De fraaie beeltenis van den prins, met zijn uitdrukking van verheven

kalmte, ligt uitgestrekt op een graftombe van prachtig carrarisch

marmer, ontworpen door den Florentijn Domenico Alessandro Francelli

en uitgevoerd te Genua door een beeldhouwer uit Barcelona, Bartolome

Ordonez. Het monument staat op het kruispunt van de middenbeuk met

het transept, terwijl het altaar, achter in het koor gelegen, dat

zich eenige meters boven den beganen grond verheft, als het ware een

achtergrond vormt voor het heerlijk praalgraf. Daar het koor niet veel

ruimte biedt en het aantal Dominikaner monnikken in deze provincie

zeer groot is, moeten velen van hen, bij godsdienstige plechtigheden,

waaraan allen verplicht zijn, deel te nemen, in het schip der kerk

nederknielen. Wanneer men de gelaatstrekken aanschouwt dier jeugdige

priesterknapen, in hun wit gewaad, bijna even schoon als het marmeren

beeld, dat zij omringen en bezield door godsdienstige geestdrift,

wanneer de wierook omhoogwolkt, en de vlam der vele kaarsen hun

biddend opgeheven gelaat verlicht, schijnt het, alsof een viertal

eeuwen ware uitgewischt, en men in waarheid den lijkdienst bijwoonde

van den erfgenaam der dubbele kroon van Castilië en Aragon.

Het is, alsof in deze streken van Spanje alles, natuur en kunst,

menschen en dingen tot ons spreken van het verleden, en van de

persoonlijkheden, die daarin zulk een gewichtige rol vervulden. Eene

figuur echter betwist in de harten van het volk den voorrang aan

de onvergetelijke koningin en hare naaste verwanten. Die eéne is la

Santa, de heilige, wier naam niet eens behoeft te worden uitgesproken,

daar geen andere haar nabijkomt in de oogen der inwoners van de stad,

waar zij het levenslicht aanschouwde. Zij is in waarheid de ziel van

het stadje. Geen blinde bedelaar, geen ongelukkige kreupele, (en die

zijn er in menigte te Avila,) die niet aan den vreemdeling een of ander

treffend verhaal weet te doen omtrent haar vroom en welbesteed leven.

Zoodra zich een reiziger op den drempel van een der hôtels vertoont,

komen zwermen kleine jongens, zoo brutaal als musschen, op hem

afstormen, trippelen als hongerige vogels om hem heen, en roepen

om strijd, terwijl zij met hun vuile, bruine handjes in de lucht

schermen: "Ik zal u den kortsten weg wijzen naar de Santa! Ik kan u

de kapel vertoonen! En ik de relieken! Ik weet de mooiste wonderen

te vertellen! Neen, ik, ik!" En met schitterende oogen beginnen zij

maar vast hun naïeve verhalen op te zeggen, om den vreemdeling te

boeien en te bewegen, hen te volgen naar de plaats, waar de geliefde

heilige rust.

St. Theresa werd te Avila geboren uit een adellijk geslacht van het

zuiverste bloed, "sangre limpia." De natuur schonk haar een lichaam,

haren geest waardig. Reeds vroeg gaf zij blijk van een wijsheid,

die anderen eerst door een lang leven vol ondervindingen moeten

verwerven. Op haar zevende jaar las zij ijverig met haar broertje

in haar gebedenboek, en besprak zeer ernstig de onderwerpen, die

daarin werden behandeld. De beide kinderen namen zich voor, evenals

de martelaren, hun leven op te offeren in den dienst van God, en

verlieten op een goeden dag het ouderlijk huis, om de heidenen te

gaan bekeeren. Ongelukkig kwamen zij op de brug over de Alaya hun oom

tegen, die verbaasd was hen zoo vroeg, met hun reisbundeltje onder

den arm, op weg te zien, en vroeg, waar zij heen wilden. Toen zij hem

de waarheid zeiden, nam de booze oom hen mee terug naar hun ouders,

die hen streng berispten. Doch toen zij bitter begonnen te schreien,

vergaf hun moeder hunne onvoorzichtigheid en daarop begonnen zij

huisjes van klei te bouwen, waarin zij als kluizenaars wilden leven.

Het klooster van de Incarnatie, waar Theresa de Cepeda y Ahmuda op

haar zestiende jaar den sluier aannam, in 1531, is niet ver gelegen

van een thans geheel vervallen gedeelte der stad, dat vroeger door

de Joden werd bewoond. Deze zijn echter door Filips III verdreven,

hetgeen de stad volstrekt niet ten goede kwam. De bevolking is sedert

dien tijd van twintigduizend inwoners gedaald tot elfduizend.

Van het klooster zijn thans slechts twee kapellen voor het publiek

toegankelijk, die overladen zijn met verguldsel en versieringen. In

de sacristie vertoont er een monnik met aandoenlijken eerbied eenige

reliquieën, en een kistje waarin een der vingers van de heilige

wordt bewaard.

In dit klooster onderging Theresa zware beproevingen; want hier werd

het haar voor het eerst openbaar, dat op haar de zware taak rustte,

vele ingeslopen misbruiken te onderdrukken, en de geestelijke zusters

weder terug te brengen op den rechten weg, waarvan zij schromelijk

waren afgedwaald.

Het zag er met de Karmelieten-orde toen ter tijd treurig uit. In den

beginne waren slechts mannen tot deze orde toegelaten, doch in 1452

had paus Nicolaas V een bul uitgevaardigd, waardoor ook vrouwen tot

de Karmelieter orde konden toetreden. Dit verlof sleepte noodlottige

gevolgen mede. Want de Karmelieter nonnen wisten den overste der orde

te bewegen, bij den Paus aan te dringen op verzachting der strengste

levensregels; zooals het vasten van 14 September tot Paschen, het

strikte stilzwijgen, en de afzondering van de buitenwereld. Toen

Theresa dus haar gelofte aflegde, waren vrouwenkloosters geen

plaatsen van rust en stille beschouwing meer. De wereld, met al

haar verleidingen, was erin doorgedrongen. Hoe voorzichtig zich

de heilige Theresa ook in haar geschriften poogt uit te drukken,

zij geeft duidelijk te kennen, dat de vrijheid, welke men zich hier

veroorloofde, de grenzen van het betamelijke verre overschreed. Geen

vader kon thans over de eer zijner dochter waken, door haar toe te

vertrouwen aan de veilige hoede van het klooster, want "wat buiten

het klooster als zonde werd beschouwd," schrijft zij, "werd binnen

de muren met verschooning behandeld."

Teleurgesteld door de bezwaren, welke zij hier ontmoette, en die haar

beletten, een strengeren levensregel te volgen, verliet Theresa het

gesticht, en vormde, geholpen door eenige harer familieleden, de kleine

vereeniging der ongeschoeide Karmelieten, onder de bescherming van den

heiligen Jozef, met het voornemen, den vroegeren eenvoud der orde weder

te herstellen. Deze stap wekte heftige verontwaardiging bij de overige

Karmelieter zusters, die hierdoor op haar eigen gedrag een blaam

zagen geworpen, welke haar onverdiend scheen, daar het gebruik hare

overtredingen reeds in zekere mate had gewettigd. Nog veel heftiger

werd haar verzet, toen, na een bezoek van den voorganger der Orde

aan het klooster van St. Jozef, aan zuster Theresa werd verzocht, het

bestuur van die inrichting aan een der andere nonnen over te laten,

om zelf als priores aan het hoofd te staan van het klooster der

Incarnatie. Eenparig besloten de zusters de indringster niet binnen

hare muren te dulden, en zij gingen zelfs zoover, de verdediging

der kloosterpoort op te dragen aan eenige bevriende edellieden, die

er vrijelijk toegang hadden. Na lange overleggingen besloten deze

trouwe wachters, een weinig in het nauw gebracht door de priestelijke

bedreigingen, den overste der orde door een zijdeur binnen te laten, om

hem zoodoende gelegenheid te verschaffen, openlijk in de kapel de acte

te kunnen voorlezen, waarbij Theresa als abdis werd aangesteld. Doch

thans ontstond een geweldig rumoer, en terwijl twaalf van de zusters,

kruisen en banieren dragend, zich een weg zochten te banen naar het

koor, waar de nieuw benoemde abdis zou moeten plaats nemen, overstemde

het driftig geschreeuw van tweehonderd woedende vrouwen de woorden

van den overste, die te vergeefs stilte gebood. Theresa lag intusschen

biddend voor het altaar geknield. Haar kalm en waardig gedrag en haar

verzoenende houding verzachtten de stemming van enkele der zusters,

die zich door haar zachten invloed gunstiger lieten stemmen.

De volgende dagen echter kenmerkten zich door een lijdelijk verzet,

een ijzige koelheid en stijfhoofdigheid van den kant der zusters,

waarop alle pogingen tot verzoening moesten afstuiten. Toen Theresa

voor het eerst den zetel der abdis in het koor zou innemen, plaatste

zij daarin een beeld van de heilige Maagd, met de sleutels van het

klooster in de hand, en zette zich neer aan de voeten der moeder

Gods. Door dit bewijs van nederigheid getroffen en ontwapend,

luisterden de nonnen thans met meer gewilligheid naar de aandoenlijke

en ernstige toespraak harer nieuwe superieure, die haar herinnerde aan

de jaren, waarin zij als een zuster onder haar had verkeerd, en gaarne

beloofde, niet streng te zullen optreden, en nooit te zullen vergeten,

dat zij hier aan het hoofd geplaatst was van een vereeniging, die

bijzondere voorrechten genoot. Werkelijk wist zij door toegevendheid

en geduld haar positie niet alleen te handhaven; doch gaandeweg vele

verbeteringen aan te brengen en misbruiken uit den weg te ruimen. Zoo

werden o. a. guitaar en clavecimbel verbannen; het dansen en komedie

spelen afgeschaft; en de al te behaagzieke kleederdracht, de sierlijke

kappen en kragen, verwisseld voor een eenvoudiger en stemmiger gewaad,

met welke verandering zij wijselijk bij de oudste en het minst aan

pronk gehechte zusters een aanvang maakte. De vriendschappelijk

gezinde edellieden waren met deze wijzigingen minder ingenomen;

doch tegen hen trad Theresa vrijwat strenger op. Zij dreigde zelfs,

den koning, ja, zoo noodig, den Paus te hulp te roepen, als zij zich

niet goedschiks wilden terugtrekken. Van toen af had het publiek in

het klooster der Incarnatie geen vrijen toegang meer.

Zoo had Theresa haar eerste groote moeilijkheid overwonnen. Maar door

hoeveel zwaren strijd zou deze niet worden gevolgd; hoeveel grooter

en gevaarlijker struikelblokken zouden, gedurende de dertig jaren van

haar apostelschap, Theresa den moeilijken langen weg niet versperren,

waarop zij thans de eerste schreden had gezet. Het was een bezwaarlijke

tocht, dien zij ondernam door de woeste bergstreken van Spanje,

afwisselend blootgesteld aan uitersten van koude en hitte, zonder

andere reisgezellen dan hoop, geloof en armoede, en met het eenig

doel, hervorming en verbetering te brengen in onwaardige toestanden,

ijdele vreugde te doen plaats maken voor gebed, zinledig gebabbel

voor plechtig stilzwijgen, en wereldsche vermaken voor stichtelijke

overpeinzing.

"Ons voertuig is ons kerk en klooster beide," zeide de H. Gregorius

tot zijn makkers, die psalmzingend met hem de arabische woestijn

doortrokken. Datzelfde had Theresa op haar omzwervingen tot haar

gezellinnen kunnen zeggen. Zij droeg wijwater mede, om den weg

te besprenkelen, een beeld van het Jezuskind, om den uittocht

naar Egypte in herinnering te brengen, een bel om te luiden voor

de godsdienstoefening, en een zandlooper, om nauwkeurig de uren

te bepalen, waarin strikt stilzwijgen was voorgeschreven. Welk

een bezielend voorbeeld gaf die kleine gemeente, die zonder geld,

zonder levensmiddelen, bijna zonder voldoende kleeding langs bergen

en door dalen haars weegs ging, vertrouwend op hulp van boven, en in

de vaste overtuiging, haar liefdewerk tot een goed eind te zullen

voeren. Moeilijkheden en bezwaren wakkerden steeds Theresa's ijver

aan, in plaats van dien te doen verflauwen. Van dezen eigenaardigen

karaktertrek getuigen voortdurend haar persoonlijke uitingen,

zooals die in haar brieven zijn bewaard gebleven, een letterkundige

nalatenschap van groote waarde, en de heerlijkste openbaring van

mystieke vroomheid. Haar geheele ziel ligt in die bladzijden voor

ons open.

Men heeft zich met recht verwonderd over het feit, dat Theresa,

die in geestvervoering, visioenen, gebed en prediking niet alleen,

maar ook onder arbeid van allerlei aard haar dagen en nachten placht

te slijten, terwijl zij door velerlei beslommeringen werd gekweld,

toch zulk een heldere, eenvoudige, treffende wijze van uitdrukking

voor haar gedachten wist te vinden, zoodat haar volmaakte stijl ons

thans nog met bewondering vervult. Haar vroegste opvoeding had haar

zeer zeker niet in staat kunnen stellen, haar gedachten in dien

onberispelijken vorm te kleeden. De ridderromans, die haar moeder

gaarne las, en de godsdienstige werken, die haar oom haar te leen gaf,

werkten misschien in haar jeugd op haar vurige verbeelding. Doch

als zij haar diepere gemoedsbewegingen wilde schilderen, behoefde

zij slechts in te keeren tot haar eigen hart, en daar ons rond te

leiden te midden der verborgen schatten van dat heiligdom, met een

oprechtheid, een overgave, een natuurlijke waardigheid, die als van

zelf alle onnatuur of overdrijving buitensloot.

Het proza harer brieven is doorzichtig helder, en weerspiegelt als

het ware alle wisselingen des hemels in zijn liefdevollen en verheven

drang naar het goddelijke.

Tevens verraadt zich overal de vrouw van edele afkomst en beschaafde

vormen, in haar natuurlijke terughouding, haar gelukkige woordenkeus en

gekuischtheid van uitdrukking, terwijl ondanks het waas van heiligheid,

dat haar omstraalt, haar simpel vrouw-zijn eene bekoring te meer

uitmaakt van haar innemende persoonlijkheid. Zelve geheel vrouw,

wenscht zij, dat haar geestelijke dochters sterker zullen zijn dan zij

zelve, daar zij zegt: "Gij moet u in acht nemen voor die liefkoozende

uitdrukkingen, die in de wereld zoo dikwijls worden gebezigd, als 'mijn

leven, mijn ziel, mijn hoogste goed,' want hoe zoudt gij dan God moeten

toespreken? Ik weet wel, dat vrouwen gewoon zijn, zoo te spreken; maar

ik kan niet wel verdragen, dat gij als vrouwen wordt beschouwd. Ik

wenschte u sterk te zien als mannen.... als sterke mannen...."

Misschien heeft geen der mystieke schrijvers zulk een belangrijk

werk nagelaten als de H. Theresa, of zich, als zij, mogen verheugen

in trouwe leerlingen en navolgers, die zich met de uitgaaf harer

gedenkschriften hebben belast.

Haar biechtvaders trachtten wel enkele gedeelten te wijzigen, die tot

misvatting aanleiding zouden kunnen geven, doch gelukkig werden hun

de geschriften ontnomen en toevertrouwd aan den geleerden Augustijner

monnik, Fra Luis de Leon. Zelf geleerde, dichter en bijbelverklaarder,

in zijn vertaling van het Hooglied; mysticus en wijsgeer, door zijn

werk "de namen van Christus"; fijn menschenkenner, getuige zijn

leerdicht "de volmaakte Echtgenoote," begreep de begaafde man, dat de

taal, waarin de H. Theresa zich uitdrukte, eer een hemelsche dan een

aardsche taal genoemd mocht worden, en dat in haar werk niets mocht

worden weggelaten, tenzij zij zelve dit had geschrapt.

"Op vele plaatsen," zegt hij, "komt het mij voor, dat zij het niet is,

die tot mij spreekt; maar de H. Geest, die zich door haar openbaart."

Nadat hij haar werken in het licht had gegeven, wilde Fra Luis,

bezield door zijn heerlijk onderwerp, het leven beschrijven der

heilige, die hij vereerde, en wier zieleleven hij had verstaan. Doch

de dood nam hem weg, eer hij die schoone taak had kunnen volvoeren.

Bij het verlaten van het klooster zagen wij nog in een gebouw, dat

buiten de eigenlijke kloostermuren lag, een beeld van de H. Theresa,

gehuld in een fluweelen, rijk met goud geborduurden mantel, en met

den doctorshoed boven op den conventioneelen sluier, die haar hoofd

bedekt. Het gelaat was hier vol, jeugdig en frisch, zeer verschillend

van het portret, dat in het Ayuntamiento-paleis wordt bewaard,

en dat in 1581 naar het leven werd geschilderd, toen Theresa reeds

zeventig jaar was, en ondermijnd werd door de kwaal, die haar een

jaar later ten grave sleepte. De oogen zijn vol uitdrukking; maar het

gelaat vertoont geen sprekende trekken, noch een krachtig karakter;

het doet eenigszins aan de oudere portretten van George Sand denken.

De heilige vrouw was niet zeer ingenomen met haar conterfeitsel, en

moet, toen het af was, tot den meer goedwilligen dan bekwamen schilder

hebben gezegd: "De Heer vergeve u, broeder Juan; want Hij alleen weet,

hoe gij mij met die zittingen hebt geplaagd, en ten slotte hebt gij

mij ook nog leelijk en met bolle oogen uitgeschilderd."

Haar beminnelijke oprechtheid vond eens uiting in de volgende

woorden: "Toen ik jong was, noemde men mij schoon, en ik geloofde dat

gaarne. Later zeide men mij, dat ik verstandig was, en dat geloofde

ik eveneens; doch de tijd kwam, dat ik berouw had over die ijdele

inbeeldingen. Nu verklaart men mij voor een heilige; maar thans

verbeeld ik mij niet meer, dat het waarheid is."

Gelukkig de geschiedschrijver en philosoof, die rustig zijn tenten zou

kunnen opslaan in de buurt van dat klooster en er in alle kalmte de

werken zou kunnen bestudeeren van de onvergelijkelijke voorgangster

der Karmelieten. Hij zou niet alleen baat vinden voor zijn ziel,

maar tevens, beter dan uit tal van kronieken, den geest leeren kennen,

die het zestiende-eeuwsche Spanje bezielde, en waarvan Theresa een der

nobelste draagsters is geweest. Zij was in waarheid de belichaming der

christelijke gedachte. Macaulay heeft gezegd, dat het protestantisme

sedert de zestiende eeuw geen duimbreed gronds had gewonnen. Als de

H. Ignatius de held der verdediging van het Katholicisme mag genoemd

worden, dan is de H. Theresa voorzeker er het hart van geweest.

Castilië en Andalusië De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 4 / 4 段