BESLUIT.

Nietzsche heeft het, voor een Duitsch wijsgeer vrij zeldzaam voorrecht

genoten, gelezen en betwist te worden niet alleen door mannen

van het vak, maar ook door het groote publiek. In de laatste tien

jaren vooral heeft de "Nietzscheliteratuur" aanzienlijke afmetingen

verkregen; de meeste tijdschriften en dagbladen op wijsgeerig of

letterkundig gebied hebben artikels over Nietzsche's persoon of over

zijne werken gegeven; hij is thans "in de mode" evenals Wagner of

Botticelli, Ibsen of Ruskin en tal van denkers aarzelen niet in hem

den oorspronkelijksten en diepsten denker van het modern Duitschland,

den eersten moralist der eeuw, den Darwin der moraal te zien. Maar,

evenals hij zijne enthousiaste aanbidders heeft, bezit hij zijne

verwoede tegenstanders, die hem meedoogenloos voor onwetend, dom,

verward en voor den verwoester der publieke gezondheid en moraal

uitmaken.

Tusschen die twee vijandelijke kampen blijft het gros van het publiek,

geloof ik, vrijwel besluiteloos; aan den eenen kant gevoelt het

zich aangetrokken door het "modernisme" van Nietzsche en door het

schijnbaar vreemde in zijne ideeën, maar aan den anderen kant is

het niet vrij van een gevoel van wantrouwen en vraagt het zich af,

tot hoeverre men waarde moet hechten aan de schitterende paradoxen

van den denker, die in die mate van alle algemeen erkende meeningen

afwijkt. Tot besluit dezer studie willen wij trachten de voornaamste

tegenwerpingen tegen Nietzsche's theorieën en de waarde, die wij

daaraan hechten, mee te deelen, zonder evenwel zoo dwaas te zijn in

enkele bladzijden de "ware" oplossing van de samengestelde en fijne

problemen, die het geldt, te willen geven.

Nietzsche's werk is uit tweeërlei oogpunt beoordeeld: enkelen hebben er

vooral op gewezen, dat het "dwalingen" bevat, wat feiten of meeningen

betrof en anderen hebben meer getracht te bewijzen, dat het uit een

moreel oogpunt gevaarlijk was.

In de eerste plaats heeft men dus de waarde van Nietzsche's argumenten

ter verklaring zijner stellingen tegengesproken. Hij tracht--om een

duidelijk voorbeeld te geven--door argumenten, die hij aan de taalkunde

ontleent, te bewijzen: dat de waarden, die door de vroegere beschaving

erkend werden, "aristocratisch" waren en in het vervolg der tijden door

slavenwaarden vervangen zijn; tot staving van die bewering haalt hij

het Latijnsch bonus aan, dat hij terugvoert tot een oorspronkelijken

vorm duomus (van duo, twee) en verklaart door "mensch van tweedracht,

van strijd"; zoo ook brengt hij het Duitsch Gut overeen met het woord

God en den volksnaam Gothen en haalt hij de verschillende beteekenissen

aan van het Duitsch schlecht, schlicht, dat zoowel eenvoudig,

algemeen (ein schlichter Mann, een man van het volk) als slecht

beteekent. Bréal nu constateert, dat de meeste taalkundige bewijzen,

die Nietzsche aanhaalt, onjuist of verkeerd uitgelegd zijn. Ook heeft

men op grond der anthropologie en der geschiedenis de hypothese van

het blonde, eenzame "roofdier", dat Nietzsche aan den oorsprong der

Europeesche beschaving veronderstelt, tegengesproken. Het schijnt,

dat de voorhistorische mensch zelfs al het "dier eener kudde" was, dat

gevoelens van sympathie en solidariteit reeds bij hoogere apensoorten

voorkomen en dat de Germaan van den tijd der groote strooptochten,

die bij Nietzsche juist de hoofdrol speelde, toen hij zijn beeld

van den "blonden wilde" gaf, een krachtig, maar vreedzaam landman

was, die geen oorlog voerde ter wille van moord en doodslag, maar om

bebouwbaren grond te veroveren. De meeste van Nietzsche's historische

theorieën, zijne hypothese van de "Joodsche opheffing der slaven",

zijne portretten van Jezus en den apostel Paulus in de Antichrist,

zijne stellingen omtrent de ontwikkeling van het Christendom en de

ascetische moraal, zijne meeningen over de Hervorming en Luthers rol

zijn uitgemaakt voor fabels; zijne psychologische analysen, zijne

verklaring van "slecht geweten", zijne theorieën over het begrip

"zonde" teruggebracht tot het materieel begrip "schuld", zij allen

zijn valsch verklaard en het ideaal van den Uebermensch naar zijne

opvatting heeft men uit een biologisch oogpunt gecritiseerd:

"De biologische waarheid, zegt Nordau, is, dat een voortdurende

zelfdwang eene noodzakelijke levensvoorwaarde is voor sterken

en zwakken; hij is de werkzaamheid der hoogste en menschelijkste

hersencentra en zoo deze niet geoefend worden, sterven zij uit,

d.w.z. de mensch houdt dan op mensch te zijn en de zoogenaamde

"Uebermensch" wordt een "Untermensch" of dier; door de ontspanning of

opheffing der remkrachten van de hersenen vervalt het organisme zonder

genade aan de anarchie van zijn constitutief gedeelte en die anarchie

leidt onverbiddelijk tot verval, ziekte, waanzin en dood." Ten slotte

is ook de leer van het "Eeuwig Wederkeeren" door niemand geloofd en

zelfs een criticus als Brandes, die Nietzsche zoozeer toegedaan was,

noemt Zarathustra's mysticisme "weinig overtuigend."

Welke gevolgtrekkingen moet men nu met het oog op de waarde van

Nietzsche's werk uit al die kritieken maken?

In de eerste plaats moeten wij vaststellen, dat Nietzsche zich, vooral

in de tweede periode van zijn bestaan, niet uitgeeft voor een geleerde

en er ook niet voor zou kunnen doorgaan, want zijne gezondheid en

vooral de toestand van zijne oogen verbood hem gedurende vele jaren

bijna geheel alle soorten van lectuur en hij is specialist geweest

uitsluitend in de philologie, waarvan hij van af 1879 met meer op de

hoogte bleef. In alle andere takken van natuurlijke of historische

wetenschappen is hij slechts dilettant, wat hij ook gaarne erkent,

want hij stelt zich niet tot taak deze of gene tak der wetenschap

te bevorderen of de resultaten der wetenschap te verspreiden, maar

hij wil uitsluitend nieuwe problemen vormen of oude problemen onder

nieuwe vormen stellen; het is zijn verlangen niet op de wetenschap

zelve, maar op de ziel der geleerden te werken en daarom heeft hij in

zekeren zin gelijk slechts eene ondergeschikte waarde te hechten aan

de feiten, waarmee hij zijne theorieën bijlicht. Zijne etymologie en

zijne hypothesen omtrent de verschillende beteekenissen der woorden

b.v. zijn in waarheid noch heel zeker, noch heel overtuigend, maar dat

laat hem eigenlijk koud, want de feiten, die hij aanhaalt, dienen in

zijne gedachten bovenal om aan te toonen, hoe men de studie der moreele

vraagstukken met behulp van taalkunde zou kunnen aanvaarden en om de

taalkundigen aan te sporen hunne onderzoekingen in die richting te

sturen; de intrinsieke waarde van zijne beweringen is in zijne oogen

van geheel ondergeschikt belang en al bleef er geen enkele van zijne

technische opmerkingen over, dan zou Nietzsche toch ondanks alles

volgens eigen opvatting een nuttigen arbeid geleverd hebben, zoo

het hem gelukken mocht door zijne opmerkingen de nieuwsgierigheid

van een taalkundige te prikkelen en hem aan te sporen die soort

vraagstukken onder handen te nemen. Nu heeft men zich juist in den

laatsten tijd veel moeite gegeven om door middel van taalkundige

feiten sociale feiten te verklaren en zich in 't bijzonder door

vergelijkende taalstudie een denkbeeld der voorhistorische beschaving

te maken. Daarmee bedoel ik niet Nietzsche de eer te geven van die

coïncidentie, maar alleen aan te toonen hoe een idee door hem geuit

en op waarschijnlijk onjuiste feiten gebaseerd, daarom nog niet van

belang ontbloot behoeft te zijn.

Daarbij moet men, om de waarde van de mogelijke "fouten" in

Nietzsche's theorieën juist te beoordeelen, niet vergeten, dat zijn

geheele werk volkomen subjectief is, terwijl juist de vereering van

de objectieve waarheid, zooals Nietzsche terecht opmerkt, de sterkst

moderne vorm van het godsdienstgevoel is. Wij eischen instinctmatig

van den geleerde een diep ontzag voor de werkelijkheid en verlangen

hem zoo onpartijdig en zoo onpersoonlijk mogelijk te zien. Wel weten

wij in waarheid, dat zuiver objectivisme slechts een lokaas is en dat

niemand zijne persoonlijkheid volkomen af kan schudden en de dingen

zien kan, zooals zij werkelijk zijn; dat alle waarheid dus in zekere

mate individueel is en dat de hoofdzaak van een wetenschappelijk

werk wellicht niet in datgene bestaat, dat de schrijver aan de

werkelijkheid heeft ontleend, maar veeleer in dat, wat hij er zelf

in gelegd heeft. Desondanks gelooven wij ontegenzeggelijk in eene

"objectieve" of, wat op hetzelfde neerkomt, "algemeen subjectieve"

waarheid en stellen wij over het algemeen een schrijver hooger,

naarmate hij met wat wij noemen de objectieve waarheid meer blijkt

overeen te komen. Natuurlijk kunnen wij ook op Nietzsche dien maatstaf

toepassen, maar wij moeten daarbij niet uit het oog verliezen, dat

Nietzsche in de eerste plaats zichzelf heeft willen zoeken en leeren

kennen. Wij hebben gezien hoe hij, volgens zijn eigen bekentenis,

zijne opvoeders Schopenhauer en Wagner heeft beschouwd, hoe het hem

steeds minder te doen is geweest om te weten wat zij op zichzelve waren

dan om hetgeen zij hem omtrent zijn eigen persoon konden openbaren;

hij heeft eene "legende" van hen gemaakt, waarvan de objectieve

waarheid ten zeerste is tegengesproken, en hij heeft zelf erkend,

dat hij in werkelijkheid in Schopenhauer als Erzieher en in R. Wagner

in Bayreuth zichzelf zoowel als wijsgeer als als artiest beschreven

heeft. Met dezelfde oogen nu als hij Schopenhauer en Wagner heeft

aangezien, bekeek Nietzsche in zekeren zin de geheele werkelijkheid;

hij heeft haar in buitengewoon eigenaardige en aantrekkelijke legenden

veranderd, die evenwel misschien belangrijker zijn als uitingen van

Nietzsche's persoonlijkheid dan als beschrijving of verklaring der

uiterlijke wereld. Nu is het duidelijk, dat het, zoodra men zich

op dat standpunt plaatst om Nietzsche's werk te beoordeelen, van

ondergeschikt belang is te weten of zijne ideeën omtrent een of ander

punt in de geschiedenis, de anthropologie of de biologie, al of niet

met die ideeën overeenkomen, die algemeen erkend worden als objectieve

waarheid, en om diezelfde reden is het ook, om Nietzsche's waarde op

prijs te stellen, van geen hoofdbelang, uitvoerig na te gaan wat hij

aan zijne voorgangers te danken heeft gehad. Wel is het zeker, dat

hij, ondanks zijn trachten naar volkomen oorspronkelijkheid, bewust

of onbewust den invloed zijner tijdgenooten heeft ondergaan en dat

zijne gedachten, gezuiverd van de aanvallende en paradoxale wending,

die zijne pen er aan geeft, dikwijls veel minder nieuw blijken te

zijn dan ons bij den eersten aanblik toescheen. Het onverdraagzaam

individualisme, de vereering der ikheid, de vijandigheid tegen den

staat, het protest tegen de leer van gelijkheid, de vereering der

menschheid vindt men alle, bijna even sterk uitgesproken als bij

Nietzsche, terug bij een half vergeten denker, Max Stirner, wiens

voornaamste werk: "Der Einzige und sein Eigenthum" (1843) de moeite

waard is van uit dat oogpunt met Nietzsche's geschriften vergeleken

te worden.

De ontwikkeling van de persoonlijkheid, van de "eenige" en

onvergelijkelijke ikheid is ook de voornaamste leerstelling van

den Deen Sören Kierkegaard, die door zijne Christelijke neigingen

daarentegen volkomen van Nietzsche's ideeën afwijkt.

Het aristocratisch ideaal, dat Nietzsche zoo hoog stelt, komt

voor in de correspondentie van Flaubert en vooral in de Dialogues

Philosophiques van Renan; in Eugen Dühring vindt Nietzsche een

medestrijder tegen het pessimisme en met Edouard de Hartmann deelt

hij zijn afkeer van socialisten en anarchisten, het geloof in de

ongelijkheid der menschen en den beschavenden invloed van den oorlog en

de overtuiging, dat het medelijden niet als de basis van alle moraal

beschouwd kan worden. Zijne leer van het Eeuwig Wederkeeren komt

reeds voor in l'Éternité par les astres van Blanqui en in l'Homme et

les Sociétés van Dr. Le Bon. Maar, al kan men gemakkelijk bewijzen

dat Nietzsche door zijne leerstellingen bij dezen of genen zijner

tijdgenooten vergeleken kan worden, zoo moet men toch toegeven, dat

hij juist door zijne persoonlijkheid hemelsbreed verschilt van hen,

die omtrent zekere punten dezelfde ideeën verkondigen als hij. En

hij gevoelt zelfs eene instinctmatige en zeer oprechte antipathie

tegen de meesten van die zoogenaamde bondgenooten; in Renan haat

hij de priesternatuur; Hartmann maakt hij uit voor kwakzalver en

Dühring verfoeit hij, omdat hij een in den grond "plebeïschen" geest,

eene soort karikatuur van zichzelf in hem ziet. Hij is er blijkbaar

ten zeerste op gesteld niet met hen verward te worden, niet uit

schrijverseigenliefde, die ongunstig stemt tegen alle mededingers,

maar omdat hij zich geheel verschillend van hen gevoelt door zijne

moraal en dat naar zijn oordeel de persoon van den wijsgeer van veel

meer belang is dan zijn werk.

Het spreekt vanzelf, dat men die zienswijze niet tot in het uiterste

moet drijven en onder voorwendsel van Nietzsche's persoonlijkheid

veel belangrijker te vinden dan zijn werk, aan het laatste alle

waarde moet ontzeggen; dat zou verkeerd en onrechtvaardig zijn, want

volgens mijne vaste overtuiging, kunnen zoowel de historicus als de

wijsgeer in zijne werken tal van opmerkingen vinden, die op zichzelve

en niet alleen als uitingen van Nietzsche's persoonlijkheid hoogst

belangrijk zijn. Elders trachtte ik aan te toonen van hoeveel belang

zijne meeningen omtrent Wagner--in R. Wagner in Bayreuth en in Der

Fall Wagner--voor den historicus zijn, die zich een juist oordeel over

de waarde van den kunstenaar wil maken, en het staat buiten twijfel,

dat ook op vele andere punten Nietzsche's ideeën dienen in aanmerking

te komen en eene diepere beschouwing waard zijn. Hiermee bedoel

ik, dat de waarde van Nietzsche's werk niet uitsluitend en zelfs

niet hoofdzakelijk in het "objectief" belang ligt, dat zijne ideeën

vertegenwoordigen en daaromtrent onderschrijf ik ten volle het oordeel,

dat Brandes over hem geeft, als hij hem vergelijkt met zijne gehate

tegenstanders, de Engelsche wijsgeeren: "Wanneer men tot hem komt na

de Engelsche wijsgeeren bezocht te hebben, dringt men door in eene

geheel nieuwe wereld. De Engelschen zijn alleen geduldige geesten,

wier overheerschende neiging is alle stukjes aan elkander te hechten

en tal van bijzonderheden met elkander te verbinden om zoodoende eene

wet te vinden. De besten hunner zijn genieën naar Aristoteles. Zelden

oefenen zij door hunne persoonlijkheid eenige aantrekkingskracht uit

en hun ikheid schijnt meestentijds weinig samengesteld te zijn. Zij

zijn meer waard door wat zij doen dan door wat zij zijn. Nietzsche

daarentegen is, evenals Schopenhauer, een profeet, een ziener,

een kunstenaar; hij heeft minder waarde door wat hij doet dan door

wat hij is." [122] Om zijn werk naar waarde te kunnen schatten

moet men het niet ter hand nemen als een wetenschappelijk boek,

waarvan de waarde niet afhangt van de geestelijke hoogte van den

schrijver, maar van de hoeveelheid exacte en vooral nieuwe kennis,

die het inhoudt. Voor Nietzsche kan dezelfde paradox gelden, die

hij op Schopenhauer toepaste, n.l.: de leer van den denker komt er

weinig op aan, want elk wijsgeer kan zich vergissen; wat echter meer

waarde heeft dan elk systeem is de zielewaarde van den denker zelf:

"Er is in een wijsgeer dat, wat men nooit in eene wijsbegeerte vindt;

n.l. de oorzaak van vele wijsbegeerten, de groote mensch."

Nog rest ons het tweede bezwaar tegen Nietzsche's werk te onderzoeken,

n.l. dat het, naar veler bewering, uit een moreel oogpunt verderfelijk

zou zijn. Het ergst verwijt men Nietzsche zijne reactionnaire

neigingen, zijn voorgewend cynisme, zijn dilettantisme, zijn egoïsme

en zijne hardheid jegens zwakken, en in Duitschland vooral beschouwt

men de verspreiding van zijne leer en de vorming van eene "Nietzsche"

school als een publiek gevaar. Welke waarde moet men nu hechten aan die

aanvallen, die voortdurend in alle studieën over Nietzsche voorkomen?

In de eerste plaats moeten wij erkennen, dat zekere ideeën van

Nietzsche, zoo zij verkeerd begrepen worden, wel degelijk tot

schijnbare rechtvaardiging van zeer verkeerde moreele ideeën kunnen

dienen; met aphorismen van Nietzsche kan men b.v. het grofste egoïsme

en het dolzinnigste dilettantisme trachten te verontschuldigen en toch

is het gewis niet genoeg een "arrivist" (om het gangbaar neologisme te

gebruiken) of een anarchist in de letteren te zijn, alle soorten van

godsdienstige en moreele vooroordeelen over boord te werpen en kalm

zijne tijdgenooten te verachten, om met recht te kunnen zeggen, dat men

"volgens Nietzsche" leeft. Nietzsche kent geen toegevendheid voor hen,

die den Uebermensch spelen willen en Zarathustra vraagt hen, die hem

op zijne gevaarvolle tochten volgen willen, welke hunne rechten zijn:

"Zijt gij eene nieuwe kracht en eene nieuwe wet? Eene eerste

beweging? Een rad, dat uit zichzelf draait? Kunt gij de sterren

dwingen om u heen te draaien?

Helaas, zoovelen worden verteerd door de ongezonde dorst naar hooger,

zoovelen worden door wanhopende eerzucht gekweld. Bewijs mij, dat

gij niet een van die dorstigen, van die eerzuchtigen zijt!

Helaas, er zijn zoovele groote gedachten, die geen andere uitwerking

dan die van een oorvijg hebben, zij doen opzwellen en geven meer

leegte.

Gij beweert vrij te zijn! Maar ik wil weten, welke de gedachte is,

die u beheerscht en niet wat gij voor last hebt afgeschud.

Behoort gij tot hen, die het recht hebben een last af te schudden? Want

er zijn er, die met de dienstbaarheid, waarin zij leefden, alles

hebben afgeworpen, wat hun eenige waarde gaf." [123]

Nietzsche verkondigt zeer duidelijk, dat zijn leer slechts een

klein getal uitverkorenen geldt en dat de middelmatige menigte

in gehoorzaamheid en geloof moet leven. Men heeft dus geen recht

zijne theorieën te veroordeelen alleen omdat middelmatigen en

onmachtigen, overloopende van ijdelheid, aan hem enkele voorschriften,

willekeurig afgescheiden van het geheel zijner leer, ontleenen om

hunne egoïste genotzucht of hun buitensporigen drang naar grootheid

te rechtvaardigen.

Vele moralisten echter veroordeelen niet alleen de duidelijke

buitensporigheden van enkele weinig aanbevelenswaardige apostels van

den Uebermensch, maar beschouwen de authentieke en juist opgevatte

leer van Nietzsche als gevaarlijk.

Wat nu beteekent hun vijandig oordeel?

Nietzsche is beslist individualist en dat op zichzelf is voldoende

om hem in zekeren zin a priori de afkeuring van vele geesten op

den hals te halen, want in werkelijkheid is de hedendaagsche mensch

tegelijk individu en "dier der kudde" (zooals Nietzsche zegt), hij

is ook lid van eene meer of minder belangrijke groep, van een gezin,

een volk, van de menschheid. Hij zoekt dus voor zich geluk, macht en

volkomenheid en hij zoekt tevens geluk, macht en ontwikkeling voor

de kudde, waartoe hij behoort. In de practijk doen zich trouwens

in het leven van elk individu tal van gevallen voor, die naar zijne

overtuiging--terecht of ten onrecht--strijd verwekken tusschen zijn

persoonlijk belang en het belang der kudde; het is dus hoofdzaak voor

hem te weten welk der beide belangen wijken moet ter wille van het

ander. Nu komt het mij voor, dat die keuze alleen plaats kan hebben

uit geloofsovertuiging of als eene soort weddingschap. Wij wedden

eigenlijk altijd en moeten het wel doen door onze daden, en meestal

ook theoretisch door een of ander moreel beginsel aan te nemen of op

eene andere wijze goed en kwaad te bepalen. Door het feit dus, dat

alle menschen tegelijk individu en "dier der kudde" zijn, bestaan er

twee hoofdsoorten van weddingschappen, die in den mensch de overhand

hebben al naar gelang de zorg voor zijne eigen persoon of die voor

de kudde, waartoe hij behoort, het sterkst spreekt. De een heeft de

neiging, hetzij door daden, hetzij in beginsel zijn eigen geluk of de

volmaking van zijne eigen persoonlijkheid aan het belang der kudde op

te offeren--hij wedt dus ten gunste van de altruïstische moraal; de

ander is daarentegen geneigd het geluk of de volmaaktheid der kudde

aan het belang zijner persoonlijkheid te onderwerpen--hij wedt dus

ten gunste van de individualistische moraal. Nietzsche, zooals wij

gezien hebben, wedt uitsluitend voor het individu. De meerderheid

der beschaafde menschen nu, in onze dagen, wedt zooal niet in daden,

toch minstens in theorie door de stellingen, die zij verkondigt, ten

gunste van de moraal der "kudde" en die volkomen radicale tegenstelling

van beginselen is voldoende om tusschen Nietzsche en de aanhangers der

democratische en humanitaire leer eene onvermijdelijke vijandschap te

stichten, want de afschuw, dien de "kudde" voor Nietzsche ondervindt,

is de natuurlijke terugslag van den verwoeden haat, dien hijzelf

gevoelt tegen de voorstanders van het altruïsme. [124]

Het is evenwel niet noodig op onverdraagzame wijze ten gunste van

eene der beide fundamenteele strekkingen te wedden, want men kan

ook individualisme en altruïsme beiden voor wettig houden en zich

eene "harmonische" ontwikkeling van elk dier beide strekkingen

voorstellen. Ik geloof trouwens, dat niemand zeggen kan door zijne

daden op streng consequente wijze, hetzij ten gunste van zuiver

individualisme of van een beslist altruïsme te hebben gewed,

en zoo aarzelt men ook hoe langer hoe meer, ook in theorie, de

individualistische en vooral ook den kuddegeest, zooals Nietzsche doet,

te veroordeelen. Men neemt de hierarchie der neigingen aan en erkent,

dat die hierarchie tot zekere mate van het eene tijdstip op het andere,

van het eene volk op het andere en zelfs van het eene individu op

het andere veranderen kan. Welnu, zoodra men zich op dat standpunt

plaatst, kan men over Nietzsche's werk niet langer een beslist oordeel

vellen. Men zal b.v. als volgt kunnen redeneeren: Nietzsche's moraal

is een der zuiverste typen van individualistische en aristocratische

moraal, een schoon en logisch specimen van moreele weddingschap en uit

dien hoofde is zij reeds een waardevol document voor allen, die stijl

en eenheid in hun leven willen brengen--evenzoo goed als Tolstoï's

moraal b.v., die eene niet minder logische weddingschap is, gegrond

op eene hypothese die bijna lijnrecht tegenover die van Nietzsche

staat. Het feit trouwens dat Nietzsche eene radicale oplossing van

het moreele vraagstuk geeft, sluit de waarschijnlijkheid uit, dat hem

velen hetzij practisch of theoretisch volgen zullen en zijn werken

zullen voortzetten, want om de leer van den Uebermensch werkelijk

in praktijk te brengen moet men eene dosis geestkracht bezitten,

zooals hoogst zelden voorkomt en Nietzsche erkent zelf, dat die zoo

buitengewoon beschaafde wezens, die hij zich als genieën voorstelde,

wellicht nooit anders dan in zijne verbeelding bestaan hebben. Daarbij

is het moeilijk om, van het theoretisch standpunt uit, veel verder te

gaan dan Nietzsche; enkelen zijner volgelingen als Alexander Tille

[125] of Rudolf Steiner [126] hebben op eenige punten de leer van

hun meester kunnen voltooien of verbeteren, maar het schijnt juist om

den bijzonderen en vèrstrevenden aard van zijne leer, niet denkbaar,

dat hij ooit de stichter eener school zal zijn; hij zal naar alle

waarschijnlijkheid een "eenzame" zijn voor het nageslacht, zooals hij

het geweest is in zijn denkersleven. Daarentegen ligt het in den aard

der zaak, dat zijne leer misschien een vrij aanzienlijken invloed

kan uitoefenen door, hetzij in het individu, hetzij in een volk de

individualistische neigingen te versterken en ons oordeel over dien

invloed kan goed of slecht zijn naarmate het individu of het volk is,

waarop hij wordt uitgeoefend, want die invloed kan natuurlijk het

moreel evenwicht van menschen, wier egoïstische neigingen toch reeds

uitermate ontwikkeld zijn, helpen verstoren, maar hij kan ook omgekeerd

andere naturen tot harmonie voeren door hen tegen zekere uitersten

en gevaren der verschillende vormen van humanitaire, democratische of

ascetische moraal te wapenen, en van uit dat oogpunt kan Nietzsche's

werk, dunkt mij, een weldadigen invloed uitoefenen op onzen tijd, die

niet juist door overvloed van physieke en moreele geestkracht uitmunt.

Weinig denkers hebben zoo sterk als hij den mensch weten te

dwingen zichzelf te zien zooals hij is en geheel oprecht jegens

zichzelf te zijn; weinig moralisten hebben zoo wreed al die kleine

leugens ontmaskerd, die de ziel noodig heeft om hare zwakheid,

hare lafhartigheid, haar onmacht en middelmatigheid te verbergen,

weinig psychologen hebben de armzalige, kleingeestige of gemeene

werkelijkheid, die zoo dikwijls onder de schoone woorden "medelijden,"

"naastenliefde," "belangeloosheid," schuilgaat, scherper aan het licht

gebracht. Nietzsche blijkt een onmeedoogend zieledokter te zijn: de

leefregel die hij voorschrijft, is streng en gevaarlijk te volgen, maar

versterkend: hij schenkt geen troost aan hen, die hem hun leed komen

klagen, hij laat hunne wonden bloeden, maar hardt hen tegen smart;

hij geneest zijne zieken òf volkomen--òf hij doodt hen. De menigte

gevoelt eenige vrees voor hem en ziet hem wantrouwend en angstig

aan; zij vraagt zich af of hij niet een slecht mensch is en mompelt

zelfs den naam van "beul"; zij gaat hem uit den weg en zoekt liever

genezing bij den geneesheer, die haar met zachte hand behandelt en haar

vertroostend toespreekt, die haar een minder gevaarlijken leefregel

oplegt en minder forsch in zijne behandeling is, en misschien heeft

zij geen ongelijk, maar aan den anderen kant bezit hij ook eene groep

getrouwen, die juist op zijne ruwheid, zijne onhandelbare oprechtheid,

zijn geheele karakter gesteld zijn en de zekerheid zijner wetenschap

en de uitnemendheid zijner methode hoog roemen.

Ook zij, geloof ik, dwalen niet in hunne bewondering en liefde, want

zij begrijpen terecht, dat hij niet uit gevoelloosheid of omdat hij

geen smart kent, zoo hard is voor de lijdende menschheid, en weten,

dat het leven integendeel voor hem buitengewoon hard is geweest;

daarom vinden zij, dat zijn tragisch lot hem wellicht het recht

heeft geschonken minder toegevend te zijn voor menschelijke ellende

en zwakheid en zij nemen vol eerbied den hoed af voor den moedigen,

trotschen denker, die ondanks de martelingen van eene ongeneeslijke

kwaal er nooit toe gekomen is het leven te vervloeken en die, met dood

of waanzin steeds voor oogen, tot het einde toe zonder eenige zwakheid

zijnen lofzang op het eeuwig jong en vruchtbaar leven heeft volgehouden

en staande is gebleven trots de smart, die zijn verstand heeft kunnen

vernietigen, maar zijn bewusten wil niet heeft doen buigen.

Nietzsche's Philosophie · 第 41 / 45 题