstandigheden.... Tevergeefs zou men den stroom der eeuwen op kunnen
gaan om een enkel oogenblik te vinden, waarin men niet geleefd heeft,
want het heelal is niet begonnen en bijgevolg de mensch evenmin.... Op
dit huidige oogenblik herhaalt zich dag aan dag het geheele leven
van onze planeet van zijne geboorte af tot zijn dood toe, in al
zijne bijzonderheden met al zijne misdaden en ellenden, op tallooze
sterren. Wat wij vooruitgang noemen ligt in elke planeet opgesloten en
verdwijnt met haar. Altijd en overal in het aardsche kamp hetzelfde
drama, dezelfde tooneelversiering op hetzelfde nauwe tooneel; eene
woelende menschheid, van eigen grootheid doordrongen, zich wanende
het heelal te zijn en in een kerker levende als in eene oneindigheid,
dan zinkende met den aardbol, die met de diepste verachting den
last van haren hoogmoed gedragen heeft. En dezelfde eentonigheid,
dezelfde onbewegelijkheid in de vreemde sterren. Het heelal herhaalt
zich eindeloos en trappelt fier op de plaats, en de eeuwigheid speelt
onveranderlijk in het oneindige dezelfde voorstellingen af." Zooals
men ziet bestaat er eene bijna volledige overeenkomst tusschen de
hypothesen, die Blanqui van de "Spectrale analyse en de cosmogonie
van Laplace" meende te kunnen afleiden en "de theorie van het Eeuwig
Wederkeeren," die Nietzsche door moreele beschouwingen vond en die
hij door wetenschappelijke onderzoekingen wilde staven. Nietzsche
komt meer op de onbepaalde opeenvolging der zelfde phenomenen in de
oneindigheid van tijd, terwijl Blanqui meer het tegelijkbestaan van
dezelfde phenomenen in de oneindige ruimte op het oog heeft, maar in
den grond vindt het idee van den gevangene van de Stier zich bijna
volkomen terug in dat van den eenzame te Sils-Maria.
Niet minder treft ons de overeenkomst tusschen de redeneering van
Nietzsche en die van Dr. Le Bon.
Laatstgenoemde zegt in L'Homme et les Sociétés (Paris 1881) t. II
pag. 420: "Maar de tijd is eeuwig en de rust kan niet eeuwig zijn. Die
stilzwijgende, doode bol zal niet altijd als eene koude massa door
de ruimte voortrollen. Wij kunnen ons slechts in gissingen verdiepen
omtrent zijne verre toekomst, maar geen enkele dier gissingen geeft
ons het recht te zeggen, dat hij eeuwig traag zal blijven.
Hetzij hij door de aantrekkingswet, die ons zonnestelsel naar onbekende
streken in de ruimte voert, zich met andere stelsels vereenigt; hetzij
de schok van een ander hemellichaam zijne temperatuur zoozeer verhoogt,
dat hij in damp opgaat, hij is zonder eenigen twijfel bestemd om eene
nieuwe nevelster te vormen, waaruit door eene zelfde serie evolutieën
als de door ons beschrevene, eene nieuwe wereld zal voortspruiten,
die ook weer bestemd is éénmaal bewoond te worden, totdat ook zij op
hare beurt vergaat, en dat zoo voort zonder dat wij een einde kunnen
voorzien aan die eeuwige serie van geboorte en vernietiging. Want, hoe
zou zij kunnen eindigen zoo zij nooit begonnen is? "Zoo het evenwel
dezelfde elementen van elke wereld zijn, die na haar vergaan tot de
vorming van andere werelden dient, spreekt het vanzelf, dat dezelfde
combinaties, d.w.z. dezelfde werelden, door dezelfde wezens bewoond,
zich vele malen herhaald hebben, want, daar een gegeven aantal atomen
slechts een beperkte hoeveelheid combinaties kan vormen en de tijd
onbeperkt is, zijn natuurlijk alle mogelijke ontwikkelingsvormen reeds
lang tot stand gekomen en kunnen wij slechts vroegere combinaties
herhalen. Vele malen moeten reeds beschavingen en werken als de onze
ons heelal zijn voorafgegaan en zooals Sisyphus steeds hetzelfde
rotsblok voortrolt, herhalen wij voortdurend dezelfde taak, zonder
dat iets ooit een einde aan dat noodlottige altijd kan maken. Welke
onbekende oorden der hemelen zou het hoogste nirwana, de laatste
rust, die zich de oude Indische godsdiensten voorstellen, kunnen
herbergen? Schimmen van vergane tijden, die voor eeuwig in de mist der
eeuwen schijnt verzonken te zijn en die de tooverstaf der wetenschap
willekeurig aanroept, hoopt niet op rust, gij zijt onsterfelijk."
Zonder verdere commentaren leg ik den lezers van Nietzsche
die overeenkomsten voor. Het spreekt van zelf, dat men er zeer
verschillende gevolgtrekkingen uit maken kan: sommigen zullen er een
nieuw bewijs voor Nietzsche's "gebrek aan oorspronkelijkheid" in zien,
maar anderen zullen het integendeel verdienstelijk van hem vinden,
dat hij aan eene astronomische beschouwing en zuiver wetenschappelijke
hypothese de diep tragische poëzie en verheven moreele beteekenis
gegeven heeft, die zij miste of althans niet in die hooge mate bezat
bij de Fransche denkers, die haar het eerst uitvonden. Ik voor mij
vind die toevallige overeenkomst daarom vooral van belang, omdat zij
ons aantoont, dat een der oogenschijnlijk meest paradoxale ideeën
van Nietzsche niet eigenlijk de zuiver persoonlijke schepping is van
eene abnormale en ziekelijke verbeelding, maar dat het in zekeren zin
tusschen 1871 en 1881 in de lucht gezweefd heeft, getuige, dat drie
zoo verschillende denkers als Nietzsche, Blanqui en Le Bon het langs
verschillende wegen gevonden hebben en, dat Nietzsche dus, zelfs in
zijne mystieke theorie van het Eeuwig Wederkeeren de vertegenwoordiger
is van eene bestaande strekking der moderne ziel. [127]