NAGERECHTEN.

Elke nieuwe beweging is genoodzaakt rekening te houden met bestaande

vooroordeelen, met zede en gewoonten. Ware dat niet het geval, dan

zou dit hoofdstuk niet getiteld zijn: "Nagerechten".

Hoe menigmaal wordt een kind beknord, omdat het de handen uitsteekt

naar vruchten of naar zoetigheid, voordat het zich verzadigd heeft

aan andere spijzen, aan boonen, erwten, brood of gekookte meelspijs

bijvoorbeeld. Een zorgzame moeder ontneemt het kind zijn lekkers,

dat het pas terugkrijgt, als het van zijn andere spijzen genoeg zal

hebben gegeten; dat "genoeg" te beoordeelen door de moeder. Niet als

de dieren, die het eerst naar het lekkerste happen en dan het minder

smakelijke laten liggen, mag het kind doen. En toch die dieren en

die kinderen hebben gelijk, niet omdat zij meer doordenken dan de

zorgzame moeder, maar omdat zij in hun onnadenkendheid natuurlijker

handelen dan de moeder, wier denken en doen beheerscht wordt door de

bezorgdheid, dat haar lieveling te weinig voedsel zal binnenkrijgen.

Och, die bezorgdheid, dat wij en degenen, aan wie wij ons verwant

gevoelen, niet genoeg zullen krijgen, wat heeft ze de menschheid al

parten gespeeld!

Men verhaalt, dat apen somwijlen hun kinderen met zoo'n onstuimigheid

omhelzen, dat zij het jong dooddrukken. Of het waar is, valt te

betwijfelen, maar dit staat vast, dat vele menschen niet minder dom

handelen, als zij door overvoeding hun eigen leven of dat hunner

kinderen verwoesten. En weer zij de lezer gewezen naar het geschrift

van Dr. Paczkowski, getiteld: Zelfvergiftiging van het lichaam als

oorzaak van ziekten.

De zorgzame moeder, die haar kind vruchten of zoetigheid ontneemt,

totdat het genoeg gegeten zal hebben, is bezig om haar kind te

overvoeden. Ze legt dusdoende den grond voor de _gewoonte_ van

overvoeding bij haar kind, en daarmee tevens voor alle kwalen, die

Dr. Paczkowski in zijn werkje beschrijft. En wij allen, die nog meedoen

aan de zede om het lekkerste het laatst te eten, wij spelen met vuur

en wij doen verkeerd door ons voorbeeld die zede te bestendigen. Maar

het breken met bestaande vooroordeelen en gewoonten is moeielijk en

het zal al een stap voorwaarts zijn, als meer algemeen wordt ingezien

en oprecht beleden, dat de kinderen gelijk en dat wij ongelijk hebben

als zij het lekkerste _het eerst_ en wij de vruchten _het laatst_

eten. Laten wij tenminste de kinderen hun vrijheid daarin laten

en als wij hun het redelijke doen beseffen van hun wijze van doen,

dan zal het met die zede ook gauw gedaan zijn.

Verder zij ook hierop het streven gericht, dat nagerechten, met

vruchten of vruchtensappen bereid, niet moeten dienen om vruchten

te vervangen, maar dat ze den trek naar vruchten sterker moeten

doen worden.

A. Warme puddingen.

R. 482. Amandelpudding (warme). Men laat 1/2 liter melk koken, terwijl

men 250 gram bloem of meel met 1/2 liter water aanmengt. De aangemengde

bloem roert men door de kokende melk onder toevoeging van 60 gram

boter. Men kan den pudding verzoeten door toevoeging van 60 gram suiker

of op een andere wijze en er wat geraspte citroenschil bijvoegen.

Nadat het mengsel ruim een kwartier op een zacht vuur heeft staan

trekken, neemt men het van het vuur en laat het bekoelen, voegt er

vervolgens 500 gram fijngesneden amandelen bij, 60 of 65 gram geraspt

brood en 4 eierdooiers. Als alles goed door elkaar geroerd is, roert

men er nog het stijfgeklopt eiwit door, doet het deeg in een vorm,

die met boter of olie bestreken en met beschuitkruimels bestrooid is

en laat den pudding 1 1/2 uur koken.

R. 483. Broodpudding I. 600 gram oudbakken brood wordt geraspt; de

korstjes in kleine stukjes gesneden en in weinig water geweekt. Zeven

eieren worden geklopt en met 180 gram suiker vermengd of op andere

wijze verzoet, daarna bij de geweekte korsten en het geraspte brood

gevoegd. Na het goed met den pollepel te hebben doorgeroerd, doet

men het deeg in een met boter bestreken vorm en laat het een uur koken.

R. 484. Broodpudding II. Wittebrood, waarvan men de korst heeft

afgesneden, wordt aan dunne sneedjes gesneden, met boter gesmeerd en

in een platten vorm gelegd. Afwisselend legt men een laagje brood en

een laagje goed gewasschen krenten en rozijnen. De bovenste laag moet

natuurlijk brood zijn. Daarna wordt alles gedrenkt met een vanillesaus

(zie R. 158) en in een matig warmen oven gezet. Men kan de vanillesaus

ook vervangen door een melksaus of een vruchtensaus.

R. 485. Chocoladepudding. Men zet 1/2 liter melk te vuur en roert

terwijl 250 gram bloem met 1/2 liter water aan. Als de melk kookt,

roert men het water en meel door de melk. Nadat deze brij ruim een

kwartier op een zacht vuur heeft staan trekken, roert men er 60

gram boter en wat geraspte citroenschil en daarna 250 gram chocolade

door. Daarna neemt men ze van het vuur en laat ze koud worden, voegt er

vervolgens 6 eierdooiers bij en eindelijk voorzichtig het stijfgeklopte

eiwit. Vervolgens doet men het deeg in een met boter bestreken en

met beschuitkruimels bestrooiden vorm en kookt het 1 1/2 uur.

R. 486. Kastanjepudding. Deze wordt op dezelfde wijze bereid als

amandelpudding (zie R. 482) met dit onderscheid, dat men in plaats

van 500 gram amandelen er 500 gram geschilde, gepelde fijngemalen

kastanjes doorroert met nog 60 gram fijngesneden amandelen.

R. 487. Macaronipudding. Macaroni, in stukken gebroken, wordt zacht

gekookt. Men laat het deeg koud worden, doet er fijngesneden amandelen

en 2 of 3 eierdooiers door, roert er voorzichtig het stijfgeklopte

wit der eieren door, doet het deeg in een met boter bestreken en met

broodkruimels bestrooiden vorm en laat het vijf kwartier koken. Men

gebruikt een der vruchtensausen van Hoofdstuk V Afd. C.

R. 488. Rijstepudding. In 1 liter kokende melk stort men 250

gram rijst, voegt er 50 gram boter bij en verzoet ze met 100 gram

suiker. Als ze goed is uitgedijd, neemt men ze van het vuur en laat

ze koud worden. Dan voegt men er 50 gram fijngesneden amandelen en 2

eierdooiers bij, roert het deeg goed om en roert er daarna voorzichtig

het stijfgeklopte wit door. Dan doet men het deeg in een met boter

bestreken en met broodkruimels bestrooiden vorm en laat het een

uur koken.

Men eet den pudding met een der vruchtensausen als in Hoofdstuk

V. Afd. C. beschreven.

R. 489. Sagopudding. Een liter half water, half melk, laat men koken,

roert er 175 gram bruine sago door, 50 gram boter, verzoet het met 30

gram suiker en voegt er desverkiezende een geraspte halve citroenschil

aan toe. Nadat de sago goed uitgedijd is, neemt men ze van het vuur en

laat ze koud worden, roert er 3 eierdooiers en 30 gram fijngesneden

amandelen door en doet het deeg in een met boter bestreken en met

broodkruimels bestrooiden vorm, en laat het een uur koken.

Men eet den pudding met een der vruchtensausen, volgens Hoofdstuk

V. Afd. C. bereid.

R. 490. Vruchtensappudding (warme). Men snijdt 500 gram oudbakken

wittebrood in dunne reepen, die men laat doortrekken met sap van kersen

of aardbeien of bessen enz.; maar zoo, dat ze alleen maar doortrokken

zijn (niet dat men ze kan uitdrukken). Men roert 8 eierdooiers met 300

gram sultanarozijnen, 80 gram fijngesneden zoete amandelen, 2 lepels

geraspt brood en 125 gram gesmolten boter met het met vruchtensap

doortrokken brood door elkaar. Daarna roert men er voorzichtig het

stijfgeklopte wit der eieren door, doet het deeg in een met boter

bestreken en met meel bestrooiden vorm en laat het een uur koken.

Voordat men den pudding uit den vorm neemt, laat men dien eenigen

tijd in koud water afkoelen.

R. 491. Zakkoek (Ketelkoek, Jan in den zak) I. Men beslaat 500 gram

bloem, 250 gram rozijnen, 250 gram krenten, 3 eieren met wat lauwwarm

water en melk, waarin 50 gram gist is opgelost. Men kan er wat sucade

aan toevoegen. Nadat het deeg een uur gerezen heeft, doet men het

in een zuiveren linnen doek of zak, dien men van binnen met boter

heeft gesmeerd en een handbreed boven het deeg toebindt. Vervolgens

zet men den doek of zak met het deeg in een pan lauwwarm water op

een zacht vuur, keert hem na 1 1/2 uur kokens om en laat hem weder

zoo lang koken. Onder het koken verzuime men niet den koek gedurig

naar de hoogte te lichten, totdat hij drijft, om te beletten, dat

hij zich aan den bodem van den ketel vastzet. Men kan ook een bord

op den bodem van den ketel leggen om het aanzetten te voorkomen.

_Aanmerking._ De zeevarenden spreken bij voorkeur van zakkoek. Sommige

personen spreken tegenwoordig alleen dan van ketelkoek, als het deeg

in een vorm in plaats van in een zak of doek wordt gedaan; vroeger

noemde men alle puddingen ketelkoek of koek op den ketel.

R. 492. Zakkoek (Ketelkoek, Jan in den zak) II. Twee honderd gram bloem

en 200 gram boekweit- of gruttemeel wordt beslagen met twee eieren,

een kleine hoeveelheid gist, 100 gram krenten, een paar lepels suiker

en een lepel boter. Nadat het beslag goed gerezen is, wordt het in

een vorm gedaan, die met boter besmeerd en met beschuit bestrooid

is. Vervolgens doet men den vorm in een pan met lauw water, en laat

hem een paar uren goed koken. Als men den vorm uit het kokende water

heeft genomen, neemt men er het deksel af en zet den koek nog even met

den open vorm in een matig verhitten oven om op te drogen. De pudding

wordt gegeten met suiker en desverkiezende met een stukje boter.

R. 493. Zwampudding. Men beslaat 70 gram tarwebloem, 70 gram suiker

en 70 gram boter, met 7 goed geklopte dooiers in 1/2 liter lauw

water. Het wit, tot schuim geklopt, wordt door het beslag geroerd,

het beslag dan dadelijk in een kleinen vorm gedaan, die te voren met

boter besmeerd en met beschuit bestrooid is. Met zet den vorm in lauw

water op een matig vuur en laat den pudding een half uur koken.

B. Koude puddingen.

Voor vruchtenpudding kan een vegetariër natuurlijk geen gebruik maken

van gelatine. De agar-agar, [6] uit zeewier bereid, doet minstens even

goede diensten en heeft daarenboven het voordeel goedkooper te zijn.

R. 494. Aardbeienpudding. In kokend water laat men frambozenstroop of

sap van versche frambozen met suiker koken. In het kokende vocht stort

men de uitgezochte, schoongemaakte en goed gewasschen aardbeien. Nadat

ze een oogenblik slechts hebben gekookt, neemt men ze van het vuur

en laat ze afkoelen. Middelerwijl heeft men agar-agar, na ze eerst

bij herhaling te hebben afgespoeld en goed te hebben gewasschen

door drukking van het ingezogen water bevrijd en daarna opgelost in

warm water, dat men bespoedigt door de agar-agar klein te snijden en

gedurende het oplossen te roeren. Is de agar-agar opgelost, dan giet

men ze door een zeef om de onopgeloste deeltjes achter te houden en

vermengt ze daarna voorzichtig met de aardbeien. Nu en dan roert men

voorzichtig, totdat het mengsel stijf begint te worden en de aardbeien

zich niet meer opeenhoopen. Vervolgens doet men het mengsel in een

steenen vorm. Men rekent op een liter vocht een stang agar-agar.

R. 495. Aalbessenpudding. Na de aalbessen goed gewasschen en gerist

te hebben, zet men ze op in kokend water, laat ze even doorkoken en

wrijft ze vervolgens door een zeef. Men voegt er wat frambozenstroop

en de noodige suiker aan toe en bindt ze met opgeloste agar-agar gelijk

in R. 494 is voorgeschreven, waarna men ze in een steenen vorm giet.

R. 496. Abrikozenpudding. Na versche abrikozen gewasschen, gehalveerd

of in vierdeparten gedeeld en van de pitten bevrijd te hebben,

brengt men ze in heet water aan de kook. Als ze zacht genoeg zijn,

worden ze door de zeef gewreven en met agar-agar gebonden op de wijze

als in R. 494 is aangegeven. Daarna wordt de pudding in een steenen

vorm gegoten.

R. 497. Amandelpudding (koude). Men kookt melk met de noodige suiker

en het geraspte geel van een citroen en stort er dan al roerende het

griesmeel in (100 gram griesmeel op één liter melk). Is de brij dik

genoeg dan roert men er de gesneden amandelen door (80 gram op één

liter melk) en de eierdooiers van twee eieren. Daarna voegt men er

nog het stijfgeklopte wit van de eierdooiers bij en giet de brij in

een steenen vorm, die met koud water is omgespoeld.

R. 498. Ananaspudding. De ananas wordt, wanneer ze versch is, van de

schil ontdaan en uitgepit. Als de ananas uitgepit is, snijdt men ze in

kleine vierkante stukjes. Men kookt 2 liter melk en als deze kookt,

doet men er 1/4 liter room bij. Als de melk met den room opnieuw

kookt, stort men er de fijngesneden ananas in. Zoodra de melk weer

kookt, neemt men ze onmiddellijk van het vuur, anders zou de ananas

haar smaak verliezen. Middelerwijl het mengsel bekoelt, smelt men

de agar-agar en handelt verder als in R. 494 voor het bereiden van

aardbeienpudding is voorgeschreven.

R. 499. Appelpudding. Zure appels, gekookt volgens R. 267 of 272,

worden met heet water door een zeef gewreven. Men voegt er citroensap

en suiker naar smaak aan toe en bindt het moes met agar-agar op de

wijze als in R. 494 is voorgeschreven, dat dan in een steenen vorm

wordt gegoten.

R. 500. Chocoladepudding. Van een liter melk zet men 8 deciliter op het

vuur, mengt de 2 deciliter koude melk met 40 gram cacaopoeder en 60

gram suiker en voegt dit mengsel bij de kokende melk, die men daarna

al roerende nog een paar minuten laat doorkoken. Men bindt daarna de

melk met agar-agar op dezelfde wijze als in R. 494 is voorgeschreven

en giet den pudding in een steenen vorm.

R. 501. Citroenpudding. Men perst eenige citroenen, raspt voorzichtig

de schil van een of meer citroenen, zoodat men het wit niet raakt,

voegt dat bij het sap, lengt het sap aan met water, voegt er suiker

naar smaak aan toe, kookt het vervolgens en als het genoeg is

afgekoeld, roert men er de dooiers van een paar eieren door, bindt

het nat vervolgens met agar-agar zooals is voorgeschreven in R. 494

en roert er eindelijk het geklopte eiwit door, waarna men het vocht

in een steenen vorm giet.

R. 502. Citroenrijst. (Riz glacé). In een liter water, waarin men de

geraspte schillen van twee citroenen doet, laat men 125 gram rijst

(na ze zoo gewasschen te hebben, dat het laatste waschwater volkomen

helder blijft,) gaar koken zonder er in te roeren. Dan roert men

er het sap van vier citroenen met 250 gram witte suiker door. Men

doet de rijst op een schotel, waarin ze afkoelen moet. De schotel

moet van een deksel voorzien zijn, als men de rijst mooi glanzig wil

hebben. Die glans mist ze ook als men ze in een vorm doet.

R. 503. Dadelpudding. Dadels behandelt men als in R. 278 is

voorgeschreven. Als ze even hebben doorgekookt, giet men het nat er af,

dat men opnieuw aan den kook brengt en met maizena tot puddingdikte

bindt. Als het wat is afgekoeld, roert men er voorzichtig de dadels

door, voordat het vocht te stijf is en doet ze daarna in een of meer

glazen of steenen vormen. Is de pudding koud, dan doet men er geslagen

room of een vanillevla overheen.

R. 504. Frambozenpudding. Men volgt geheel R. 494 behalve dat men

in plaats van aardbeien frambozen neemt. Het sap der frambozen of de

frambozenstroop dient hier alleen om de kleur gelijkmatig te maken.

R. 505. Griesmeelpudding. Men volgt R. 497 behalve dat men de amandelen

weglaat. Men dient den pudding op met een der sausen van Hoofdstuk

V. Afd. C.

R. 506. Kaapsche wolken. Het wit van 12 eieren wordt stijf geklopt,

waardoor men heel voorzichtig wat geraspte citroenschil doet. Men zet

een liter melk, die men naar smaak zoet met toevoeging van wat vanille

en een snuifje kaneel, op het vuur. Als de melk kookt, doet men het tot

sneeuw geklopte eiwit er in en haalt het met de schuimspaan er terstond

weer uit, laat het even uitlekken en plaatst het op een schotel, dien

men eerst met heet water warm heeft gemaakt. Dan bindt men de melk met

maizena tot een dikke saus, waardoor men dan voorzichtig de dooiers van

5 eieren roert. Men giet de saus om het gestolde eiwit heen. Men kan de

saus garneeren met kersen of aardbeien, rozijnen en gemalen amandelen.

R. 507. Karnemelkpudding. Men zet 3 liter karnemelk op het vuur,

waarin men telkens roert om het klonteren te voorkomen. Men zoet ze

naar smaak met bruine suiker. Verder voegt men er wat geraspt geel van

een citroenschil in en wat vanille. Als alles goed heeft doorgekookt,

zet men de melk van het vuur en lost agar-agar op met inachtneming

van hetgeen daaromtrent wordt meegedeeld in R. 494.

R. 508. Kersenpudding. Na de kersen van de stelen ontdaan en gewasschen

te hebben volgt men verder R. 494.

R. 509. Kokosnootpudding. Na uit de kokosnoot het water te hebben

verwijderd, ontdoet men ze van den harden bast, schilt er heel dun

het bruine schilletje af en snijdt de noot in stukken, die men op een

rasp met staande pinnen raspt of met een amandelmolen fijnmaalt. Men

zet drie liter melk te koken, waarin men zooveel Javaansche suiker

laat oplossen, dat ze heel zoet is. Kookt de melk, dan roert men

er de geraspte noot door. Middelerwijl heeft men evenveel pijpen

agar-agar als er liter vocht is (de gesmolten agar-agar mede te

rekenen) in stukjes gebroken en in koud water goed gewasschen. De

agar-agar wordt dan goed uitgeknepen en met ongeveer een liter water

op een zacht brandend vuur gezet om te smelten. Hiervoor is het water

uit de kokos in de eerste plaats aan te bevelen. Men laat het vocht

doorkoken totdat alle stukjes van de agar-agar zijn opgelost. Om dat

te bevorderen roert men er telkens in met een houten lepel. Is de

agar-agar geheel opgelost, dan roert men ze door de melk met kokos

en voegt zoo noodig er nog wat suiker aan toe.

Voordat men de pudding in den vorm of de vormen doet, overtuige men

zich of de berekening van het aantal benoodigde pijpen agar-agar wel

nauwkeurig is geschied, door een weinig van het mengsel in een kopje

te doen en het in koud water te zetten. Wordt het goed stijf in het

kopje, dan kan men de puddingbrij in den vorm gieten. Is het niet

stijf genoeg dan gisse men hoeveel agar-agar nog dient te worden

opgelost. Bij puddingen met agar-agar make men den vorm vóór het

ingieten _niet_ eerst nat. Nadat de pudding in den vorm is gegoten,

zet men hem op een koele plaats.

R. 510. Kruisbessenpudding. Nadat de kruisbessen schoongemaakt en

gewasschen zijn, worden ze gekookt. Zijn ze zacht genoeg, dan worden

ze door een zeef gewreven. Dan vermengt men ze met citroensap en een

geklopt ei en handelt vervolgens als in R. 494 is voorgeschreven.

R. 511. Kwee talam. Uit geraspte of gemalen kokosnoot (zie R. 329)

wordt op de volgende wijze _santen_ bereid. Men wascht de geraspte

kokosnoot met weinig water in een steenen kom tweemaal goed uit, daarna

wordt ze goed uitgeperst. Het verkregen vocht noemt men _santen_.

Het grootste deel van de santen van een kokosnoot met het grootste

deel van het nat er van, waaraan opgeloste bruine Javaansche suiker

wordt toegevoegd wordt met half zooveel melk opgekookt en met maizena

gebonden. Men blijft er in roeren tot het behoorlijk dik is en van

de pan loslaat.

Daarna wordt het in een aarden schotel gestort, die men eerst met

boter besmeerd heeft, waarin het kan bekoelen.

Vervolgens kookt men de overgebleven santen en het overgebleven

kokosnat met een hoeveelheid melk en een weinig zout. Men bindt dit

vocht met maizena. Als de maizena gaar is stort men deze witte laag

over de bruine. Zijn beide lagen behoorlijk afgekoeld, dan snijdt

men de kwee talam in ruitvormige stukken.

R. 512. Maizenapudding. Men kookt 4/5 liter melk met het geraspte

geel van een citroen en met suiker naar smaak, mengt 100 gram

maizena met 1/5 liter koude melk aan en giet dat al roerende in de

kokende melk. Verder handele men als in R. 497 voor amandelpudding

is voorgeschreven met weglating echter van de amandelen.

R. 513. Perenpudding. Nadat de peren geschild en gewasschen zijn,

worden ze van de klokhuizen ontdaan, in kleine stukjes gesneden en

in ruim water 2 à 3 uur gekookt. Men wrijft ze met warm water door

de zeef, voegt er citroensap, frambozenstroop en suiker naar smaak

aan toe, bindt ze vervolgens met agar-agar en giet ze in een vorm

als in R. 494 is voorgeschreven.

R. 514. Perzikenpudding. Men volgt het recept voor abrikozenpudding

(R. 496).

R. 515. Roompudding. Men kookt 1/2 liter melk, voegt 100 gram

amandelen, die men gebroeid, gepeld en fijngesneden heeft, bij de

kokende melk, evenzoo de geraspte schil van den citroen en suiker

naar smaak. Als men daarna de melk heeft gebonden met agar-agar (zie

R. 494) dan roert men er ten laatste 1/2 liter room door en giet het

mengsel in een steenen vorm.

R. 516. Sina'sappelpudding. Men perst vier of vijf sina'sappels

en één citroen uit, raspt verder de schil van een citroen en een

sina'sappel voorzichtig af, zoodat het wit niet wordt geraakt. Het

sap en de geraspte schillen, met water aangelengd en met suiker

naar smaak verzoet, zet men op het vuur. Wanneer het gekookt heeft,

laat men het afkoelen, roert er de dooiers van een paar eieren door,

bindt het nat met agar-agar, zooals is voorgeschreven in R. 494 en

roert er eindelijk het geklopte eiwit der eieren door, waarna men

het vocht in een steenen vorm giet.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 44 / 71 题