't Was vroeg in den killen morgen toen hij naar huis liep. Hij geloofde,
dat 't zoowat half zeven was, hij wist 't niet precies. Met onbestemde
verbazing ging hij door de stille kilte van de uitgestorven straten,
kijkend schuw, links en rechts, naar de zwijgend-gesloten huizenrijen,
die in de strakke puurheid van 't eerste licht onwezenlijk-duidelijk
waren, schijnbeelden, als de geschilderde schermen op een tooneel. En in
zijn ooren was niets dan zilver-zuiver, hoog-lief, al te lief getjielp
van vogeltjes, en nu en dan 't dofdreigend gebrom van groepen gebogen
ambachtsmannen, die op karwei gingen, beladen met gereedschap. Hij week
wijd uit voor die groepen, met bijna slaafsch ontzag. 't Was hem of ze
't wisten allemaal en hem verachtten.
Want 't was gebeurd. Gebeurd, gebeurd. Hij herinnerde 't zich precies
met al de kleine bizonderheden, nu in zijn herinnering een reeks
staal-hard werkelijke noodlotsmomenten. 't Was geen droom. 't Was
gebeurd.
Wel was hij zich vaag bewust dat hij nog niet begreep in vollen omvang
wàt er gebeurd was. Daarvoor was zijn denken nog te veel bekneld; het
scheen onwrikbaar vastgegrepen, met stroef-harden greep, door 't
onmeedoogend-onherstelbare, onschendbare, ondeelbare van 't eenmaal
gebeurde, gedane. Zijn oogen staarden tot ze brandden op dat ééne,
doorzoekend zijn herinnering, als was er nog een hoop dat 't niet zoo
was, tóch schijn, tóch een droom. Maar neen, zijn herinnering was
onbedrieglijk zuiver en gaaf en hij liep daar en hoorde zijn stappen.
Hij wist nog precies dat wakker worden en dat herkennen, en toen dat
moeie, dof-verslagene van groote teleurstelling, alomme ellende,
onafzienbaar; en o! dat aldoor hooren van zijn ademhaling, als akelig
naargeestig, van vreemde verten aanzuchtend windgehuil, bij 't opstaan,
aankleeden, weggaan, en toen dat moment, die bijna-niet-te-doorleven
seconden, die onduldbaar-wrange gedachten-stilstand van 't betalen,
't neertellen van de verschuldigde guldens op dat vettig-glimmende
tafeltje. Met bange voorzichtigheid had hij ze neergelegd, naast elkaar,
plat, schuivend, maar toch hadden ze even geklonken, onverwacht, in zijn
klamme hand.
Hij liep diep in den kraag van zijn jas, die hij met zijn handen in
zijn zakken om zich heen trok, den rug krom, 't hoofd laag, schichtig
stappend. Hij wist niet of 't physieke pijn was die bonsde in zijn
hoofd, of alleen de ellende, die dof bonkend sloeg tegen zijn slapen,
van binnen.
Meer menschen tegenkomend, liep hij àl haastiger, en hij was er gauw,
schielijk draaide hij zijn sleutel om, die schuurde in 't slot, en
vluchtte naar binnen, de zware deur achter zich dichtgooiend met een
onbewust angstgebaar; hij schrok van den dreunenden slag. En stil, met
ingehouden adem, vluchtte hij verder, de trap op en zijn kamer in,
waarvan hij de deur met bevende voorzichtigheid dicht deed en op slot.
Terwijl hij toen schuw rondkeek in zijn zwijgende kamer, naar al de
gewone stille dingen, kwam er eerst een snikkend smeeken van gedweeën
boeteling in hem. De greep van de raadselende werkelijkheid liet af. Hij
begon te begrijpen. Hij voelde den blik van al die hoogzwijgende dingen,
die hem gekend hadden in zijn hoogmoed en hem nu weer-zagen in zijn
vernedering. En in-eens woedend van wanhoop nam hij een koperen
aschbakje van de tafel om te gooien naar den spiegel, maar hij schrok
van 't schuurgeluid dat 't ding op de tafel maakte en liet 't vallen op
den grond, waar 't dof bonkend neerrommelde. De alkoofdeuren stonden
open; met een huivering zag hij de ongerepte strakheid van zijn
over-spreid bed. En hij huilde, heesch hijgend, van machtelooze woede,
en een heftig verlangen naar bevrijding, naar niet-meer-zijn, schokte
als waanzin op naar zijn hoofd, zijn blik befloersend met een gevlam
van rood en blauw. Hij liep al naar de deur en sloeg zijn hand aan den
sleutel, willend ver-weg-gaan, buiten in 't park, waar hij wist 't diepe
water, stil, ongerimpeld, een zwart geheim. Maar al de dingen in zijn
kamer keken naar hem, fel-donker en een dreigend grommen scheen uit hen
te slaan. Ze groeiden en kwamen dichter bij, grepen hem, en duwden hem
neer, op den kalen grond, waar hij diep-snikkend neerlag, ineengekromd
als een gegeeselde. Lafaard! dreigde zwaar in zijn ziel een stem als een
stormvlaag....
En zóó een tijd lang stil-liggend op den killen grond, op den ouden
donkergrijzen grond van zijn kamer, zijn kamer, ruikend die bekende
stof-lucht van 't kleed, kreeg hij scheuten koele nuchterheid naar zijn
hoofd, kwam hij langzaam tot bedaren. Een gevoel van veilig zijn, achter
de gesloten deur, op zijn eigen kamer, tusschen al de dingen, die van
hem waren, van hem alleen, net als zijn jas en zijn laarzen, vredigde in
zijn hoofd. De dingen waren nu allemaal weer gewoon en ieder op zijn
plaats; ze zwegen, wijs kijkend, hem beschermend. Hij stond op. Hij ging
zijn ramen dicht-dekken en stak zijn gaslamp op, hij wou alleen zijn met
zijn intieme dingen. En toen, in 't vreemd gelende, zwart-schaduwende
licht, kleedde hij zich uit, heelemaal, tot hij rillend naakt stond.
Zijn kleeren gooide hij bij elkaar in een hoek. En met zijn hand
scheppend 't koude water uit de porceleinen kan van zijn waschtafel,
begon hij zich daarmee te wasschen, snik-hijgend telkens als 't
water kletste tegen zijn bloote lijf, en hij begon te beven en te
klappertanden van de kou.
Toen voelde hij zich beveiligd tegen de wanhoop. Gewone menschelijkheid,
bedelend verlangen naar warmte en physieke behaaglijkheid kwam boven.
Rustiger nu droogde hij zich af, forsch wrijvend zijn breed schonkig
mannelijf, en haalde kleeren te voorschijn, uit de kast, schoon
linnengoed en ook andere bovenkleeren, schoppend den slordigen hoop
van 't uitgetrokken goed nog dieper in den hoek waarin 't lag.
Toen hij bijna klaar was zag hij dat 't over half acht was. Zijn
juffrouw was dus niet gekomen om hem te wekken. Natuurlijk had ze hem
thuis hooren komen, natuurlijk had ze begrepen, wist ze 't nu, zij ook
al....
Maar ze kon niet weten, dat hij al bijna aangekleed was, bijna klaar om
naar kantoor te gaan. Straks zou ze zijn ontbijt brengen. Hij kon nog
weg zijn voor dien tijd. Hij haastte zich daarvoor.
En toen hij klaar was, zijn hoed weer op, zijn jas weer aan -- dat waren
nog twee dingen die mee geweest waren, die 't gezien hadden, zwijgende
medeplichtigen, maar hij had geen anderen hoed en jas -- sloop hij
voorzichtig-zachtjes zijn kamer af. Maar de sleutel had even geknarst in
't slot en in de gang kraakten zijn laarzen. En achter zich hoorde hij
licht schrikkend een deur opengaan en hij keek om en zag zijn juffrouw,
die hem aankeek met een onderzoekende verwondering, vragende schel en
wrevelig, valsch-lieverig: "Gaat u al weg, meneer?.... moet u niet
ontbijten?.... 't Is klaar!...."
Ze hield niet van hem, dat wist hij; hij was een stugge meneer, hij
praatte nooit met haar als 't niet hoog noodig was. Ze was een beetje
schuw voor hem. Dat nu tenminste er in gehouden en flink geantwoord.
"Nee, juffrouw, dank u! ik zal niet ontbijten. Goeie-morgen!" Goed zoo!
zijn stem had bedaard-koel, vast en uit-de-hoogte geklonken, dat gaf een
beetje steun, een beetje pose. Zoo moest hij zich er bovenop zien te
houden.
't Was eigenlijk nog te vroeg om naar kantoor te gaan; de werkvrouw zou
er nog bezig zijn, en Bram, de oude knecht, die den sleutel had en 's
morgens altijd 't eerste kwam, die zouden verbaasd kijken. Toch ging hij
naar kantoor. Hij zou er dan zitten als de bedienden kwamen, ze zouden
hem niet zien binnenkomen, ze zouden zijn gezicht niet hoeven te zien.
Dus liep hij toch haastig door en op kantoor trok hij, met een ernstig
gezicht, vlug zijn jas uit en ging dadelijk aan zijn lessenaar zitten,
zoodat de werkvrouw en Bram moesten denken dat hij iets hoognoodigs te
doen had, iets waar groote haast bij was. Hij liet den knecht de post
uit de bus halen, zei dankje, en liet 't stapeltje naast zich liggen,
quasi-ingespannen schrijvend een brief aan een klant. Toch verbeeldde
hij zich dat Bram en de werkvrouw achter zijn rug elkaar vragend
aankeken en even fluisterden. En hij schreef, diep voorovergebogen,
nog haastiger door, en enveloppeerde den brief, aldoor met een
gewichtig-gerimpeld gezicht en plakte den postzegel er op, "Hier Bram,"
zei hij, "dadelijk naar de post! Hard loopen, hoor!" "Ja, meneer," zei
Bram bedaard, maar Bernard, die niet naar hem opkeek, verbeeldde zich
weer dat hij zacht wat zei tegen de werkvrouw. "Wat is er, wat is er?"
vroeg hij ruw-driftig. "Niks, meneer," antwoordde Bram verbaasd,
"hoofdpost, meneer?" "Nee,.... breng 'm maar liever naar 't station,
maar loop vooral hard!" "Ja, meneer!" En Bram ging weg.
Toen bedacht Bernard zich dat hij vergeten had den brief te copieeren.
Hij bromde een paar vloeken en schold mopperend op zich zelf. Hij werd
kregel. En dat werd erger terwijl hij zijn brieven zat door te zien. Er
waren er een paar bij, die hij wel, ineengefrommeld, den schrijver in
't gezicht had willen smijten.
Intusschen schutterde de werkvrouw in tobberige verlegenheid om hem
heen; ze was niet gewoon dat meneer er bij was; ze mocht nu alles wel
in de puntjes doen; 't kon niet maar-zoo'n-beetje, zooals anders, onder
een gezellig babbeltje met Bram, die zijn pijpje rookte.
En een voor een kwamen de bedienden. Ze waren luidruchtig op de trap en
schrokken als ze meneer zagen, hem groetend met eerbiedig gedempte
stemmen; waarop hij in wreveligen toon antwoordde, zonder omkijken.
Ze fluisterden soms even. Dan keek Bernard om met gefronste wenkbrauwen,
zoekend met de oogen naar de lippen die bewogen hadden, maar dan zag hij
dat al de gezichten kalm en plooiloos voor zich keken. Hij stond op om
de post te verdeelen en sprak met ernstig-doffe stem over de zaken met
den ouden boekhouder en met den correspondent. Maar toen die een kleine
tegenwerping maakte, een beleefde aanmerking op een plan van den
patroon, werd Bernard boos en zei op hoogen toon, dat 't gebeuren moest
zooals hij zei.
En hij ging weer zitten aan zijn schrijftafel. Natuurlijk wisten zijn
bedienden ook alles. Voortaan zou hij ze alleen kunnen regeeren door
schrik en ontzag er onder te brengen. Persoonlijk overwicht had hij niet
meer. Maar hij was de patroon en hij zou er 't respect in weten te
houden, zei hij in zich zelf, een vloek prevelend.
Meer en meer verscherpte zijn slecht humeur. Hij had nu een hekel
aan zijn bedienden, die in lauwe tevredenheid zaten op hun krukken,
stil-zeurig werkend. Hij verlangde er naar, een van hen 's een standje
te schoppen.... Die lamme, paffig-bleeke jongen vooral, die achter zat,
die altijd romans van Sue of Bouvier in zijn lessenaar had liggen, dien
had hij nooit kunnen uitstaan. Maar hij had ook nooit veel reden tot
klagen over hem gehad, en 't was een beetje een protégé van zijn oom,
omdat hij van een vrij goede familie was; dus moest hij hem wel blijven
dulden. Maar er moest ook niet zóóveel gebeuren,.... niet zóóveel,
óf....
Bernard voelde wel de kleinzieligheid, de nietswaardigheid van zijn
gedachten. Maar hij aanvaardde dat. Goed! hij was ook maar een
doodgewoon mensch, waarom zou een onredelijk standje hem onwaardig zijn?
Dat overkwam iederen patroon wel 's!
Maar de morgen verliep kalm en gewoon, in zwijgend bezig-zijn; geen
enkel incident gaf hem aanleiding zich boos te maken. Hij werkte
gejaagd-haastig door, met groote inspanning zijn denken houdend bij zijn
werk. Als hij er maar even niet op lette, dan zag hij weer dat kleine
kamertje, en voelde weer de benauwende warmte, en rook de gemeene odeur,
en hij zag dat slap-passieve vrouwelijf liggen.... en dan zich zelf....
En hij maakte onbewuste bewegingen van walging met zijn onderkaak. O dat
weeë! en die gloeiende, gniepig martelende schaamte in zijn dof-bonkend
hoofd.
Op den gewonen tijd ging hij weg om koffie te drinken. Hij ging
natuurlijk ergens waar hij wist, dat niemand komen zou dien hij kende.
Hij at een paar taaie broodjes met vleesch, in jachterige haast groote
brokken verduwend, zich ergerend weer over die gulzigheid, en dronk
wat van zijn koffie, die slecht was en akelig zoet, want hij had er,
abstract, al de klontjes ingegooid. En opziend tegen de beurs-drukte
bleef hij nog een poos zitten kijken in een viezige krant, las de
gemengde berichten en advertenties die hem niets konden schelen, en
liep toen loom op, naar de Beurs. Daar, in 't roezig geraas, werd zijn
hoofdpijn zoo erg, dat hij er wat duizelig van werd, en tegen een pilaar
moest gaan staan. Hij ontweek zooveel mogelijk zijn kennissen, deed of
hij ze niet zag, aldoor druk zaken doende.... En zoo gauw mogelijk liep
hij weer naar kantoor, vroeger dan anders. Al de bedienden blikten op en
keken hem tersluiks aan toen hij binnenkwam; de oude boekhouder tuurde
onderzoekend over zijn bril en die bleeke jongen, achter, wreef zich de
dikkige handen en trok zijn mond alsof hij gelachen had. Bernard bleef
hem even aankijken. Toen schrok de jongen en hervatte schuw-haastig zijn
werk.
Lacht die lummel? lacht dat vervelende meubel? zei Bernard in zich zelf.
Hij ging weer zitten werken. En 't slechte humeur en de ruzielust
waren er ook weer. Hij verbeeldde zich nu aldoor dat ze fluisterden
en ginnegapten over hem. Telkens keek hij schielijk op met toornig
wenkbrauwfronsen. Plotseling -- 't was om half vier zoowat -- hoorde hij
duidelijk gichelen en omkijkend zag hij dien jongen achter een gebaar
maken naar den jongsten-bediende, die in 't voorkantoor zat.
Hij stond op en vroeg hard-luid: "Wat is er, Bekker?" "Niets meneer,"
zei de jongen, quasi-onschuldig en bedaard naar hem omkijkend. "Niets
meneer!.... niets meneer!" herhaalde Bernard met dreigenden wrevel en
klimmende drift. "Wat heb je dan te ginnegappen en wat wou je wijzen aan
Willemse hier?.... Kom hier!...."
Bekker kwam loom aanloopen. "Gauw wat! Kom hier!" riep Bernard. "Wat heb
je te lachen, vlegel!" En hij gaf hem een harden klap in 't gezicht.
"Au!" huilde Bekker, achteruit stuivend. "Verdomme!.... U hoeft me niet
te slaan! Ik heb niet gelachen!.... Ik deed niets.... Ik zat kalm te
werken, hier, aan de facturen!"
"Je liegt, vlerk!" schreeuwde Bernard, "je liegt, beroerde lummel!" En
hij pakte hem bij den kraag van zijn jas en schudde hem heen en weer.
Al de andere bedienden staarden, verstomd van verbazing, naar zijn rood
hoofd, dat scheen te zwellen, te zullen bersten. "Werken jelie maar
door!" snauwde Bernard, "'t gaat jelie geen bliksem aan!.... Kom hier,
vlegel!" En hij duwde hem voor zich uit naar zijn lessenaar en hij nam
wat geld uit een laadje. "Hier is je salaris.... voor de heele maand,
maar maak als de donder dat je van me kantoor afkomt, gauw!.... Pak je
hoed!.... Gauw dan, zeg ik!" Zijn stem klonk schril-hoog en hij stampte
van woede. Lijk-bleek, verstomd en met schuwen blik had de jongen 't
geld aangenomen en was weggegaan, de deur uit, de trap af.
Toen Bernard hem niet meer hoorde, ging hij -- zijn bonzend hoofd
steunend met zijn hand -- terug naar zijn lessenaar. Hij had moeite om
niet te wankelen.
Maar toen hij weer zat voelde hij zich even verlicht door dat woeste
uitwoeden. Hij was blij dat die lamme jongen weg was. Een dégoutante
papzak. Een type van een ambtenaarsklerk. Hij had hem altijd al verveeld
en ontstemd. Hij was blij dat hij hem niet meer zien zou, die akelige
bleeke tronie, dat dom-zoetige meelgezicht.
't Werd nu heel stil op kantoor; Bernard luisterde telkens met
ingehouden adem en iets van angst in zijn warm-soezig hoofd of de
anderen niet fluisterden onder elkaar. Maar hij hoorde niets dan -- van
tijd tot tijd -- een droge kuch of een liniaal die werd neergelegd.
Buiten versomberde 't straatrumoer in 't vergrijzen van den dag; met
klamme melancolie sloeg 't geroep van een lorrenjood in de schimmige
leegte van de huizen. Bernard zag de schaduw van zijn schrijvende hand
verflauwen en vervagen tot een spookachtig-bewegende grijsheid zonder
vorm.
Voor 't eigenlijk nog noodig was, stak hij de gaslamp aan, die op zijn
schrijftafel stond, en liet 't rolgordijntje naar beneden rommelen. En
met een ruk schoof hij zijn zwaren stoel weer aan, willend zich in 't
nieuwe, heldere licht weer flink aan 't werk zetten. "Ik zou daar ook 't
licht maar aansteken," beval hij zijn bedienden, "'t is vroeg donker van
daag." Niemand antwoordde; in triestige stilte ploften de gasvlammen
op.
Maar ondanks 't helle avondlicht, voelde Bernard nog altijd de kille
krimping van den namiddag buiten, in de nauwe straat; hij hoorde het
geroep en kargerommel versomberen, al dieper.
En nu kwam ook 't strenge bewustzijn, dat hij in wreed-onredelijke drift
een bediende had beroofd van zijn werk, van zijn broodwinning. Hij dacht
even aan dat tehuis, waar hij nu zeker zijn zou, die jongen, ....
misschien had hij een moeder..... en zusters, die nu zaten te smalen op
hem, den slechten patroon, den gemeenen man....
Hij had graag zijn moe-warm hoofd laten zinken op 't hel-lichte,
koel-glanzende papier, dat voor hem lag. Maar dat kon natuurlijk niet.
Hij was de patroon. Hij moest 't gezag handhaven in 't belang van de
zaken.
Hij voelde zich slachtoffer nu, hij kreeg wat medelijden met zich zelf.
't Was tergend dat nu juist, met vlagen lichtheid in zijn hoofd, de pijn
wegging. Hij had nu wel graag erge hoofdpijn gehad om meer reden te
hebben zich zelf te beklagen.
Eindelijk zes uur. De een na den ander, met gedempt groet-gebrom
vertrokken de bedienden. Er was stil gemor in dien verplichten groet.
Bernard voelde 't.
Goed!.... Goed!.... bromde hij binnensmonds, terwijl hij ook opruimde,
sloot, en wegging. 't Is nu eenmaal gebeurd.... 't Kan toch niet meer
ongedaan gemaakt worden.... En al kon 't ook, al kon 't ook!.... Wat
bliksem, die jongen is ook niet voor zijn plezier op de wereld....
Met stroef-gesloten mond en donker-starenden blik liep hij de
Warmoesstraat door naar den Dam en toen de Kalverstraat in. Hij zou gaan
eten. Aan zijn tafel, met zijn vrinden. Want dat moest immers toch, dat
terugzien en weer omgaan met hen. Of 't nu vandaag of morgen gebeurde
wat deed dat er toe! En alleen zijn was toch nog ellendiger....
Trouwens, waarom ook niet? Hij was nu heelemaal hun vrind, meer dan
ooit hun makker, een van hun slag. Dat zich heimelijk eenigszins
boven hen voelen van vroeger was schreeuwend belachelijk geworden, een
gevoel om uit te fluiten, om neer te striemen met fellen hoon. Ze
zouden hem zeker hartelijk, kameraadschappelijk ontvangen, en hij zou
vroolijk zijn met hen, waarom niet? Hij was nu vrij, hij kon nu alles
doen, zich bedrinken,.... alles wat hij maar wou, er was niets meer
aan verloren.... Jammer! hij had daar eigenlijk al veel langer plezier
van kunnen hebben....
Hij dronk onderweg in een klein drankhuisje twee borrels, achter elkaar,
aan de toonbank, en met voldoening merkte hij hoe 't werkte van binnen,
verhittend zijn donkre, loome lijf, opslaand met helle vlammen zijn
suffe hoofd in.
En hij vond zijn vrinden, die er altijd al waren, bitterend aan hun
gewone tafeltje. Hendrik en Gerrit waren er ook, en hij zag dadelijk
dat die twee 't ook al wisten, dat er over gesproken en gelachen was
aan hun tafeltje. Gerrit glimlachte met een gemeen genoegen in 't
geval, Hendrik keek hem ernstig, kalm-onderzoekend aan. Maar ze zeiden
er geen woord van, geen van allen, ze deden alsof ze er niet aan
dachten. André was opgewekt, heel amicaal, en Sam bedaard hartelijk,
leuk-natuurlijk-hartelijk, als een broer.
Maar Bernard, die er zich op voorbereid had, dat ze er dadelijk over
beginnen zouden, en daarvoor dan zijn antwoord klaar had, was verward
en abstract. En toen hij nog een borrel gedronken had en er aan gewend
was dat ze er niet over spraken, een beetje wegzakkend in half-dronken
gesoes, was hij telkens bang dat ze een toespeling zouden maken of één
van allen in-eens wat vragen. Hij wist niet meer hoe hij zich dan houden
zou.
En daarom ging hij na het eten gauw weg, zonder koffie, bewerend dat hij
naar kantoor moest. Maar hij ging naar zijn kamer.
Hij stak er 't licht niet aan, hij bleef in 't donker liggen op zijn
kanapee, met gesloten oogen, achterover, zijn dof-bonzend hoofd tegen
den hard-houten rand van knobbelig lofwerk. Dat deed hem eerst goed, de
hardheid van 't hout, die pijn gaf aan 't beenige achterhoofd. Maar gauw
werd 't te erg en zakte zijn hoofd lager, tegen 't broeiige trijp. En
willoos toegevend aan de slaperigheid, die krieuwde in zijn moeie lijf,
was hij gauw in een doffen slaap.... weg....
Toen hij wakker werd, stijf en rillerig en gedésorienteerd, zag hij, met
een aangestoken lucifer op zijn horloge kijkend, dat 't bij tienen was.
Hij was nog dof en zwaar van den slaap, hij bleef nog liggen ondanks de
stijfheid van zijn klammig-koude leden, de pijn in zijn gewrichten en in
zijn hals.
Met een angstige klopping in zijn polsen keek hij rond in de schemerige
duisternis van het vertrek. Zijn gordijnen waren opengebleven;
mysterieus zwierven de gelige glimpjes van in 't water weerkaatste
flikkering langs 't plafond, en in den eenen hoek streepte zwak 't
armoedige licht van de straatlantaarn, die een eindje verder stond. Hij
hoorde 't gebel van de tram die de flikkering wierp in 't water. Maar in
zijn kamer was 't stil.
En nu steeg in-eens in zijn hoofd, -- dof-treurend als uit de verte
gehoord gezangen-zingen in een protestantsche kerk, -- het volle
bewustzijn van wat er in hem was vernield.
En hij ging recht-op zitten; plotseling hevig ontroerd van een sterk in
zijn hoofd staande, smartlijke verbazing. Hoe was 't mogelijk!.... Hoe
was 't mogelijk!.... De eenige illusie die hij nog had, de teeder
gekoesterde, hem zoo innig-lief geworden om den doorstanen hoon, het
zonnevlekje van poëzie in zijn leven, het blauwe lint aan zijn stalen
lans, het teeken der jonkvrouw, weg, weg, voor altijd. Door zijn handen
verscheurd, door zijn voeten vertrapt. En uit zijn wijd-openstaande
oogen persten de groote tranen en liepen langs zijn verkild gelaat, lang
voor hij er bewustzijn van had, en zich voorover buigend heftig begon te
snikken, zijn gezicht in zijn beide handen duwend, zijn kil-klamme
handen van eenzaamheid.
Hij voelde zich nu zwak en klein, een kind dat verdriet heeft. Hij
fluisterde zacht: moeder.... moeder.... waarom ben je niet bij me
gebleven?.... en waar is mijn vader, mijn vrind....
En hij dacht aan hun graf, daar ver buiten, op Zorgvliet. Hij was er
niet dikwijls heengegaan. Ze waren daar immers toch niet. Ze waren niet
in de kille duisternis, ze waren in 't licht, in 't diepe-stralende
licht van eeuwige liefde. Maar nu wou hij er heen gaan, nu wou hij gaan
denzelfden weg waar zij langs gebracht waren, liggend stil, koud, dood,
in den zwarten wagen. Want hij was nu immers ook dood,.... verslagen
door 't leven.
Hij stond op en nam zijn hoed en jas en ging de trap af, en de deur uit.
't Was koel buiten, een vochtig-zoele koelheid kwam hem tegen.... En hij
begon al langzamer en langzamer te loopen.... en bleef staan.... Hij
voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij er niet langs kon loopen zoo lang,
langs 't koel-kabbelende, donkere water, daar buiten, in de wijde
stilte. De sterren flonkerden. Er was geen maan. 't Ging niet. Dan zou
hij 't doen, 't lafste, 't laagste. En dan zou hij nooit, nooit kunnen
stijgen tot hen in 't licht, in 't pure licht, maar hij zou daar blijven
liggen, rottend in 't zwarte slijk, als een verdoemeling.
Hij liep terug, sneller, angstig-gehaast. Voor hij 't wist was hij weer
op zijn kamer.
En hij stak zijn lamp aan en haalde uit de kast in 't alkoof, met
moeite, de ouderwetsche mahoniehouten kist, waar de reliquieën in lagen,
de brieven en portretten en de ringen van zijn ouders. En toen hij
die zag begon hij weer heftig te snikken. Maar 't deed hem toch goed.
Pieuse aandoening en weemoed verzachtten zijn smart. Toen zijn snikken
bedaarde kwam er wat berusting en vrede in zijn ziel. En een vage
behoefte om te bidden. Maar dat deed hij niet. Hij dorst niet denken dat
God hem hooren kon.
De rust na 't uithuilen voelend in zijn hoofd wreef hij herhaaldelijk
met zijn handen langs zijn slapen om nu tot klaarheid te komen, tot een
plan voor de toekomst. 't Was een lange, kale weg, dien hij voor zich
zag. Stil plicht-doen, werken, was voortaan 't eenige. Werken van 't
opstaan tot 't naar bed-gaan, om den zegen van den slaap te verdienen,
waarin dan misschien nu en dan een vluchtige droom zou zijn als 't
zwakke schijnsel van 't groote licht dat hij niet meer hopen dorst te
zullen zien.